Rechtbank Midden-Nederland, 09-02-2017 / UTR 16/643-T


ECLI:NL:RBMNE:2017:638

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Omgevingsvergunning milieu voor vuiloverslagstation na afsplitsing van depot voor chemisch afval. Het vuiloverslagstation is op grond van het geldende bestemmingsplan niet toegestaan. Aangezien de werkzaamheden waarvoor vergunning wordt verleend onlosmakelijk samenhangen met het gebruik in strijd met het bestemmingsplan dient verweerder bij de verlening van de vergunning te betrekken of hij ook het gebruik in strijd met het bestemmingsplan wil vergunnen.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-02-09
Publicatiedatum
2017-02-14
Zaaknummer
UTR 16/643-T
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 16/643-T


tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 9 februari 2017 in de zaak tussen

Het P.L.E.I.N. B.V., het Onderwijsplein B.V. en [eiser 2] , allen te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: ing. B. Hurks),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder

(gemachtigde: mr. R.C. Alblas).


Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: N.V. Rova Holding, gevestigd te Amersfoort, en Remondis Argentina B.V. (Remondis), gevestigd te Moerdijk, (gemachtigde: mr. M.J.G. Maas-Cooymans).



Procesverloop


Bij besluit van 14 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan N.V. Rova Holding (Rova) een omgevingsvergunning verleend voor het afsplitsen van het Regionaal Depot Chemisch Afval (RDCA) van de inrichting aan de [adres] in [woonplaats] .


Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het beroep met zaaknummer UTR 16/644, plaatsgevonden op 6 december 2016. Eisers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder is ook vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Rova is vertegenwoordigd door [A] en mr. [B] , werkzaam bij MWH. Remondis is vertegenwoordigd door [C] . Rova en Remondis zijn bijgestaan door hun gemachtigde.


Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Het RDCA, dat eerder onderdeel uitmaakte van Rova, is overgenomen door Remondis. Vanwege deze splitsing heeft zowel Rova als Remondis een omgevingsvergunning aangevraagd.

1.2

Op 20 december 2013 heeft Rova een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu. Het betreft een aanvraag voor een veranderingsvergunning. Na afsplitsing van de activiteiten van Remondis bestaan de resterende activiteiten van Rova uit: - afvaloverslag;- op- en overslag van wit- en bruingoed;- milieustraat (inclusief depot klein chemisch afval, klein gevaarlijk afval en huisdierkadavers);- op- en overslag en ontwatering slib en veegvuil;

- opslag containers;- gladheidsbestrijding (opslag zout);- faciliteiten. De gevraagde vergunning ziet ook op een uitbreiding van de volgende activiteiten:- opslag van maximaal 75 kg rattenbestrijdingsgif;- toename van het aantal transportbewegingen op het terrein van Rova ten behoeve van Remondis;- wijziging van typen afvalstoffen die worden opgeslagen.

1.3

Vanaf 15 mei 2014 heeft de eerste ontwerpbeschikking ter inzage gelegen. Vanaf 29 april 2015 heeft de tweede ontwerpbeschikking ter inzage gelegen. Eisers hebben hiertegen een zienswijze ingediend.

1.4

Met het bestreden besluit heeft verweerder Rova een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit milieu, het betreft een veranderingsvergunning voor het veranderen van een inrichting of de werking ervan, op de voet van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).


1.5

[eiser 2] is eigenaar van een gebouw aan de [adres] . Dit gebouw ligt op circa 60 meter afstand van de gemeenschappelijke inrit van de inrichtingen van Rova en Remondis. Het P.L.E.I.N. B.V. is een bedrijf gericht op administratieve dienstverlening, zij is huurster van een gedeelte van het gebouw [adres] . Het Onderwijsplein B.V. is eigendom van het P.L.E.I.N. B.V., zij exploiteert in hetzelfde gebouw een dagopvang voor kinderen met ontwikkelingsstoornissen. Op 7 augustus 2013 hebben burgemeester en wethouders van Amersfoort aan Serva B.V. een omgevingsvergunning verleend om het gebouw [adres] in afwijking van het bestemmingsplan als school te gebruiken.


Activiteit milieu

2. Eisers betogen dat verweerder er bij de verlening van de vergunningen voor de activiteit milieu aan Remondis en Rova ten onrechte van uit gaat dat sprake is van twee inrichtingen. Zij stellen dat beide inrichtingen in elkaars nabijheid liggen en een technische en functionele binding hebben. Beide bedrijven gebruiken dezelfde inrit en delen riolering en energievoorzieningen. Daarnaast gebruiken beide bedrijven dezelfde weegbrug en ook de zogenoemde strooihal wordt door beide bedrijven gebruikt.

2.1

Verweerder heeft gesteld dat hij op basis van de aanvraag, zoals die is ingediend, dient te beoordelen of sprake is van één of twee inrichtingen. Op bijlage 2 bij de aanvraag ‘Tekening locatie en grens inrichting’ is de grens tussen de beide inrichtingen met een rode lijn aangegeven. Er is sprake van een zeer geringe mate van zowel technische als functionele binding tussen de inrichtingen. Dit betreft het gezamenlijk gebruik van de strooihal, een weegbrug, de in en uitrit en de energievoorzieningen, waarbij de kosten worden verrekend. Er is echter geen enkele organisatorische binding tussen Rova en Remondis, terwijl juist aan een dergelijke binding (waarbij het gaat om de vraag wie de feitelijke zeggenschap heeft over de activiteiten in de inrichting) doorslaggevend belang toekomt.

2.2

In artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer is, voor zover hier relevant, bepaald dat als één inrichting wordt beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele binding hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Uit de rechtspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), zoals onder meer verwoord in de uitspraken van 24 december 2002 (ECLI:NL:RVS:2002:AF2503) en 21 juli 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AQ3623) blijkt dat het bestaan van enkele functionele en technische bindingen tussen bedrijven bij het ontbreken van relevante organisatorische bindingen onvoldoende is om uit te gaan van één inrichting. Tussen partijen is niet in geschil dat van een organisatorische binding tussen Rova en Remondis geen sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het ontbreken van deze organisatorische binding en dus niet de beperkte technische en functionele binding tussen de bedrijven terecht doorslaggevend geacht voor de beantwoording van de vraag of sprake is van één inrichting. Verweerder heeft het bedrijf van Rova dus terecht als een aparte inrichting aangemerkt.Strijd met het bestemmingsplan

3. Eisers betogen dat de activiteiten van Rova in strijd zijn met het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein e.o. & Snelwegen’ (het bestemmingsplan). Op grond van het bestemmingsplan zijn op het perceel van Rova slechts bedrijfsactiviteiten toegestaan van maximaal milieucategorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. De activiteiten van Rova zijn echter te duiden als een vuiloverslagstation, waarmee zij vallen daarmee onder categorie 4.2. Dat de door Rova gevraagde vergunning slechts betrekking heeft op de activiteit milieu, betekent volgens eisers niet dat verweerder in het kader van de verlening van deze vergunning niet gehouden is om te toetsen of de te vergunnen activiteiten op grond van het bestemmingsplan wel zijn toegestaan.

3.1

In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat in het bestemmingsplan is bepaald dat op het perceel van Rova bedrijfsactiviteiten tot maximaal milieucategorie 3.2 zijn toegestaan. Er worden geen wijzigingen aangevraagd die maken dat de activiteiten van Rova vallen in een hogere milieucategorie en er is ook niet gevraagd om een afwijking van het bestemmingsplan. Het betoog dat de bestaande activiteiten feitelijk onder milieucategorie 4.2 vallen, is om die reden niet relevant, aldus het bestreden besluit. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat bij Rova wel overslag plaatsvindt, hetgeen betekent dat de activiteiten vallen onder milieucategorie 4.2. Verweerder heeft echter gesteld dat de activiteiten, gelet op de geringe geluidsbelasting die zij veroorzaken, (beter) vergelijkbaar zijn met activiteiten vallend onder categorie 3.2.

3.2

De gronden waarop de inrichting is gelegen, hebben op grond van het bestemmingsplan de bestemming ‘Bedrijventerrein 1’, met de nadere aanduiding 3.2. Op deze gronden mogen op grond van artikel 5.12 van de planregels slechts bedrijven worden gevestigd in de milieucategorie 1 tot en met 3.2 van de van de bij de regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten.

