Rechtbank Midden-Nederland, 13-12-2017 / UTR 17 / 371


ECLI:NL:RBMNE:2017:6197

Inhoudsindicatie
Planschadeverzoek Wijk bij Duurstede Op 2 juni 2001 is het bestemmingsplan ‘[bestemmingsplan 1]’ onherroepelijk geworden. Op 31 mei 2012 is het bestemmingsplan ‘[bestemmingsplan 2]’ onherroepelijk geworden. N.a.v. het planschadeverzoek van eisers zijn twee planologische vergelijkingen gemaakt: tussen de bestemmingsplannen ‘[bestemmingsplan 3]’ en ‘[bestemmingsplan 1’] en tussen ‘[bestemmingsplan 1]’ en ‘[bestemmingsplan 2’]. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat slechts sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende indirecte planschade als gevolg van het bestemmingsplan ‘[bestemmingsplan 1]’ van € 3.600,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Van voor vergoeding in aanmerking komende directe of indirecte planschade als gevolg van het bestemmingsplan ‘[bestemmingsplan 2]’ is niet gebleken. De onderzoeken van [naam adviesbureau] zijn niet onzorgvuldig gebleken. Per saldo is niet gebleken van een planologisch nadeligere situatie vanwege verminderde uitzichtmogelijkheden en inval van zon- en daglicht door het plan ‘[bestemmingsplan 2]’. Voor zowel de appartementsgebouwen als de twee onder een kapwoningen geldt dat de afstand tot eisers perceel/woning is vergroot. Schade wegens gebruiksintensivering van het plangebied en verminderde privacy van eisers valt (ruim) binnen het normaal maatschappelijk risico. Daarbij is terecht een normaal maatschappelijk risico forfait van 5% gehanteerd; er is sprake van een inbreidingslocatie en bovendien is er al gestapelde woningbouw in de nabije omgeving van eisers perceel voorzien en aanwezig.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-12-13
Publicatiedatum
2017-12-19
Zaaknummer
UTR 17 / 371
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: 17 / 371


uitspraak van de meervoudige kamer van 13 december 2017 in de zaak tussen
[eiser] en [eiseres] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. D. Heuker of Hoek),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijk bij Duurstede, verweerder,

(gemachtigden: mr. A.E.G. Sanders en [gemachtigde] )



Procesverloop


Bij besluit van 21 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om een tegemoetkoming in planschade voor het perceel aan de [adres] in [woonplaats] , gedeeltelijk toegewezen.


Bij besluit van 14 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.


Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2017. Eisers zijn verschenen bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.



Overwegingen


1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eisers zijn sinds 28 maart 1996 eigenaar van de woning en alle toebehoren op het perceel [adres] in [woonplaats] (het perceel), dat kadastraal geregistreerd is als perceel [perceelaanduiding] nummer [nummeraanduiding] .


1.2

Op 12 december 2015 hebben eisers bij verweerder een planschadeverzoek ingediend als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 2] ’. Dit bestemmingsplan voorziet in een juridisch-planologisch kader voor herontwikkeling van het voormalige [naam] -terrein aan [straatnaam] in Wijk bij Duurstede, waardoor een uitbreiding van de woonbebouwing op dit terrein mogelijk wordt gemaakt. Het perceel van eisers ligt aan de oostzijde van het plangebied. Aan de achterzijde van het perceel hebben zij direct uitzicht op het terrein.


1.3

Naar aanleiding van het planschadeverzoek heeft verweerder [naam adviesbureau] ingeschakeld om daarover advies uit te brengen. [naam adviesbureau] heeft op 19 juli 2016 een conceptadvies uitgebracht, waarop eisers op 27 juni 2016 hun zienswijze hebben ingediend. Daarbij is naar voren gekomen dat eisers geen weet hadden van het op 2 juni 2011 onherroepelijk geworden bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 1] ’, dat gold vóór het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 2] ’. Het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 1] ’ hield een verruiming in van de bestemmingsregeling voor de gronden van het voormalige [naam] -terrein. Omdat een verzoek om planschadevergoeding binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van een bestemmingsplan kan worden ingediend, hebben partijen afgesproken dat het planschadeverzoek ook zal worden opgevat als planschadeverzoek als gevolg van het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 1] ’. Er zijn dan ook twee planologische vergelijkingen gemaakt, namelijk tussen de bestemmingsplannen ‘ [bestemmingsplan 3] ’ en ‘ [bestemmingsplan 1] ’ en tussen ‘ [bestemmingsplan 1] ’ en ‘ [bestemmingsplan 2] ’.


1.4

Op 19 juli 2016 heeft [naam adviesbureau] een definitief advies uitgebracht met de conclusie dat eisers in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in planschade vanwege het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 1] ’, omdat dit plan een uitbreiding van de woonbebouwing mogelijk maakt op het terrein. Volgens [naam adviesbureau] heeft de uitbreidingsmogelijkheid een waarde verminderend effect van € 8.500,00 op de woning van eisers. Met aftrek van een normaal maatschappelijk risico forfait van 2% van de vrije verkoopwaarde van eisers woning, te weten € 4.900,00, dienen eisers volgens [naam adviesbureau] daarom in aanmerking te worden gebracht voor een tegemoetkoming van € 3.600,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Voor een tegemoetkoming in planschade vanwege het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 2] ’ bestaat volgens [naam adviesbureau] geen aanleiding. Verweerder heeft dit advies overgenomen. Dit heeft geleid tot de hiervoor onder ‘Procesverloop’ beschreven besluitvorming.


2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de toekenning van een tegemoetkoming in de planschade aan eisers van € 3.600,00, vermeerderd met de wettelijke rente, gehandhaafd. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op het advies van 7 november 2016 van de Commissie van advies voor de Bezwaarschriften van de gemeente Wijk bij Duurstede (bezwaarcommissie).


3. Niet in geschil is, en de rechtbank stelt ook vast, dat de planologische wijzigingen niet voorzienbaar waren voor eisers toen zij hun perceel in eigendom kregen.


4. De peildatum voor de planvergelijking tussen de bestemmingsplannen ‘ [bestemmingsplan 3] ’ en ‘ [bestemmingsplan 1] ’ is 2 juni 2011. De peildatum voor de planvergelijking tussen de bestemmingsplannen ‘ [bestemmingsplan 1] ’ en ‘ [bestemmingsplan 2] ’ is 31 mei 2012. Op deze datums zijn de nieuwe plannen onherroepelijk geworden.


5. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kent het bestuursorgaan degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een bepaling van een bestemmingsplan, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.


6. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. De rechtbank verwijst hiervoor naar vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), bijvoorbeeld de uitspraak van 29 februari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV7254).


7. Eisers voeren aan dat het onderzoek van [naam adviesbureau] onzorgvuldig is geweest en dat er onjuistheden in de adviezen van [naam adviesbureau] staan. Verweerder had zich daarom niet op het definitieve advies mogen baseren.


7.1

De rechtbank stelt voorop dat het bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade af mag gaan op een advies dat door een (door het bestuursorgaan benoemde) onafhankelijke en onpartijdige deskundige is gegeven. In dat advies dient dan wel op objectieve wijze verslag te zijn gedaan van het verrichte onderzoek. Ook dient in het advies op inzichtelijke wijze te zijn aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies van het advies ten grondslag zijn gelegd. Deze conclusies mogen niet onbegrijpelijk zijn. Het bestuursorgaan mag zich in beginsel niet op het advies baseren als er concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies naar voren zijn gebracht. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de ABRvS van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2398.


7.2

De rechtbank stelt vast dat alle aspecten die bij de beoordeling van een planschadeverzoek aan de orde moeten komen, door [naam adviesbureau] zijn beoordeeld en duidelijk zijn weergegeven in het definitieve advies. In wat eisers naar voren hebben gebracht ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. De beroepsgrond slaagt niet.


8. Eisers voeren aan dat door [naam adviesbureau] ten onrechte geen onderzoek is verricht naar eventuele directe planschade. Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers toegelicht dat deze beroepsgrond ziet op de planvergelijking tussen de bestemmingsplannen ‘ [bestemmingsplan 3] ’ en ‘ [bestemmingsplan 1] ’ en dat deze bestemmingsplannen beide zien op het perceel van eisers.


8.1

De rechtbank overweegt dat van directe planschade slechts sprake kan zijn als bouw- en/of gebruiksmogelijkheden op het eigen perceel door het nieuwe planologische regime dusdanig worden beperkt of gewijzigd, dat dit een nadelig effect heeft op de vrije verkoopwaarde daarvan. De rechtbank stelt vast dat onder het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 3] ’ op het perceel de bestemming ‘ [bestemmingsplan 1] III’ rustte en dat dit met het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 1] ’ is gewijzigd naar ‘Wonen (W)’. Uit het definitieve advies van [naam adviesbureau] volgt dat de in het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 1] ’ vervatte bestemmingsregeling voor het perceel (meest) conserverend van aard is, zodat volgens [naam adviesbureau] van een direct nadeel of voordeel zeker geen sprake is. Ook verweerder heeft ter zitting toegelicht dat dit bestemmingsplan een conserverend plan is waarin slechts de bestaande situatie nader is geregeld. Het bestemmingsplan maakt het bijvoorbeeld mogelijk om op het perceel een erker bij de woning aan te bouwen, zodat er eerder sprake is van planologisch voordeel dan nadeel. De rechtbank kan het advies van [naam adviesbureau] en verweerders toelichting daarop volgen. Eisers hebben hun standpunt dat sprake is van directe planschade op geen enkele manier nader onderbouwd of gepreciseerd. De enkele stelling dat [naam adviesbureau] onvoldoende onderzoek heeft verricht, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de conclusies van [naam adviesbureau] . De beroepsgrond slaagt niet.


9. Eisers voeren verder aan dat door [naam adviesbureau] onvoldoende is gemotiveerd waarom de onder het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 2] ’ mogelijke hogere bebouwing op grotere afstand van eisers perceel, ten opzichte van de onder het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 1] ’ mogelijke lagere bebouwing op kortere afstand van eisers perceel, niet leidt tot planologisch nadeel voor eisers ten aanzien van uitzicht en inval van zon- en daglicht.


9.1

Uit het definitieve advies van [naam adviesbureau] volgt dat eisers als gevolg van het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 2] ’, enig nadeel ondervinden vanwege gebruiksintensivering van het plangebied en verminderde privacy. Dit valt echter (ruim) binnen het normaal maatschappelijk risico. Per saldo is er geen planologisch nadeel voor eisers vanwege verminderde uitzichtmogelijkheden en inval van zon- en daglicht. Onder het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 1] ’ was de maximale bouwhoogte namelijk al 9 meter. Deze maximale bouwhoogte gold echter tot op een kortere afstand van het perceel van eisers. Onder het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 2] ’ is de maximale bouwhoogte voor wat betreft de mogelijke twee-onder-een-kapwoningen verlaagd naar 8,5 meter en is bovendien de afstand tot eisers perceel vergroot naar 13 meter, en tot eisers woning naar 22 meter. Hierin is dus geen planologisch nadeel gelegen. De maximale bouwhoogte voor wat betreft de appartementsgebouwen is met het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 2] ’ verhoogd naar 15 meter. Daarentegen is ook de afstand tot eisers perceel vergroot naar 10 meter, en tot eisers woning naar 17,5 meter. Nu voor beide soorten bouwwerken de afstand tot eisers perceel/woning is vergroot, is er volgens [naam adviesbureau] per saldo geen sprake van een planologisch nadeligere situatie vanwege verminderde uitzichtmogelijkheden en inval van zon- en daglicht.


9.2

De rechtbank kan de redeneringen en conclusies van [naam adviesbureau] volgen. Bovendien hebben eisers hun standpunt geenszins gepreciseerd of nader onderbouwd met (bijvoorbeeld) een tegenadvies van een andere deskundige. De beroepsgrond slaagt niet.


10. Eisers voeren tot slot aan dat [naam adviesbureau] zich, wat betreft het hanteren van een normaal maatschappelijk risico, bij de beoordeling van het planschadeverzoek vanwege het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 2] ’ ten onrechte baseert op rechtspraak van de ABRvS waarin een drempel van 5% is gehanteerd. Daarin gaat het namelijk niet om gestapelde woningbouw. Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers gewezen op een uitspraak van de ABRvS van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1653, waarin is geoordeeld dat de toepassing van een normaal maatschappelijk risico van 5% enkel gerechtvaardigd is als gestapelde woningbouw zich al voordeed in de directe omgeving. Omdat in de buurt van eisers perceel geen gestapelde woningbouw aanwezig is geweest, is het forfait van 5% ten onrechte toegepast.


10.1

De rechtbank is van oordeel dat [naam adviesbureau] , gelet op de uitspraak van de ABRvS van 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2071, op goede gronden een normaal maatschappelijk risico van 5% heeft gehanteerd. Er is sprake van een inbreidingslocatie. Bovendien heeft verweerder ter zitting toegelicht dat er wel degelijk gestapelde woningbouw in de nabije omgeving van eisers perceel voorzien en aanwezig is geweest. Verweerder heeft daarbij gewezen op een appartementencomplex van twee bouwlagen dat, blijkens een foto van de achterzijde van onder meer het perceel van eisers, in het definitieve advies van [naam adviesbureau] , nabij het perceel van eisers staat. De verwijzing van eisers naar de uitspraak van de ABRvS van 21 juni 2017 treft dan ook geen doel. De beroepsgrond slaagt niet.


11. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat slechts sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende planschade als gevolg van het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 1] ’. Dit betekent dat verweerder in het bestreden besluit de toekenning van een tegemoetkoming in de planschade aan eisers van € 3.600,00, vermeerderd met de wettelijke rente, terecht heeft gehandhaafd.


12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzitter, en mr. M.E.A. Braeken en mr. M. Eversteijn-Delcliseur, leden, in aanwezigheid van mr. N.K. de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2017.






griffier rechter


Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.