Rechtbank Midden-Nederland, 21-12-2017 / UTR 17/4424


ECLI:NL:RBMNE:2017:6457

Inhoudsindicatie
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Daartoe is overwogen dat uit het advies van een door verweerder geraadpleegd onafhankelijk medisch adviesorgaan niet blijkt van een medische noodzaak voor een andere woning, ondanks dat verzoeker terminaal ziek is. De in het primaire besluit geconstateerde gebreken leiden niet tot toewijzing van de gevraagde voorziening, omdat de gebreken zich lenen voor herstel in de bezwaarprocedure
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-12-21
Publicatiedatum
2017-12-22
Zaaknummer
UTR 17/4424
Procedure
Voorlopige voorziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 17/4424


uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 december 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen


[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. A.A. Namaki),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten, verweerder

(gemachtigde: J.F. van Tellegen).



Procesverloop


Bij besluit van 11 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om hem voorrang (urgentie) te verlenen bij het verkrijgen van woonruimte afgewezen.


Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2017. Verzoeker en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.



Overwegingen


1. Verzoeker heeft na de indiening van het verzoek om een voorlopige voorziening een verzoek gedaan om vrijstelling van de verplichting tot betaling van griffierecht wegens betalingsonmacht. De gemachtigde van verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek een specificatie van een ziektewetuitkering van oktober 2017 overgelegd. Gelet op deze specificatie en de feitelijke situatie van eiser zoals toegelicht ter zitting, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht moet worden gehonoreerd, zodat verzoeker wordt vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van griffierecht.


2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.


3. Ten aanzien van de spoedeisendheid overweegt de voorzieningenrechter dat de urgentieverklaring ziet op het kunnen gaan bewonen van een geschikte woning. Verzoeker heeft niet heel lang meer te leven en is dus gebaat bij een spoedig besluit op zijn verzoek om een voorlopige voorziening, inhoudende dat hij wordt behandeld als ware hem een urgentie verleend. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft.


4. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter daarom beoordelen, aan de hand van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel en zo nodig een belangenafweging, of er ook voldoende spoedeisend belang is om het treffen van een voorlopige voorziening in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure te rechtvaardigen.


5. De voorzieningenrechter gaat voor de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoeker is een 33 jarige man van Irakese afkomst die lijdt aan kanker in een uitgezaaide onbehandelbare vorm waaraan hij binnen korte/middellange termijn zal komen te overlijden. Verzoeker bewoont een kamer met gedeelde voorzieningen op het adres [adres] te [woonplaats] . Verzoeker staat niet ingeschreven als woningzoekende bij Woningnet Eemvallei (Woningnet) en beschikt niet over een paspoort. Verzoeker heeft op 8 augustus 2017 een aanvraag gedaan voor een medische urgentie. Als reden voor de aanvraag heeft verzoeker opgegeven dat zijn huidige woonruimte te klein is om zijn familie te ontvangen om hem te verzorgen. De aanvraag van verzoeker is beoordeeld door de woonruimtecommissie. In het kader van die beoordeling heeft de woonruimtecommissie de aanvraag van verzoeker voorgelegd aan onderzoeksbureau Sciopeng. De medisch adviseur van Sciopeng heeft een medisch advies uitgebracht. De woonruimtecommissie heeft besloten dat verzoeker geen medische urgentie wordt verleend.


6. Verweerder heeft in het primaire besluit, gelet op de onder de kop ‘situatieschets’ genoemde omstandigheden en onder verwijzing naar de overwegingen van de woonruimtecommissie, beslist de aanvraag van verzoeker af te wijzen. Verweerder acht daarbij onder meer van belang dat uit het medisch advies valt te constateren dat geen sprake is van een medische noodzaak voor een andere woonruimte, maar van een sociale wens. Verder constateert verweerder dat er geen sprake is van een woningnoodsituatie, verzoeker heeft woonruimte. In het kader van de toenemende zorgvraag bij verzoeker heeft verweerder gewezen op alternatieve mogelijkheden, zoals het zorgteam Lingt van de gemeente Bunschoten-Spakenburg of het Leger des Heils in Baarn. Verder is vastgesteld dat verzoeker niet is ingeschreven als woningzoekende bij Woningnet, een urgentie is dan in ieder geval niet mogelijk. Tot slot is in het besluit overwogen dat als verzoeker zich alsnog zou inschrijven bij Woningnet en hij een urgentiestatus zou verkrijgen het nog zes tot negen maanden kan duren voordat er een geschikte woning beschikbaar komt, een fase waarin verzoeker wellicht toe is aan een hospice.


7. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij een terminaal zieke patiënt is, die veel zorg nodig heeft, zodat er wel sprake is van een medische noodzaak voor een andere woning. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat verweerder gelet op het primaire besluit, waarin wordt gesteld dat er alleen sprake is van een sociale wens en niet van een medische urgentie, de betrokken belangen niet heeft gewogen en in strijd handelt met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in strijd handelt met het motiveringsbeginsel van artikel 3:46 van de Awb. Ook is het primaire besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb, omdat verweerder niet de nodige kennis heeft vergaard bij het voorbereiden van het besluit.

8. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.


9. Op grond van de Urgentieverordening 2017 van de gemeente Bunschoten (de Verordening), moet een aanvrager om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring voldoen aan diverse formele eisen. Verweerder heeft er twee tegengeworpen. Zo moet een woningzoekende om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentie op grond van artikel 1, aanhef en onder g van de Verordening, gelezen in samenhang met artikel 4.2, derde lid van de Verordening, een maand geregistreerd staan als woningzoekende en voldoen aan één van de criteria van artikel 4.3 van de Verordening.


10. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat verzoeker ook ten tijde van de zitting niet is ingeschreven bij Woningnet. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht en ook volgt uit de toelichting op artikel 4.2 van de Verordening zou verweerder met een beroep op de hardheidsclausule de eis van een inschrijvingsduur van een maand kunnen passeren. Eiser zou zich dus tijdens de bezwaarprocedure alsnog kunnen inschrijven bij Woningnet en daarmee dan kunnen voldoen aan de registratie-eis om in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring. Dit is door verweerder ook eerder aan verzoeker meegedeeld.


11. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker daarmee echter nog geen aanspraak op urgentieverlening heeft. Zoals ook uit het primaire besluit blijkt heeft verweerder verzoeker tegengeworpen dat niet is voldaan aan één van de criteria van artikel 4.3 van de Verordening. Op grond van dit artikel kan een urgentie verleend worden indien er sprake is van een medische indicatie. Een medische indicatie is aan de orde als op advies van een door burgemeester en wethouders in te schakelen onafhankelijk medisch adviesorgaan, is vastgesteld dat -in afwijking van de reguliere methode- een snellere oplossing van het huisvestingsprobleem uit medisch oogpunt noodzakelijk is.


12. Uit het advies van de medisch adviseur van Scioping, dat verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, blijkt dat er geen medische noodzaak bestond voor een andere woning. De woonruimte van verzoeker is volgens de medisch adviseur geen contra-indicatie voor de behandeling en hij stelt verder dat als er een situatie ontstaat dat verzoeker 24-uurs zorg nodig heeft, een thuissituatie in het geheel geen geschikte verblijfplaats voor verzoeker zal zijn. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder dit advies aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. De medisch adviseur is bij verzoeker op huisbezoek geweest en heeft de woonsituatie alsmede de fysieke situatie van verzoeker persoonlijk in ogenschouw genomen. Verzoeker heeft niet aangevoerd of onderbouwd dat het advies inhoudelijk niet juist, niet concludent of niet inzichtelijk is. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat er geen medische indicatie is, als bedoeld in artikel 4.3, tweede lid van de Verordening, zodat verzoeker op grond hiervan niet in aanmerking kan komen voor een urgentieverklaring. Voor zover verzoeker bedoeld heeft hier aan te voeren dat het besluit niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb, wordt hij daarin niet gevolgd. De voorzieningenrechter overweegt dat het, anders dan de gemachtigde van verzoeker meent, in zijn algemeenheid niet zo is dat het hebben van een (terminale) ziekte automatisch leidt tot een recht op een urgentieverklaring. Er moet een relatie zijn tussen de medische situatie en de ontoereikendheid van de woonruimte. Ten tijde van het advies van Scioping was die situatie volgens de medisch adviseur niet aan de orde en werd geen medische indicatie voor een andere woning gegeven. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de situatie zodanig is veranderd dat niet langer van het advies kan worden uitgegaan. De enkele opmerking dat de situatie van verzoeker is verslechterd is daartoe onvoldoende. Verweerder heeft dus wegens het ontbreken van een medische indicatie de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring kunnen afwijzen. In zoverre is daarom niet gebleken van een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit.


13. Het voorgaande betekent dat het voorlopige rechtmatigheidsoordeel van de voorzieningenrechter niet positief voor verzoeker uitvalt en het bezwaar van verzoeker op eerder genoemde punten geen redelijke kans van slagen heeft. Wat verzoeker nog rest is een beroep op de hardheidsclausule, waarin zijn belangen worden afgewogen tegen de belangen van verweerder bij een evenwichtige woonruimteverdeling om te bezien of de afwijzing tot een bijzondere hardheid leidt.


