Rechtbank Midden-Nederland, 31-10-2017 / 16/660446-16 (P)


ECLI:NL:RBMNE:2017:5472

Inhoudsindicatie
Verdachte had een vuurwapen, munitie en hennep in zijn bezit. De rechtbank veroordeelt hem tot een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-10-31
Publicatiedatum
2017-10-31
Zaaknummer
16/660446-16 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht


Parketnummer: 16/660446-16 (P)



Vonnis van de meervoudige kamer van 31 oktober 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte] ,

geboren op [1969] te [geboorteplaats] ,

wonende aan het [adres] te [woonplaats] .



1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 15 maart 2017 en 17 oktober 2017.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M. Lousberg en van hetgeen verdachte en mr. D.N.A. Brouns, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.



2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


onder 1: op 30 november 2016 in Nieuwegein een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad;


onder 2: op 30 november 2016 in Nieuwegein hashish en hennep heeft geteeld, bereid, verwerkt, bewerkt, verkocht of verstrekt, dan wel aanwezig heeft gehad.



3VOORVRAGEN


De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.





4WAARDERING VAN HET BEWIJS


4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen, waarbij ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde alleen het aanwezig hebben te bewijzen is.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging is ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde van mening dat niet bewezen kan worden dat verdachte heeft gehandeld in drugs. Voor wat betreft het aanwezig hebben van drugs, heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.


4.3

Het oordeel van de rechtbank


Verdachte heeft de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bekend. De verdediging heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:


  • - de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 oktober 2017;
  • - een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van 30 november 2016, genummerd 20163011.1118, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerde pagina 499, met bijlage inbeslaggenomen goederen, doorgenummerde pagina’s 500 tot en met 503;
  • - een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, van 28 december 2016, genummerd PL0900-2016369533-85, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 787 en 788;
  • - een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal Onderzoek verdovende middelen van 1 december 2016, genummerd PL0900-2016369533-48, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 2259 tot en met 2262.

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.



5BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:


1.

op 30 november 2016 te Nieuwegein, een wapen van categorie III, een revolver (merk Smith & Wesson, kaliber.38 S&W special) en munitie van categorie III, te weten een samengesteld patroon (kaliber .308 Winchester, merk S&B) voorhanden heeft gehad;





2.

op 30 november 2016 te Nieuwegein, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 28,6 gram en (ongeveer) 66,8 gram en (ongeveer) 30,9 gram en (ongeveer) 305 gram en (ongeveer) 10,4 gram hennep, zijnde hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.


Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.



6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:


feit 1: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.


feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.



7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.



8OPLEGGING VAN STRAF


8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;


8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat, gelet op het reclasseringsrapport en het feit dat er geen recente veroordelingen op het strafblad van verdachte staan, volstaan kan worden met een voorwaardelijke straf dan wel een taakstraf.




8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.


De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.


Verdachte heeft een vuurwapen en een patroon voorhanden gehad. Deze goederen vormen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Tegen het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie dient dan ook streng te worden opgetreden.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennep. In het algemeen geldt voor verdovende middelen dat zij verslavend zijn, met alle nadelige gevolgen van dien voor de gebruikers zelf en voor de samenleving als geheel.

De combinatie van drugs en vuurwapen is daarbij extra gevaarlijk.


De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS gaan voor het voorhanden hebben van een vuurwapen uit van een gevangenisstraf van 3 maanden.


Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 30 augustus 2017;

- een reclasseringsadvies van 7 maart 2017, uitgebracht door Reclassering Nederland.


Gelet op het vorenstaande kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.


Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 4 maanden passend en geboden is. Een gedeelte van deze straf, te weten 1 maand, zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.



9TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen

  • - 57 van het Wetboek van Strafrecht en
  • - 26 en 55 van de Wet wapens en munitie
  • - 3 en 11 van de Opiumwet;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.



10BESLISSING


De rechtbank:


Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;


- verklaart het feit 1 en feit 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Strafbaarheid

- verklaart het onder feit 1 en feit 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;


- verklaart verdachte strafbaar;


Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden;


- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;


- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 1 maand, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;


- stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;


- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;


voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.



Dit vonnis is gewezen door mr. P.J.M. Mol, voorzitter, mrs. E.H.M. Druijf en J.G. van Ommeren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Prinsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 oktober 2017.




Bijlage: de tenlastelegging


Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat


1.

hij op of omstreeks 30 november 2016 te Nieuwegein, althans in Nederland, een wapen van categorie III, een revolver (merk Smith & Wesson, kaliber.38 S&W special) en/of munitie van categorie III, te weten een samengesteld patroon (kaliber .308 Winchester, merk S&B) voorhanden heeft gehad;


De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie


2.

hij op of omstreeks 30 november 2016 te Nieuwegein, althans in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, in elk geval heeft vervaardigd, een of meer hoeveelhe(i)d(en) van (ongeveer) 28,6 gram en/of (ongeveer) 66,8 gram en/of (ongeveer) 30,9 gram en/of (ongeveer) 305 gram en/of (ongeveer) 10,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep en/of hashish, (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet