Rechtbank Midden-Nederland, 13-12-2017 / UTR 17/2740


ECLI:NL:RBMNE:2017:6348

Inhoudsindicatie
AOW, OBR, pensioengerechtigde leeftijd, onevenredige last 7a van de AOW, Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR), 1 Eerste Protocol bij het EVRM, Samenvatting: Eiseres heeft verzocht om vanaf haar 65e verjaardag in aanmerking te komen voor een AOW-uitkering. Verweerder heeft het verzoek afgewezen omdat eiseres op dat moment nog niet de AOW-leeftijd heeft bereikt en de verhoging van de AOW-leeftijd voor eiseres niet leidt tot een onevenredig zware last. De rechtbank treedt op grond van artikel 120 van de Grondwet niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en dient daarom uit te gaan van wat in artikel 7a van de AOW is neergelegd. De beroepsgrond dat eiseres vanaf haar 65e verjaardag aanspraak heeft op een AOW-uitkering slaagt daarom niet. Bij de toets is sprake is van een onevenredig zware last heeft verweerder aansluiting gezocht bij de OBR. Omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 4 van de OBR is volgens verweerder geen sprake van een onevenredig zware last. De rechtbank beschouwt de enkele toetsing aan de voorwaarden van de OBR niet als het door de CRvB vereiste deugdelijke individueel feitenonderzoek naar het bestaan van een onevenredige last, nu bij die toetsing uitsluitend de voorwaarden genoemd in artikel 4 van het OBR worden betrokken. Alle overige omstandigheden blijven dan buiten beschouwing. Eiseres verkeert in de situatie dat zij niet in aanmerking komt voor een overbruggingsuitkering op grond van de OBR. Dát is dan ook de situatie waarvan verweerder moet uitgaan bij het onderzoek naar het al dan niet aanwezig zijn van een onevenredig zware last voor eiseres. De beoordeling door verweerder voldoet daarom niet aan de eis dat een beoordeling dient plaats te vinden van alle relevante elementen, tegen de specifieke achtergrond van eiseres. Het bestreden besluit is daarom, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, niet zorgvuldig voorbereid. Het beroep is gegrond, het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-12-13
Publicatiedatum
2017-12-21
Zaaknummer
UTR 17/2740
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 17/2740


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,


en


de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Pieterse).



Procesverloop


Bij besluit van 1 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om vanaf haar 65e verjaardag in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) afgewezen.


Bij besluit van 14 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.


Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2017. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiseres is geboren op [1952] en heeft op [2017] de leeftijd van 65 jaar bereikt.


2. Verweerder heeft het verzoek van eiseres om vanaf [2017] in aanmerking te komen voor een AOW-uitkering afgewezen, omdat eiseres op die datum de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt. Door een wetswijziging gaat het AOW-pensioen van eiseres in op [2018] . Onder verwijzing naar wet- en regelgeving, beleid van verweerder en jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2016:2502) stelt verweerder zich op het standpunt dat de verhoging van de AOW-leeftijd niet in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) over eigendomsrecht. Verweerder heeft beoordeeld of eiseres door de wijziging van de ingangsdatum van haar AOW-pensioen en de verhoging van de AOW-leeftijd een onevenredig zware last draagt. Volgens verweerder zijn bij deze beoordeling de voorwaarden van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR) doorslaggevend. Nu eiseres geen overbruggingsuitkering kan krijgen omdat zij niet voldoet aan de voorwaarde genoemd in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de OBR, is volgens verweerder geen sprake van een onevenredig zware last. Ook is volgens verweerder geen sprake van schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en is geen sprake van leeftijdsdiscriminatie.


3. Eiseres heeft zich primair op het standpunt gesteld dat zij vanaf [2017] aanspraak heeft op een AOW-uitkering. Eiseres wijst ter onderbouwing daarvan op de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 25 november 2015 (ECLI:NL:RBNNE:2015:5585). De zaak van eiseres is vergelijkbaar met de zaak die tot die uitspraak heeft geleid.


4. Op grond van artikel 7a van de AOW zijn met ingang van 1 januari 2013 de pensioengerechtigde leeftijd (voorheen 65 jaar) en de aanvangsleeftijd (voorheen 15 jaar) per leeftijdscohort opgeschoven. Als gevolg van deze wetswijziging is het AOW-pensioen van eiseres twaalf maanden later ingegaan dan voor de inwerkingtreding van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd het geval zou zijn geweest.


5. De rechtbank stelt vast dat eiseres op grond van artikel 7a, eerste lid, aanhef en onder g, van de AOW op [2018] de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. De rechtbank treedt op grond van artikel 120 van de Grondwet niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en dient derhalve uit te gaan van hetgeen in artikel 7a, eerste lid, aanhef en onder g, van de AOW is neergelegd. De beroepsgrond van eiseres dat zij vanaf haar 65e verjaardag op [2017] aanspraak heeft op een AOW-uitkering slaagt daarom niet.


6. Eiseres heeft subsidiair aangevoerd dat in haar geval sprake is van een onevenredig zware last, zoals bedoeld in de jurisprudentie van de CRvB. Volgens eiseres heeft geen individuele belangenafweging plaatsgevonden en gaat verweerder er ten onrechte aan voorbij dat het verschuiven van de AOW-leeftijd financieel tot een voor haar onevenredig zware last leidt. Eiseres heeft vanaf [2017] geen inkomen en vanaf [2018] krijgt zij alleen haar AOW. Verweerder moet de eis van artikel 4 van de OBR in het geval van eiseres laten varen, nu dit leidt tot discriminatie van mensen zoals eiseres die geen arbeidsverleden hebben. Van eiseres kan voorts niet worden verlangd dat zij een bijstandsuitkering aanvraagt, omdat dan van haar wordt gevergd dat zij haar eigen woning ‘opeet’ of weg doet. Ter zitting heeft eiseres deze beroepsgrond nader onderbouwd met een beroep op de uitspraak van rechtbank Overijssel van 8 augustus 2017 (ECLI:NL:RBOVE:2017:3161) en het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 13 december 2016 inzake Bélané Nagy vs. Hongarije (ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD005308013).