14. Verzoeker voert in dat kader aan dat verweerder zijn belangen in het primaire besluit niet heeft afgewogen. Verzoeker is van mening dat zijn gezondheidssituatie voor moet gaan op de formele aspecten voor de verkrijging van een urgentieverklaring. Verzoeker wenst in de korte tijd die hem rest in rust en omringd door geliefden te leven en te sterven. Het is voor verzoeker gelet op zijn culturele achtergrond heel belangrijk dat zijn familie uit Zweden naar Nederland komt om hem in zijn eigen woning te kunnen verzorgen en dat is in de huidige woonruimte niet mogelijk.


15. Verweerder stelt zich hierover ter zitting op het standpunt dat niet wordt toegekomen aan de hardheidsclausule en ook niet aan de bepaling in de Verordening die gaat over mantelzorg. Verzoeker heeft woonruimte en moet volgens verweerder zoals is toegelicht in het primaire besluit eerst onderzoeken of er alternatieve woonvormen of vormen van zorg voor hem zijn, voordat verweerder aan een beoordeling van een bijzondere hardheid toekomt. Mede gelet op de tijd die ook wanneer iemand urgentie is verleend is gemoeid met het vinden van gepaste woonruimte, aldus verweerder.


16. De Verordening biedt verweerder in artikel 5.1 de mogelijkheid in de gevallen waarin de toepassing van de Verordening naar het oordeel van verweerder tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van verzoeker af te wijken van de verordening. Omdat verweerder op grond van deze bepaling beleids- en beoordelingsvrijheid heeft, dient de voorzieningenrechter de beslissing van verweerder hierover terughoudend te toetsen.


17. De voorzieningenrechter constateert dat uit het primaire besluit niet blijkt dat verweerder getoetst heeft aan de hardheidsclausule. De door verweerder in dit kader ter zitting naar voren gebrachte stelling dat verzoeker eerst moet onderzoeken of er alternatieve woonvormen voor hem zijn, wordt door de voorzieningenrechter niet zonder nadere motivering gevolgd. Deze voorwaarde blijkt immers niet uit de Verordening. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe de belangen genoemd door verzoeker worden gewogen ten opzichte van het algemeen belang van de zijde van verweerder, zoals zijn medische toestand, de toenemende zorg, de gewenste overkomst van zijn enige familieleden vanuit Zweden, het feit dat hij geen paspoort heeft en niet kan reizen. Verweerder heeft een situatieschets gemaakt en daarin de medische situatie, de gewenste overkomst van familie en de toenemende zorg in het primaire besluit benoemd, maar dat die aspecten zijn meegenomen in een belangenafweging is uit het besluit niet af te leiden. Omdat verweerder niet aan de hardheidsclausule heeft getoetst en verzoekers belangen niet kenbaar zijn gewogen om te onderzoeken of de nadelige gevolgen van de afwijzing niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, is er sprake van een gebrek in het primaire besluit. Verweerder had in de aanvraag en de gegevens van de huisarts aanleiding moeten zien tot een dergelijke weging over te gaan.

18. Ondanks dat er in het primaire besluit gebreken zijn geconstateerd, leidt dat de voorzieningenrechter niet tot een toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter is namelijk van oordeel dat de gebreken zich lenen voor herstel in de bezwaarprocedure. Op voorhand acht de voorzieningenrechter de door verzoeker aangevoerde omstandigheden niet dusdanig bijzonder of dusdanig ernstig dat de kans dat het beroep op de hardheidsclausule of het evenredigheidsbeginsel inhoudelijk zal slagen. Daarbij acht de voorzieningenrechter met name van belang dat verzoeker woonruimte heeft die medisch gezien op dit moment volstaat. Dit betekent dat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter op dit moment geen reden is om te bepalen dat verzoeker een urgentieverklaring toegewezen krijgt of anderszins een voorlopige voorziening toe te wijzen voor de periode tot op het bezwaar is beslist. Dit doet niets af aan het feit dat verweerder de persoonlijke omstandigheden van verzoeker in het kader van de heroverweging in bezwaar dient mee te wegen en dient te bezien, en nader te motiveren, of de belangenafweging aanleiding vormt om de hardheidsclausule toe te passen.


19. De opmerking van verweerder ter zitting dat niet toegekomen wordt aan een beoordeling van de aanvraag in het kader van benodigde mantelzorg behoeft hier geen verdere bespreking, omdat niet is gebleken dat verzoeker afhankelijk is van mantelzorg.


20. Wat verder is aangevoerd geeft geen aanleiding voor een andere conclusie. Het verzoek wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2017.






griffier voorzieningenrechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.