3.3

De rechtbank ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of verweerder gehouden was om in het kader van de verlening van de vergunning te toetsen of de gevraagde activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

3.4

De rechtbank begrijpt het betoog van eisers aldus dat zij stellen dat voor dezelfde activiteit waarvoor verweerder met het bestreden besluit een vergunning voor de activiteit milieu verleent, ook een vergunning voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan is vereist. Op grond van artikel 2.7 van de Wabo draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dat dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het project. Uit de rechtspraak van de ABRvS, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:755), volgt dat voor de beantwoording van de vraag of de activiteiten onlosmakelijk met elkaar samenhangen bepalend is of de activiteiten fysiek van elkaar zijn te onderscheiden. Naar het oordeel van de rechtbank is de activiteit milieu, in het kader waarvan vergunning wordt verleend om de inrichting van Rova in werking te hebben, fysiek niet te onderscheiden van de activiteit afwijken van het bestemmingsplan, op basis waarvan het gebruik van de inrichting van Rova op deze locatie zou kunnen worden toegestaan. Dit betekent dat er in dit geval onlosmakelijke samenhang bestaat tussen de activiteiten milieu en afwijken van het bestemmingsplan. Gelet hierop had verweerder naar aanleiding van de aanvraag onderzoek moeten doen naar de vraag of de gevraagde wijziging wel in overeenstemming was met het bestemmingsplan.

3.5

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of het gebruik van de inrichting van Rova in strijd is met het bestemmingsplan.

3.6

Ter zitting heeft verweerder erkend dat Rova, gelet op haar activiteiten, niet kan worden aangemerkt als een bedrijf in de milieucategorie 1 tot en met 3.2. De activiteiten van Rova zijn dus in strijd met artikel 5.12 van de planregels en op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo niet toegestaan. Het betoog van verweerder ter zitting dat Rova deze activiteiten al decennia op dit perceel verricht en dat dit gebruik dus valt onder het overgangsrecht van het bestemmingplan, slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe dat de verleende vergunning ook ziet op een intensivering van het gebruik van het terrein van Rova, in die zin dat de toename van het aantal transportbewegingen ten behoeve van Remondis aan Rova wordt toegerekend. Een dergelijke intensivering van bestaand gebruik is op grond van het overgangsrecht, nog daargelaten de vraag of verweerder terecht stelt dat dit in dit geval van toepassing is, in ieder geval niet toegestaan. De conclusie is dat het gebruik van de inrichting van Rova in strijd is met het bestemmingsplan.Conclusie


4. Nu Rova voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan geen vergunning heeft aangevraagd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder Rova ten onrechte niet heeft gevraagd haar aanvraag om een omgevingsvergunning aan te vullen. Het bestreden besluit is om die reden in strijd met artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo en artikel 4:5 van de Awb genomen.

4.1

Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, en artikel 8:80a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in een tussenuitspraak in de gelegenheid stellen een gebrek te herstellen of te laten herstellen. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb deze gelegenheid te bieden. Zij overweegt daartoe dat de gebreken in het bestreden besluit door het nemen van een nieuw besluit op de voet van artikel 6:19 van de Awb in beginsel herstelbaar zijn. Verweerder zal Rova daarbij in de gelegenheid moeten stellen haar aanvraag aan te vullen.

4.2

De termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen bepaalt de rechtbank op zes weken na verzending van deze uitspraak. Indien verweerder binnen twee weken verklaart geen gebruik te maken van de gelegenheid om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen of de termijn die voor het herstel is bepaald ongebruikt is verstreken, zal de behandeling van het beroep op de gewone wijze worden voortgezet.

4.3

De rechtbank neemt nog geen beslissing over de vergoeding van de door eisers gemaakte proceskosten. Zij wacht hiermee tot de einduitspraak op het beroep.





Beslissing


De rechtbank:


- stelt verweerder in de gelegenheid:


- om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen, met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen,


of


- om binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mede te delen dat van deze geboden mogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt;

- houdt iedere verdere beslissing aan;




Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Wijna, voorzitter, en mr. J.W. Veenendaal en mr. A.R. Klijn, leden, in aanwezigheid van mr. J.K. van de Poel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2017.






griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.