7. Zoals de CRvB in enkele uitspraken van 18 juli 2016 heeft overwogen, is met de invoering van artikel 7a van de AOW en de daarmee gepaard gaande verschuiving van de aanvangsleeftijd sprake van inmenging in het eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van het EP van eiseres. De CRvB heeft hierbij geconcludeerd dat de verhoging van de AOW-leeftijd in het algemeen proportioneel te achten is en in het algemeen niet leidt tot een schending van artikel 1 van het EP.


Dit laat volgens de CRvB onverlet “dat het mogelijk is dat de toepassing van artikel 7a van de AOW in concrete gevallen leidt tot een onevenredig zware last en tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. Of er sprake is van een onevenredig zware last moet van geval tot geval op basis van een deugdelijk individueel feitenonderzoek worden beoordeeld.

Door de verhoging van de aanvangsleeftijd van appellant met vijf maanden, waardoor het begin van de pensioenopbouw van appellant navenant is opgeschoven, is aan de voorkant van de pensioenopbouw een inbreuk gemaakt op zijn eigendomsrecht. Of deze verhoging van de aanvangsleeftijd voor appellant tot een onevenredig zware last leidt, moet worden bezien in het kader van de besluitvorming die betrekking heeft op de toekenning van het AOW-pensioen en de ingangsdatum van dat pensioen. Op dat moment kan de hoogte van de schade worden vastgesteld. Deze besluitvorming heeft inmiddels plaatsgevonden nu bij besluit van 14 januari 2016 aan appellant een AOW-pensioen is toegekend met ingang van 28 mei 2016. Appellant kan zijn beroep op schending van artikel 1 van het Eerste Protocol en de vraag of in zijn geval sprake is van een onevenredig zware last in de procedure tegen dat besluit aan de orde stellen”.


8. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder bij de vraag of sprake is van een onevenredig zware last aansluiting gezocht bij de OBR. Nu eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 4 van de OBR om een overbruggingsuitkering te krijgen, is volgens verweerder geen sprake van een onevenredig zware last.


9. De rechtbank beschouwt de enkele toetsing aan de voorwaarden van de OBR niet als het door de CRvB vereiste deugdelijk individueel feitenonderzoek naar het bestaan van een onevenredig zware last. Bij deze toetsing worden namelijk uitsluitend de voorwaarden genoemd in artikel 4 van het OBR betrokken. Alle overige omstandigheden blijven buiten beschouwing, zoals de individuele vaste lasten, eventuele andere effecten van de gewijzigde inkomenspositie en andere mogelijk relevante individuele omstandigheden.


10. Daarbij overweegt de rechtbank dat bij de vaststelling of sprake is van een onevenredig zware last ook de rechtspraak van het EHRM moet worden betrokken. In het voormelde arrest Nagy vs. Hongarije is het volgende overwogen (rechtsoverwegingen 117 en 118):

“(…) the fair balance test cannot be based solely on the amount or percentage of the reduction suffered, in the abstract. In a number of cases the Court has endeavoured to assess all the relevant elements against the specific background (…). In so doing, the Court has attached importance to such factors as the discriminatory nature of the loss of entitlement (…); the absence of transitional measures (…); the arbitrariness of the condition (…), as well as the applicant’s good faith. An important consideration is whether the applicant’s right to derive benefits from the social-insurance scheme in question has been infringed in a manner resulting in the impairment of the essence of his of her pension rights (…)”.

11. De rechtbank overweegt in dit kader dat de CRvB al heeft geoordeeld dat de verhoging van de AOW-leeftijd geen (leeftijds)discriminatie inhoudt (zie onder andere de uitspraak van 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2502). Eiseres heeft daarop overigens ook uitdrukkelijk geen beroep gedaan. Het enkele feit dat er in voorkomende gevallen een beroep kan worden gedaan op een overgangsmaatregel, kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer leiden tot de conclusie dat er geen sprake kan zijn van een onevenredig zware last voor eiseres. Eiseres verkeert immers in de situatie dat zij niet in aanmerking komt voor een overbruggingsuitkering op grond van de OBR. Dát is dan ook de situatie waarvan verweerder moet uitgaan bij het onderzoek naar het al dan niet aanwezig zijn van een onevenredig zware last voor eiseres. Uit het voorgaande volgt dat de beoordeling door verweerder niet voldoet aan de eis dat een beoordeling dient plaats te vinden van alle relevante elementen tegen de specifieke achtergrond van eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit daarom in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet zorgvuldig voorbereid.


12. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.


13. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het op de weg van verweerder ligt om nader onderzoek te doen naar het bestaan van een onevenredig zware last. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Voor herstel van het gebrek is nader onderzoek door verweerder nodig. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.


14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.


15. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, namelijk haar reiskosten. Deze reiskosten worden met toepassing van artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) begroot op € 12,52 voor de reiskosten op het traject Baarn - Utrecht vice versa op basis van tweede klas tarieven openbaar vervoer.


16. Het verzoek om schadevergoeding komt nu niet voor toewijzing in aanmerking. Pas als verweerder een nieuw besluit heeft genomen, kan namelijk worden beoordeeld of eiseres recht heeft op schadevergoeding.





Beslissing


De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken nadat deze uitspraak gezag van gewijsde heeft gekregen, een nieuw besluit op het bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 12,52, te betalen aan eiseres.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L. Braaksma, rechter, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2017.






griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.