Rechtbank Midden-Nederland, 24-10-2017 / 6213684 UT VERZ 17-19779


ECLI:NL:RBMNE:2017:5463

Inhoudsindicatie
Artikelen 1:450 en 7:465 BW. Verzoek instelling mentorschap op aanraden zorginstelling. Geneeskundige behandelingsovereenkomst. Instelling mentorschap ter voorkoming dat familie niet bij zorg wordt betrokken.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-10-24
Publicatiedatum
2017-11-06
Zaaknummer
6213684 UT VERZ 17-19779
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bewindsbureau


locatie Utrecht


zaaknummer: 6213684 UT VERZ 17-19779


Beschikking op een verzoek tot instelling mentorschap d.d. 24 oktober 2017


Ingediend door:


[verzoeker 1]

wonende [adres]

[postcode] [woonplaats]


en


[vezoekster 2]

wonende [adres]

[postcode] [woonplaats]

hierna te noemen: verzoeker(s).


De procedure


De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

  • - het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 12 juli 2017;
  • - de bereidverklaring van de voorgestelde mentor(en) om tot mentor(en) te worden benoemd.


De beoordeling


Het verzoek strekt tot instelling van een mentorschap ten behoeve van [betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [1951] , wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] , betrokkene.


De kantonrechter heeft betrokkene niet gehoord, omdat uit de stukken voldoende blijkt dat betrokkene niet in staat is zijn mening kenbaar te maken.


Uit de stukken en de behandeling ter terechtzitting is voldoende aannemelijk geworden dat betrokkene als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat zal zijn ten volle zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.


Tegen de voorgestelde mentor(en) zijn geen bezwaren gerezen.


Op grond van artikel 7:465 BW, één van de bepalingen met betrekking tot de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet - als de patiënt niet in staat moet worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake - de hulpverlener de verplichtingen voortvloeiende uit de bepalingen over de geneeskundige behandelingsovereenkomst nakomen jegens de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de patiënt, dan wel als een zodanige persoon ontbreekt, jegens een ouder, kind, broer of zus van de patiënt, tenzij de patiënt dit niet wenst. Dit geldt niet als de meerderjarige een curator of een mentor heeft. Ter zitting hebben verzoekers verklaard dat hen door de zorginstelling waar hun broer verblijft, is opgedragen mentorschap aan te vragen. Daar waar verzoekers al vele jaren de gezondheidsrechtelijke belangen van betrokkene behartigen en bereid zijn dit te blijven doen valt niet in te zien op welke grond een mentorschap zou moeten worden ingesteld, laat staan dat de zorginstelling daartoe zou kunnen gelasten.

Alleen als de nakoming van deze verplichting niet verenigbaar is met de zorg van een goed hulpverlener zou dit anders kunnen zijn. Dat hiervan sprake zou zijn is op geen enkele wijze gebleken.


Enkel om te voorkomen dat verzoekers, nadat zij vele jaren als de belangen van betrokkene hebben behartigd, door de nieuwe zorg- en hulpverleners niet meer bij de zorg worden betrokken, zal toch mentorschap worden uitgesproken.



De beslissing


De kantonrechter:


- stelt een mentorschap in ten behoeve van [betrokkene] voornoemd;


- benoemt tot mentor(en): [verzoeker 1] en [vezoekster 2], beide voornoemd.



Deze beschikking is gegeven door mr. P.A.M. Penders, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken door mr. P.J. Neijt, kantonrechter, op 24 oktober 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing kan binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend.