Rechtbank Midden-Nederland, 15-12-2017 / 07/660313-12


ECLI:NL:RBMNE:2017:6248

Inhoudsindicatie
Veroordeling voor het (gewoonte)witwassen van meerdere contante geldbedragen. Berekening met kasopstelling.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-12-15
Publicatiedatum
2017-12-28
Zaaknummer
07/660313-12
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad


Parketnummer: 07/660313-12 (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van 15 december 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte]

geboren op [1994] te [geboorteplaats]

wonende te [adres] , [woonplaats]

1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 december 2017. Het onderzoek op de terechtzitting heeft achter gesloten deuren plaatsgevonden.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J. Zeilstra en van hetgeen verdachte en diens raadsman mr. F.N. Dijkers, advocaat te Amsterdam , naar voren hebben gebracht.

2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks 1 januari 2010 tot en met 8 oktober 2012 in Almere , van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij meerdere geldbedragen, diverse kledingstukken, zonnebrillen en diverse sieraden verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet, althans daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat deze onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

3VOORVRAGEN


De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.


4WAARDERING VAN HET BEWIJS


4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De contante transacties van verdachte staan niet in verhouding tot zijn contante inkomsten. De verklaringen die verdachte hiervoor heeft gegeven vinden geen steun in het dossier en zijn ook niet aannemelijk geworden. De moeder van verdachte beschikte over een minimaal inkomen. Het is niet aannemelijk dat zij per kwartaal € 400,- van de kinderbijslag contant aan verdachte gaf. Evenmin is aannemelijk dat verdachte bij aanvang van de tenlastegelegde periode een groot contant geldbedrag voorhanden heeft gehad. De moeder van verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij na het overlijden van haar man, de vader van verdachte, een deel van zijn (spaar)geld naar verdachte heeft overgemaakt. Dat verdachte het geld zelf in delen op zijn bankrekening heeft gestort is daarom niet aannemelijk.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft allereerst betoogd dat de forse termijnoverschrijding verdachte grotendeels heeft beroofd van de mogelijkheid om zo volledig mogelijk op het tenlastegelegde feit te reageren. Dit betekent dat verdachte redelijkerwijs niet kan worden tegengeworpen dat hij over bepaalde bevindingen geen exacte verklaring meer kan geven. Ten aanzien van het tenlastegelegde is door de raadsman bepleit verdachte vrij te spreken. Hij heeft daartoe aangevoerd, kort en zakelijk weergegeven, dat sprake is van een min of meer verifieerbare verklaring die verdachte heeft gegeven voor de herkomst van de uit het onderzoek vastgestelde geldbedragen en/of goederen waarover hij in de tenlastegelegde periode de beschikking heeft gehad. Deze verklaring is reeds in een vroeg stadium van het onderzoek afgelegd, consequent herhaald en wordt op veel essentiële onderdelen bevestigd door de moeder van verdachte. Het is aannemelijk dat verdachte in de ten laste gelegde periode, alsmede in de periode hieraan voorafgaand, over wezenlijke legale inkomsten heeft kunnen beschikken. Zo ontving hij ieder kwartaal van zijn moeder contant € 400,- van de kinderbijslag, won hij wel eens geld met gokken en is er geen rekening gehouden met verjaardagsgiften. Ook heeft verdachte na het overlijden van zijn vader een bedrag van ongeveer € 5.000,- contant ontvangen en dat vervolgens in delen op zijn bankrekening gestort. Daarom kan niet met voldoende zekerheid worden gesteld dat verdachte meer zou hebben uitgegeven dan hij uit legale bron heeft ontvangen. Niet is gebleken dat de in de woning aangetroffen en aan hem tenlastegelegde goederen door verdachte zelf (nieuw) zijn aangeschaft, dat hij dit met contant geld heeft gedaan en/of dat dit geld op enigerlei wijze uit misdrijf afkomstig was, dan wel dat dit in de ten laste gelegde periode is geweest. Tot slot is door verdachte nog aangevoerd dat hij regelmatig een groot geldbedrag heeft gepind en vervolgens, met aftrek van de kosten van bijvoorbeeld een uitgaansavond, weer heeft terug gestort.



4.3

Het oordeel van de rechtbank


Juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het in de tenlastelegging genoemde goed afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat vaststaat dat het desbetreffende goed afkomstig is uit enig misdrijf.


Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een in de tenlastelegging genoemd goed en een nauwkeurig aangeduid misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat het desbetreffende goed ‘uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het goed uit enig misdrijf afkomstig is.


Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van het desbetreffende goed.


Kasopstelling

In het licht van de beschuldiging van witwassen is de kasopstelling kern van het dossier. Door verbalisant [verbalisant] is met die kasopstelling onderzoek gedaan naar de contante geldstroom van verdachte in de periode van 1 januari 2010 tot en met 8 oktober 2012. Deze kasopstelling laat een negatief saldo zien van € 14.214,12. De rechtbank zal in het hierna volgende nader ingaan op de onderdelen van de kasopstelling.


Beschikbaar voor uitgaven

Uit bankafschriften blijkt dat in de onderzochte periode in totaal € 9.120,- contant is opgenomen vanaf bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] , waarvan verdachte de rekeninghouder is. Tevens is bij de doorzoeking van de woning van verdachte, gelegen aan de [adres] te [woonplaats], € 125,- aan contant geld aangetroffen. In dit onderdeel van de kasopstelling is rekening gehouden met de helft van dit bedrag, te weten een bedrag van € 62,50. De kasopstelling gaat er – gelet op het voorgaande – van uit dat uit een legale bron een contant geldbedrag van € 9.057,50 beschikbaar voor uitgaven was.


Verdachte heeft aangevoerd dat hij bij aanvang van de tenlastegelegde periode meer contant geld beschikbaar had dan waarvan de kasopstelling uitgaat. Hij had geld uit de erfenis van zijn vader en had geld gespaard. Uit het dossier volgt dat het geld van de erfenis van vader op de rekening van verdachte gestort is, zodat dit geen contant geld kan zijn dat verdachte aan het begin van de tenlastegelegde periode voorhanden had. De enkele mededeling dat hij gespaard had is onvoldoende om aan te nemen dat verdachte aan het begin van de tenlastegelegde periode meer contant geld had dan in de kasopstelling is opgenomen. De rechtbank komt tot de conclusie dat de verdediging niet aannemelijk heeft gemaakt dat verdachte over een hoger startkapitaal beschikte bij aanvang van de tenlastegelegde periode dan waarvan de kasopstelling uitgaat.


Contante uitgaven


Stortingen op rekening [rekeningnummer]

Uit bankafschriften blijkt dat in de onderzochte periode in totaal € 16.712,14 op bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] is gestort.


Cumulatieve contante uitgaven kleding en schoenen

In de kasopstelling wordt gerelateerd dat door verdachte in de onderzochte periode

€ 5.176,50 contant is uitgegeven aan de aankoop van kleding en schoenen. Bij de doorzoeking van de slaapkamer van verdachte is een hoeveelheid kleding en schoenen aangetroffen. De aanschafwaarde hiervan is vastgesteld op basis van de nieuwprijs. In het proces-verbaal wordt aangenomen dat verdachte deze goederen contant heeft gekocht, nu de aanschafwaarde niet overeenkomt met de betalingen die per bank verliepen.


De rechtbank is van oordeel dat dit onderdeel van de kasopstelling mager is onderbouwd. Dit geldt zowel ten aanzien van de toerekening van de kleding aan verdachte als de waardebepaling van de kleding. Dit onderdeel van de kasopstelling (te weten € 5.176,50) zal de rechtbank dan ook buiten beschouwing laten.


Overige contante uitgaven

In de kasopstelling wordt gerelateerd dat verdachte in de onderzochte periode € 1.409,98 contant heeft uitgegeven aan de aankoop van horloges en sieraden. Bij een doorzoeking van de woning van verdachte zijn onder meer horloges en sieraden aangetroffen.


Van een aantal van deze goederen (met goednummers: 912649, 912651, 912652, 897078 en 912344) is als uitgangspunt genomen dat verdachte deze goederen binnen de onderzoeksperiode nieuw heeft aanschaft. Van deze goederen heeft verdachte verklaard dat deze zijn eigendom zijn, met uitzondering van het horloge met goednummer 897078. Met dat horloge is verdachte in zijn verhoor bij de politie niet geconfronteerd. Deze is echter op de slaapkamer van verdachte aangetroffen en verdachte heeft niet ontkend dat deze zijn eigendom is.


