Rechtbank Midden-Nederland, 14-12-2017 / AWB - 17 _ 2784


ECLI:NL:RBMNE:2017:6334

Inhoudsindicatie
Trefwoorden: Participatiewet, bijstand, afwijzing aanvraag, twijfel woonsituatie Wetsartikelen: artikel 11 Pw, artikel 17 Pw Samenvatting: Aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet. Het college had een goede reden om eraan te twijfelen dat eiseres woonde op het adres dat zij had opgegeven. Omdat nu niet duidelijk was waar zij woonde, kon het college ook niet beoordelen of zij in de maanden waarover deze zaak gaat, recht op bijstand had. Dus mocht het college de aanvraag om bijstand om die reden afwijzen.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-12-14
Publicatiedatum
2018-01-16
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2784
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Amersfoort


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 17/2784


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 december 2017 in de zaak tussen
[A] , te Utrecht (hierna: mevrouw [A] ),

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort (hierna: het college),

(gemachtigde: mr. B. Muminović en J.H. de Vos).



Procesverloop


Bij besluit van 22 november 2016 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van mevrouw [A] om een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.


Bij besluit van 22 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van mevrouw [A] ongegrond verklaard.


Mevrouw [A] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2017. Mevrouw [A] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.



Overwegingen


1. De rechtbank stelt de volgende feiten vast. Mevrouw [A] heeft zich op 8 november 2016 bij de gemeente Amersfoort (hierna: de gemeente) gemeld om bijstand op grond van de Pw aan te vragen. Op 16 november 2016 heeft mevrouw [A] haar aanvraag bij de gemeente ingediend.


2. Op 21 november 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen mevrouw [A] en twee medewerkers van de gemeente. De gemeente had mevrouw [A] voor dit gesprek uitgenodigd omdat het college wilde weten of mevrouw [A] ook echt woonde op het adres dat zij had opgegeven. Van het gesprek is door de medewerkers van de gemeente op 22 november 2016 een rapport opgesteld. In dat rapport wordt mevrouw [A] aangeduid als ‘blh’, wat een afkorting is van ‘belanghebbende’. Waar hierna “het gesprek” staat, wordt het gesprek op 21 november 2016 bedoeld.

3. In het rapport staat onder andere het volgende:“Rapporteur heeft blh gevraagd om de woning te beschrijven en hiervan een tekening te maken op papier. Blh deelde mee, dat zij geen architect is. Rapporteur heeft blh aangegeven, dat het kan volstaan met een schets. Blh deelt mee, dat zij niet kan tekenen. Klantmanager heeft google maps opgestart en de woning aan de [adres] te [woonplaats] getoond. Het betreft een rijtjes woning. Blh is gevraagd om aan te wijzen op de computer om welke woning het gaat. Na enig twijfelen wees blh een woning aan. Klantmanager heeft ingezoomd op de computer en gevraagd welke voordeur blh. Gebruikt als zij de woning binnengaat. Blh. wees huisnummer [huisnummer] aan waarop rapporteur blh. daarmee confronteerde. Blh. zei vervolgens: “dan moet het de andere deur zijn”. Blh deelde mee, dat zij het niet precies weet. Rapporteur merkt nog op dat de voortuinen van de woningen aanmerkelijk verschillend van aard zijn. Huisnummer [huisnummer] heeft een begroeide voortuin terwijl nummer [huisnummer] een pleintje met een perkje in het midden bevat. Rapporteur heeft (zie bijgevoegde tekening) een vierkant blok getekend en gevraagd of blh kan aangeven hoe de woning op de begane grond er bij binnenkomst uitziet. Blh deelde mee, dat zij een glas water wil. Rapporteur heeft aangeboden deze voor haar te halen. Hierop melde blh, dat zij naar het toilet moet. Zij stond op pakte haar telefoon, liet haar tas op de tafel staan en haar jas aan de stoel hangen en verliet de spreekkamer. Klantmanager en rapporteur achter latend. Na ongeveer 5 minuten hebben klantmanager en rapporteur de spreekkamer verlaten. En zijn naar de hal gegaan. Blh verliet net het toilet in de hal richting de spreekkamer. Rapporteur en klantmanager hebben vervolgens ook weer plaatsgenomen in de spreekkamer en hebben het gesprek voortgezet.


Blh geeft aan, dat de keuken aan de achterkant van de woning is en de woonkamer aan de voorkant. Vervolgens deelt zij mee, dat zij niet weet wat de voorkant en wat de achterkant is. Rapporteur geeft aan, dat wij ervan uitgaan, dat de voordeur aan de voorkant van de woning is. Daarop deelt blh mee, dat de keuken dan aan de voorkant is en de woonkamer aan de achterkant. Op de vraag hoeveel slaapkamers de woning heeft, deelt blh mee, dat de woning 3 slaapkamer heeft. Op de vraag hoe de verdeling is, kan blh dat niet precies zeggen. Zij denkt, dat de grote slaapkamer (weet het niet zeker, omdat zij daar niet is geweest) aan de voorzijde ligt en aan de achterzijde er 2 slaapkamers zijn. De slaapkamer rechts is haar slaapkamer (dit heeft zij aangewezen op de tekening). Op de vraag waar de badkamer is, deelde blh mee, dat zij bh maat 80 heeft en elke maand op de 7de van de maand ongesteld wordt en naar de badkamer gaat om te poepen. Rapporteur heeft blh hierop aangesproken en aangegeven, dat hier niet naar gevraagd wordt. Blh deelde mee, dat zij wel mee wil gaan om de kamer te laten zien. Rapporteur heeft verzocht om eerst een omschrijving te geven van de kamer.


Vervolgens heeft rapporteur een vierkant getekend (slaapkamer) en aan blh gevraagd om een omschrijving van haar slaapkamer te geven. Blh deelt mee, dat er een bed staat. Op de vraag of het een een of tweepersoonsbed is, deelde blh mee, dat het een eenpersoons bed is. Hierop heeft rapporteur gevraagd wat er nog meer staat in de slaapkamer. Blh stond op, verhief haar stem en zei, dat rapporteur een racist is en vraagt “hoe vaak neukt u per week”. Rapporteur deelde daarop mee, dat het gesprek zo niet wordt voortgezet en heeft blh verzocht het pand te verlaten met de mededeling, dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld, omdat blh onvoldoende informatie heeft verstrekt over de woonsituatie. Blh haalde uit naar de ingeleverd stukken. Klantmanager heeft blh meegedeeld, dat deze stukken noodzakelijk zijn voor het afhandelen van de aanvraag voor een uitkering. Blh verliet vervolgens de spreekkamer met de woorden “fuck you”.


In de hal van WIZ heeft blh tegen de balie medewerkster staan schreeuwen en kreeg vervolgens een aanval van hyperventilatie. (..)”

4. Het college heeft besloten om mevrouw [A] geen bijstandsuitkering toe te kennen omdat mevrouw [A] niet genoeg informatie heeft gegeven over haar woonsituatie. Het college heeft dit gedaan omdat mevrouw [A] tijdens het gesprek geen tekening van de indeling van de woning heeft gemaakt, omdat zij niet heeft kunnen aangeven hoe de woning was ingedeeld en ook niet wat er in haar slaapkamer stond. Het college vindt dat mevrouw [A] deze informatie wel had moeten kunnen geven, omdat zij al sinds 27 september 2016 stond ingeschreven op dat adres. Verder vindt het college het opmerkelijk dat mevrouw [A] tijdens het gesprek in Google Maps niet de voordeur heeft aangewezen van de woning waarvan ze zei dat ze er woonde, maar de voordeur van de woning ernaast. Het college heeft verwezen naar de artikelen 11 en 17 van de Pw.


5. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Pw geldt dat iedereen die in Nederland woont en niet kan rondkomen, of dreigt in de toekomst niet te kunnen rondkomen, omdat hij niet genoeg te besteden heeft, recht op een bijstandsuitkering heeft.


6. Op grond van artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de Pw geldt dat wie een bijstandsuitkering heeft of aanvraagt, aan het college alles moet doorgeven, waarvan hij weet dat dit van invloed is op de vraag of hij bijstand krijgt en hoeveel. Dit moet niet alleen als het college er om vraagt, maar ook als de aanvrager/ bijstandsgerechtigde zelf moet begrijpen dat deze informatie voor het college van belang is.


7. De rechtbank beoordeelt in deze zaak de periode tussen de datum waarop mevrouw [A] zich bij de gemeente heeft gemeld om bijstand aan te vragen en de datum waarop het college hierover een besluit heeft genomen. Het gaat dus om de periode van 8 november tot en met 22 november 2016.

8. Mevrouw [A] vindt dat het niet aan haar lag dat zij niet genoeg informatie over haar woonsituatie heeft gegeven. Zij geeft hierover aan dat zij al in de periode vóór het gesprek door de gemeente in een lastige situatie is gebracht. Tijdens het gesprek was zij emotioneel en voelde zij zich niet goed. Ze had last van stress en gebruikte antidepressiva. Na afloop van het gesprek had zij last van hyperventilatie. Ze is daarom ook een poosje uit de kamer weg gegaan. Omdat zij vervolgens beledigende dingen tegen de medewerkers van de gemeente heeft gezegd, hebben die medewerkers een eind aan het gesprek gemaakt. Mevrouw [A] vindt het niet redelijk dat het college nu zegt dat zij te weinig informatie heeft gegeven, omdat niet zij maar de gemeente het gesprek heeft beëindigd. Tijdens de zitting heeft mevrouw [A] nog gezegd dat haar taalachterstand ook nadelig voor haar kan zijn geweest. Als zij de kans had gekregen, had zij alsnog de nodige informatie kunnen geven. Of zij was op een andere dag terug gekomen om het gesprek af te maken. Mevrouw [A] heeft ook aangeboden om haar woning aan de gemeente te laten zien. De gemeente had volgens haar moeten komen kijken.


