Rechtbank Midden-Nederland, 15-12-2017 / 07/660313-12 (ontneming)


ECLI:NL:RBMNE:2017:6249

Inhoudsindicatie
Constatering overschrijding van de redelijke termijn, nu hiermee bij de strafoplegging reeds rekening is gehouden.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-12-15
Publicatiedatum
2017-12-28
Zaaknummer
07/660313-12 (ontneming)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 07/660313-12 (ontneming)

Beslissing op de vordering ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht


van 7 november 2017 van de officier van justitie in de zaak tegen:


[veroordeelde] ,

geboren op [1994] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] .


Het onderzoek ter terechtzitting heeft achter gesloten deuren plaatsgevonden op 1 december 2017. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J. Zeilstra en van hetgeen veroordeelde en diens raadsman mr. F.N. Dijkers, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken van het voorbereidend onderzoek, te weten:

- het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 15 december 2017 in de onderliggende strafzaak met parketnummer 07/660313-12;

- de stukken behorende tot het dossier in de strafzaak met parketnummer 07/660313-12.


OVERWEGINGEN


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de rechtbank aan veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dit voordeel, welk voordeel door de officier van justitie wordt geschat op € 14.241,12,-. De officier van justitie heeft dit bedrag bepaald op basis van een kasopstelling.


Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn ontneming. Daarbij gaat de raadsman uit van een vrijspraak in de hoofdzaak. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de hoogte van het ontnemingsbedrag aanzienlijk moet worden gematigd gelet op de overschrijding van de redelijke termijn.


De overwegingen van de rechtbank

Veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 15 december 2017 (parketnummer 07/660313-12) ter zake van een gewoonte maken van witwassen veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.


Uit het strafdossier en het voornoemde vonnis is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.


Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent de rechtbank de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 9.064,64. De rechtbank komt als volgt tot deze schatting.


In het vonnis van deze rechtbank is onder meer bewezenverklaard dat veroordeelde in de periode van 1 januari 2010 tot en met 8 oktober 2012 geldbedragen met een totale waarde van € 9.064,64 meer contant heeft uitgegeven dan zijn legale contante inkomsten verklaren.

Een legale herkomst van dit geld heeft veroordeelde, zoals door de rechtbank in het vonnis in de strafzaak is overwogen, niet aannemelijk gemaakt, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit geld van misdrijf afkomstig is. Het moet daarom worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.


Wat betreft de (subsidiair) door de raadsman betoogde vermindering van het ontnemingsbedrag overweegt de rechtbank als volgt. In zijn arrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008: BD2578) heeft de Hoge Raad overwogen dat ‘in bijzondere gevallen de Hoge Raad volstaat met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, bijvoorbeeld indien in de (nagenoeg) gelijktijdig behandelde strafzaak strafvermindering wordt toegepast op grond van overschrijding van de redelijke termijn’.


Gebleken is dat de rechtbank bij de strafoplegging rekening heeft gehouden met overschrijding van de redelijke termijn. Daarom zal de rechtbank ten aanzien van de ontneming volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.


Op grond van het voorgaande zal de rechtbank de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op voornoemd bedrag.


De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.


BESLISSING


De rechtbank:


- stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op

€ 9.064,64 (negenduizendvierenzestig euro en vierenzestig eurocent);


- legt veroordeelde de verplichting op om ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te voldoen een bedrag van € 9.064,64 (negenduizendvierenzestig euro en vierenzestig eurocent);


- wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.



Deze beslissing is gewezen door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter en tevens kinderrechter, mrs. P.K. Oosterling-van der Maarel en J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 december 2017.


mr. J. Wiersma is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.