Voor zover de aanschafwaarde van deze goederen niet overeenkomt met de betalingen die aantoonbaar per bank verliepen, gaat de kasopstelling uit van de contante aankoop van deze goederen voor een bedrag van € 1.190,-. Van een aantal van deze goederen (met goednummers: 912446, 912653 en 912404) is aangenomen dat verdachte deze tweedehands heeft aangeschaft, overeenkomstig zijn eigen verklaring. De kasopstelling gaat uit van de contante aankoop van deze goederen voor een bedrag van € 220,-, de helft van de nieuwprijs van deze goederen, omdat kennelijke girale betalingen van aankoop niet werden aangetroffen. Op basis van het voorgaande kan worden aangenomen dat verdachte in de onderzochte periode een bedrag van € 1.410,- heeft gebruikt voor de contante aanschaf van horloges en sieraden.


Vermoeden van witwassen

Ondanks het buiten beschouwing laten van het onderdeel ’cumulatieve contante uitgaven kleding en schoenen’ van de kasopstelling, zoals hiervoor omschreven, blijft de omvang van de contante uitgaven die van de legale contante ontvangsten overtreffen. Gelet hierop en op (onder meer) de omstandigheden dat de transacties van verdachte niet in verhouding staan tot zijn inkomsten, verdachte boven zijn stand leefde en met het voorhanden hebben van grote contante bedragen ongebruikelijke risico’s accepteerde, is de rechtbank van oordeel dat meerdere typologieën van witwassen op de onderhavige zaak van toepassing zijn, op basis waarvan een vermoeden van witwassen jegens de verdachte is gerechtvaardigd.


Verklaring van verdachte

De verdediging heeft, zoals hierboven weergegeven, een en ander aangevoerd om dat verschil te verklaren. De rechtbank overweegt daarover, voor zover nog van belang, het volgende.


Sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Dit ontslaat verdachte echter niet van de verplichting om ter verklaring van dat verschil een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over de herkomst van het geld, te minder nu hem reeds in 2012 duidelijk was dat hij ter zake van witwassen vervolgd werd.


Niet is aannemelijk gemaakt dat verdachte wel eens geld won met gokken en dat verjaardagsgiften de herkomst van het contante geld verklaren. Er is door verdachte geen verklaring afgelegd die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk is aan te merken. Deze beweringen worden op geen enkele wijze onderbouwd en vinden geen steun in het dossier. Dat de moeder van verdachte van horen zeggen heeft dat verdachte gokte, is onvoldoende om de verklaring van verdachte op dit punt te ondersteunen. Hoewel de verklaring van verdachte dat hij van zijn moeder per kwartaal contant € 400,- van de kinderbijslag ontving overeenkomt met de verklaring van de moeder van verdachte, heeft zijn moeder niet verklaard dat verdachte dit bedrag contant ontvangt. De stelling van verdachte dat dit contant gebeurde vindt ook geen steun in het dossier, nu uit de bankafschriften van de moeder van verdachte blijkt dat zij maandelijks een bedrag van € 50,- en een bedrag van € 80,- heeft overgemaakt naar verdachte. Dit komt neer op een bedrag van € 390,- per kwartaal. Het is de rechtbank niet gebleken dat verdachte hiernaast nog een contant bedrag van € 400,- van zijn moeder ontving. Gezien de financiële positie van de moeder van verdachte, zoals die uit het dossier blijkt en waarover zij zelf heeft verklaard, acht de rechtbank dit ook niet aannemelijk. Tot slot is door verdachte aangevoerd dat hij regelmatig een groot geldbedrag pinde en dat vervolgens, na aftrek van de kosten van bijvoorbeeld een uitgaansavond, weer terugstortte. De rechtbank wijst er op dat in de kasopstelling rekening is gehouden met onder meer alle contante opnames en de stortingen in de tenlastegelegde periode. Dit is dan ook geen aannemelijke verklaring die de herkomst van het contante geldbedrag verklaart.


Bewijs van witwassen

Op basis van het onderhavige dossier is geen rechtstreeks verband te leggen tussen het contante geld en een nauwkeurig aangeduid misdrijf. In een dergelijk geval kan niettemin bewezen worden geacht dat een goed ‘uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde goed uit enig misdrijf afkomstig is.


Uit het voorgaande blijkt dat de herkomst van het contante geld niet geheel kan worden verklaard met legale contante inkomsten. Ook het inkomen van de moeder van verdachte, met wie verdachte in de onderzochte periode een economische eenheid vormde, is hiertoe niet toereikend. Immers bestond haar inkomen naar eigen zeggen uit alleen een uitkering van ongeveer € 1.200,- netto per maand (wat wordt bevestigd door de door de Belastingdienst en de Sociale Dienst van de gemeente Almere verstrekte informatie), is er continu sprake van een negatief saldo en spaart zij niet.


De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het vermoeden van witwassen en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het contante geldbedrag die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk is aan te merken.

Dit kan verdachte niet. Ook op een andere wijze is een legale herkomst van deze uitgaven niet aannemelijk gemaakt.


Naar het oordeel van de rechtbank is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het niet anders kan zijn dan dat de in de kasopstelling opgenomen contante uitgaven (met uitzondering van de uitgaven voor kleding en schoenen) onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit ook wist. Verdachte heeft deze contante geldbedragen voorhanden gehad en daarvan gebruik gemaakt, zoals uit voorgaande bewijsmiddelen blijkt. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van meerdere contante geldbedragen met een totale waarde van € 9.064,64. (= € 18.122,14 aan contante uitgaven - € 9.057,50 aan contante inkomsten).


Hetgeen de rechtbank hiervoor overwogen heeft met betrekking tot het buiten beschouwing laten van de onderdelen ’cumulatieve contante uitgaven kleding en schoenen’ leidt er toe dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het witwassen van de in de tenlastelegging genoemde kledingstukken. Nu het bewezenverklaarde witwassen ziet op het doen van bestedingen met uit misdrijf afkomstig geld zal de rechtbank eveneens vrijspreken van de in de tenlastelegging genoemde zonnebrillen en sieraden.


Gewoonte

Uit de hierboven genoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte gedurende een ruime periode meerdere geldbedragen heeft witgewassen. Gelet op de frequentie en de ruime periode acht de rechtbank tevens het gewoontewitwassen wettig en overtuigend bewezen.

5BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:


hij op meerdere tijdstippen in de periode van 01 januari 2010 tot en met 8 oktober 2012, te Almere , van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft hij, verdachte

- (meerdere) geld(bedragen) (met een totale waarde van € 9.064,64 euro)

overgedragen of omgezet

terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;


Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:


Een gewoonte maken van witwassen

7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8OPLEGGING VAN STRAF


8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd ter zake van het door hem bewezen geachte verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 46 dagen, gelijk aan de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en de jeugdige leeftijd van verdachte.


8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf, onder toepassing van het jeugdstrafrecht.


8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van meerdere geldbedragen. Verdachte heeft hiervan een gewoonte gemaakt. Door zijn handelen heeft verdachte de integriteit van het financiële en economische verkeer geschaad.


Verdachte is op een tijdstip gelegen in de tenlastegelegde periode 18 jaar geworden. De rechtbank ziet in de persoonlijkheid van verdachte – hij is inmiddels 23 jaar oud en bouwt een eigen bestaan op – aanleiding om het strafrecht voor meerderjarigen toe te passen.


Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enkele maanden, die in vergelijkbare zaken wordt opgelegd, als uitgangspunt genomen. In strafmatigende zin heeft de rechtbank echter rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het begaan van het bewezen verklaarde en de omstandigheid dat hij blijkens het uittreksel van zijn justitiële documentatie van 19 oktober 2017 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke zaken. Ook blijkt uit dit uittreksel dat verdachte op 28 juli 2014 door de politierechter is veroordeeld tot een (deels voorwaardelijke) taakstraf, hetgeen de rechtbank op voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht zal meewegen.


Verder heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het voornemen had tegen hem een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 8 oktober 2012, de dag waarop verdachte werd aangehouden. Gebleken is dat de termijn tussen de dag van aanhouding en de inhoudelijke behandeling op 1 december 2017 een lange termijn betreft. Dit tijdsverloop is niet aan verdachte te wijten.


Aangezien de rechtbank minder bewezen verklaart dan waarvan de officier van justitie bij zijn eis is uitgegaan, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist. Reeds gezien de ernst van het feit is schuldig verklaring zonder oplegging van straf, zoals door de raadsman is betoogd, niet aan de orde.


Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.


9BESLAG


9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat op de geldbedragen geen beslag in de zin van artikel 94 van het Wetboek van Strafrecht is gelegd en heeft gevorderd de overige onder verdachte in beslag genomen goederen verbeurd te verklaren.


9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft teruggave van de onder verdachte in beslag genomen goederen bepleit.


