Rechtbank Midden-Nederland, 13-12-2017 / 450511 / HA RK 17-268


ECLI:NL:RBMNE:2017:6156

Inhoudsindicatie
Wrakingszaak
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-12-13
Publicatiedatum
2017-12-13
Zaaknummer
450511 / HA RK 17-268
Procedure
Wraking
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER


Locatie: Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer: 450511 / HA RK 17-268


Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

13 december 2017


op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:


[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] (Frankrijk),

(verder te noemen: verzoeker).



1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- een fax van 27 november 2017 waarin verzoeker een verzoek tot wraking van

mr. I.L. Rijnbout heeft ingediend;

  • - een e-mail van 4 december 2017 waarbij verzoeker drie bijlagen heeft gevoegd ter nadere onderbouwing van zijn verzoek; en
  • - een schriftelijke reactie van 30 november 2017 van mr. I.L. Rijnbout.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 5 december 2017 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

Bij de mondelinge behandeling zijn verzoeker en mr. I.L. Rijnbout verschenen. Namens de belanghebbende Samen Veilig Midden-Nederland zijn mevrouw [A] en de heer

[B] verschenen.


1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.



2Het wrakingsverzoek en het verweer


2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. I.L. Rijnbout als behandelend kinderrechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met het kenmerk

C/16/447365.


2.2.

Verzoeker heeft – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd aan zijn wrakingsverzoek. Er is sprake van ongelijke behandeling van partijen doordat de rechter, zonder dat daarvoor toestemming is gevraagd aan verzoeker, heeft toegestaan dat de pleegmoeder van verzoekers zoon aanwezig is geweest bij het kindgesprek. Dergelijke gesprekken dienen alleen in aanwezigheid van het kind, de rechter en de griffier plaats te vinden, teneinde beïnvloeding door derden te voorkomen. Het zonder toestemming van verzoeker toelaten van de pleegmoeder bij het kindgesprek wringt te meer nu verzoekers partner geen toegang tot de zitting heeft gekregen omdat de overige belanghebbenden in de zaak tegen haar aanwezigheid bezwaar hebben gemaakt. Hierdoor heeft de rechter verzoekers partner niet kunnen horen. Tot slot is de rechter vooruitgelopen op de beslissing tot een mogelijke verlenging van de machtiging uithuisplaatsing door een omgangsregeling voor de aankomende zes maanden te willen vaststellen. Dit terwijl de machtiging uithuisplaatsing op 27 januari 2018 eindigt. Door te handelen zoals hierboven omschreven, is volgens verzoeker twijfel ontstaan over de onpartijdigheid van de rechter.


Verzoeker heeft in zijn wrakingsverzoek nog opgemerkt dat hij, als eisende partij, niet in het midden van de zittingszaal mocht plaatsnemen, maar ter zitting van de wrakingskamer heeft hij erkend dat dit is gekomen door de feitelijke gang van zaken – verzoeker betrad de zittingszaal iets later dan de andere betrokkenen – en niet door tussenkomst van de rechter, zodat hij nu inziet dat de rechter hiermee geen bijzondere bedoeling had. In zoverre, zo begrijpt de wrakingskamer, ligt deze omstandigheid niet langer aan het wrakingsverzoek ten grondslag.


2.3.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie heeft zij op de verschillende door verzoeker genoemde punten een reactie gegeven. In het vervolg van deze beschikking zal nader op deze reactie worden ingegaan.



3De beoordeling


3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek

van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de

rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.


3.2.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.


3.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.


3.4.

Op grond van artikel 37, eerste lid Rv dient een verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden. Verzoeker heeft zijn verzoek op de vierde dag na de zitting ingediend. In dit geval is van belang dat verzoeker woonachtig is in Frankrijk en dat hij, zo heeft hij ter zitting toegelicht, na de behandeling ter zitting eerst is teruggereden naar zijn woonplaats. Daar heeft hij het verzoek tot wraking opgesteld. De zitting heeft op donderdag plaatsgevonden en het wrakingsverzoek is op maandag, direct na het tussenliggende weekend, ingediend. Gelet op genoemde feiten en omstandigheden oordeelt de wrakingskamer dat het verzoek tijdig is gedaan.

3.5.

De wrakingskamer oordeelt over de inhoud van het wrakingsverzoek als volgt. De door verzoeker aangehaalde beslissingen zijn procesbeslissingen. Een procesbeslissing levert op zichzelf geen grond voor wraking op, tenzij deze beslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze niet anders kan worden verklaard dan vanuit een gebrek aan onpartijdigheid.


3.6.

Over de aanwezigheid van de pleegmoeder bij het kindgesprek heeft de rechter opgemerkt dat het binnen de rechtbank vast beleid is dat een kind zich bij een dergelijk gesprek kan laten bijstaan door een vertrouwenspersoon. Zo’n verzoek wordt nooit voorgelegd aan de ouders om te voorkomen dat (ook) daarover strijd ontstaat. Het verzoek wordt alleen afgewezen indien de kinderrechter de indruk heeft dat een kind zich door de aanwezigheid van deze persoon niet vrij kan uiten. In het geval van de zoon van verzoeker waren daarvoor geen aanwijzingen.


Wat betreft het niet toelaten van de partner van verzoeker heeft de rechter naar voren gebracht dat zij op voorhand aan verzoeker kenbaar heeft gemaakt dat zijn partner alleen zou worden toegelaten tot de zitting, indien de overige belanghebbenden in de zaak daartegen geen bezwaar zouden hebben. Nu de moeder, als belanghebbende, bezwaar had tegen de aanwezigheid van de partner van verzoeker, kon de partner op grond van het besloten karakter van de zitting niet tot deze zitting worden toegelaten.


Tot slot heeft de rechter ten aanzien van het gestelde vooruitlopen op de beslissing tot een mogelijke verlenging van de machtiging uithuisplaatsing naar voren gebracht dat het haar, gelet op de telkens terugkerende problemen, in het belang van de kinderen wenselijk en noodzakelijk leek om een contactregeling voor een langere termijn vast te leggen. Hiermee is geenszins een oordeel gegeven over de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. De contactregeling zal immers vervallen op het moment dat de machtiging uithuisplaatsing niet wordt verlengd.


3.7.

Uit het voorgaande volgt dat de rechter heeft toegelicht waarom zij ieder van de door verzoeker genoemde procesbeslissingen heeft genomen. Van een situatie dat de beslissingen dermate onbegrijpelijk zijn dat deze niet anders kunnen worden verklaard dan vanuit een gebrek aan onpartijdigheid is, mede gelet op deze toelichting, geen sprake. De feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, leveren dan ook geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen derhalve geen grond voor wraking, ook niet wanneer deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang worden beschouwd.


3.8.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.



4De beslissing


De wrakingskamer:


4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;


4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Straf-, Familie- en Jeugdrecht en de president van deze rechtbank;


4.3.

bepaalt dat de zaak van verzoeker met het kenmerk C/16/447365 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.



Deze beslissing is gegeven door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mr. K.J. Veenstra en

mr. I.P.H.M. Severeijns als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. N. Kruijswijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2017.



de griffier de voorzitter











Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.