9. Deze zaak gaat om een aanvraag om bijstand. Bij zo’n aanvraag moet de aanvrager in principe aantonen dat hij de uitkering nodig heeft. Voor het college is daarbij ook belangrijk waar de aanvrager woont. De aanvrager moet dit dan ook naar waarheid doorgeven. Het college kan dan vervolgens controleren of de aanvrager daar werkelijk woont. Als onduidelijk is of de gegevens kloppen, kan het college de uitkering weigeren. In dat geval weet het college namelijk niet of de aanvrager de bijstand echt nodig heeft.


10. Het college heeft de aanvraag onder andere afgewezen omdat mevrouw [A] , tijdens het gesprek, in Google Maps de verkeerde voordeur heeft aangewezen. Uit het verslag, dat hiervoor onder punt 2 staat vermeld, blijkt dat mevrouw [A] inderdaad tijdens het gesprek niet de goede voordeur aanwees. Mevrouw [A] heeft tijdens de zitting gezegd dat zij wèl de goede voordeur heeft aangewezen maar de rechtbank vindt dit ongeloofwaardig. Er is geen reden om aan te nemen dat de medewerkers van de gemeente dit verkeerd in het verslag hebben gezet. Het college vindt het ook belangrijk dat mevrouw [A] de indeling van de woning en van haar kamer niet heeft kunnen aangeven. Uit het verslag van het gesprek blijkt dat dit klopt. De rechtbank vindt dat mevrouw [A] , die had vermeld dat zij op dit adres woonde, wel de goede voordeur had moeten kunnen aanwijzen en de indeling van de woning had moeten kunnen beschrijven of tekenen. Omdat zij dit niet kon, was er voor het college een goede reden om eraan te twijfelen dat zij daar wel echt woonde.


11. Aan de andere kant heeft mevrouw [A] zich beroepen op omstandigheden die er volgens haar toe moeten leiden dat de beslissing van het college moet worden vernietigd. Zij geeft aan dat de gemeente haar vóór het gesprek al in een lastige situatie heeft gebracht. En ook dat zij tijdens het gesprek heel emotioneel was, dat zij last had van stress en dat zij antidepressiva gebruikte. Verder dat zij een taalachterstand heeft en na het gesprek last had van hyperventilatie. De rechtbank weet niet of al deze omstandigheden echt zo waren. Maar zelfs als dat zo is, vindt de rechtbank dat dit niet betekent dat het besluit van het college moet worden vernietigd. Dit omdat tijdens het gesprek eenvoudige vragen zijn gesteld, die mevrouw [A] ook in die omstandigheden had kunnen beantwoorden. Voor de beantwoording was geen grote kennis van de Nederlandse taal nodig en het aanwijzen van de juiste voordeur kan ook wanneer je je niet heel erg goed voelt. Verder vindt de rechtbank dat de medewerkers van de gemeente die het gesprek met mevrouw [A] hebben gevoerd, voldoende rustig zijn geweest en haar genoeg tijd hebben gegeven om de vragen te beantwoorden. Daarom was er volgens de rechtbank voor de gemeente ook geen reden om het gesprek op een andere dag voort te zetten. Ook het afleggen van een huisbezoek was volgens de rechtbank niet nodig: het ging er juist om dat mevrouw [A] zelf de woning kon beschrijven want het college wilde controleren of zij daar echt woonde.


12. Zoals hiervoor al is vermeld, had het college een goede reden om eraan te twijfelen dat mevrouw [A] woonde op het adres dat zij had opgegeven. Omdat nu niet duidelijk was waar zij woonde, kon het college ook niet beoordelen of zij in de maanden waarover deze zaak gaat, recht op bijstand had. Dus mocht het college de aanvraag om bijstand om die reden afwijzen.

12. Het kan zijn dat er omstandigheden zijn waarin het college de aanvraag om bijstand wel kan afwijzen, maar dat onrechtmatig zou zijn. Maar in dit geval is dat niet gebleken. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van mevrouw [A] ongegrond verklaart. Haar kosten hoeven niet door het college te worden vergoed.


Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L. Braaksma, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. van Ravenhorst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 december 2017.




griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.