9.3

Het oordeel van de rechtbank

Gezien het onderhavige dossier en de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen is naar het oordeel van de rechtbank sprake van conservatoir beslag in de zin van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering op de ING-bankrekening met nummer [rekeningnummer] en de SNS-bankrekening met nummer [rekeningnummer] . De rechtbank overweegt dat zij over dit beslag niet hoeft te beslissen, nu zij op grond van artikel 353, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering slechts verplicht is te beslissen over beslag dat is gebaseerd op artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering.


De rechtbank zal de in beslag genomen goederen, te weten:

- een Buddha to Buddha-ring, goednummer 912344;

- een Buddha to Buddha-ring, goednummer 912647;


verbeurd verklaren, nu verdachte van deze goederen heeft verklaard dat deze zijn eigendom zijn en deze goederen naar het oordeel van de rechtbank geheel of grotendeels door middel van of uit baten van het strafbare feit zijn verkregen.


De rechtbank zal teruggave gelasten van de in beslag genomen goederen, te weten:

- Seiko-horloge, goednummer 912393;

- Cartier-horloge, goednummer 912340;

- loep met opschrift Jaeger-le coulte (twee stuks), goednummer 912282;

- horloge, goednummer 912401;

- Dolce en Gabbana-horloge, goednummer 912336;

- Jaeger-le Coultre-sieraad (vier stuks), goednummer 912291;

- Citizin-horloge, goednummer 912334;

- ring, goednummer 912286;

- oorsieraad, goednummer 912493;


aan degene(n) die redelijkerwijs als rechthebbende(n) van deze voorwerpen kan/kunnen worden aangemerkt. Nu niet is gebleken dat deze aan verdachte toebehoren, komen zij niet voor verbeurdverklaring in aanmerking.

10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen 27, 33, 33a, 63, 77b, 420ter en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11BESLISSING


De rechtbank:


Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;


Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging in mindering zal worden gebracht;


- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis;


Beslag

- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:

  • - een Buddha to Buddha-ring, goednummer 912344;
  • - een Buddha to Buddha-ring, goednummer 912647;

- gelast de teruggave aan de rechthebbende(n) van de volgende voorwerpen:

  • - Seiko-horloge, goednummer 912393;
  • - Cartier-horloge, goednummer 912340;
  • - loep met opschrift Jaeger-le coulte (twee stuks), goednummer 912282;
  • - horloge, goednummer 912401;
  • - Dolce en Gabbana-horloge, goednummer 912336;
  • - Jaeger-le Coultre-sieraad (vier stuks), goednummer 912291;
  • - Citizin-horloge, goednummer 912334;
  • - ring, goednummer 912286;
  • - oorsieraad, goednummer 912493.


Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter en tevens kinderrechter, mrs. P.K. Oosterling-van der Maarel en J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 december 2017.


mr. J. Wiersma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.



Bijlage: de tenlastelegging


Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:


hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2010 tot en met 8 oktober 2012, te Almere , althans in Nederland,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft hij, verdachte, één of meerdere voorwerp(en), te weten

- (meerdere) geld(bedragen) (met een totale waarde van 14.241.12 euro) en/of

- diverse kledingstukken (waaronder jassen en/of petten en/of t-shirts en/of

truien en/of schoenen en/of sjaals en/of mutsen van onder andere de merken:

Gucci en/of Armani en/of Moncler en/of Iceberg en/of Prada en/of Burberry

en/of Fendi en/of Hugo Boss en/of Ralph Lauren) en/of

- zonnebrillen (van de merken Prada en/of Emporio Armani) en/of

- diverse sieraden (waaronder ringen en/of kettingen en/of armbanden en/of

horloges),

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van dit/deze

goederen en/of (telkens) van dit/deze geld(bedrag)(en), gebruik gemaakt,

terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;


1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 2 april 2013, genummerd 2013021811156870, opgemaakt door de Financiële Recherche Dienst van de politie Midden-Nederland, bestaande uit een ordner met daarop de vermelding ‘zaaksrelaas en bijlagen 1-8’ en een ordner met daarop de vermelding ‘bijlagen 9-31’. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2 Pagina 44.
3 Pagina 37.
4 Pagina 44.
5 Pagina 661.
6 Pagina 41, 42 en 44.
7 Verklaring ter terechtzitting van 1 december 2017.
8 Pagina 665 en 666.
9 Pagina 44.
10 Pagina 33 tot en met 36.
11 Respectievelijk pagina 373 en 427, pagina 373 en 427, pagina 373 en 428 en pagina 373 en 389.
12 Pagina 341 en 344
13 Pagina 34 en 35.
14 Pagina 34 tot en met 36.