Rechtbank Midden-Nederland, 19-12-2017 / 450078 / HA RK 17-263


ECLI:NL:RBMNE:2017:6561

Inhoudsindicatie
Wrakingszaak.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-12-19
Publicatiedatum
2017-12-27
Zaaknummer
450078 / HA RK 17-263
Procedure
Wraking
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER


Locatie: Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer: 450078 / HA RK 17-263


Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

19 december 2017


op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van:


[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

(verder te noemen: verzoeker).



1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het proces-verbaal van de zitting van 15 november 2017;
  • - een fax van 16 november 2017 waarin namens verzoeker een verzoek tot wraking van mr. K. de Meulder is ingediend;
  • - een schriftelijke reactie van 29 november 2017 van mr. K. de Meulder.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 5 december 2017 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

Bij de mondelinge behandeling zijn verzoeker, diens gemachtigde mr. J.R.A. Röschlau (hierna: de gemachtigde) en mr. K. de Meulder verschenen.


1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.



2Het wrakingsverzoek en het verweer


2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. K. de Meulder als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met de kenmerken UTR 17/2374 en UTR 17/4265.


2.2.

Namens verzoeker is – zakelijk weergegeven – naar voren gebracht dat de rechter partijdig was, dan wel de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Dit blijkt uit het volgende. Vanaf het begin van de zitting heeft de rechter aangegeven dat de gemeente volgens de heersende jurisprudentie mocht doen wat ze heeft gedaan. Daarbij is verzoeker de mond gesnoerd. Een goed onderzoek ter zitting was niet mogelijk nu de rechter kennelijk al een oordeel had geveld. Voorts heeft de rechter op geen enkele wijze kritische vragen gesteld aan de gemeente over de door verzoeker aangevoerde punten. De gemeente heeft voorts geen verantwoording hoeven afleggen. De partner van verzoeker is als toeschouwer buiten spel gezet, nu zij tijdens de zitting in het publieksgedeelte van de zittingszaal diende plaats te nemen. Tevens heeft de rechter de gemachtigde niet de gelegenheid gegeven om alle kostenposten, ter zake van de schade die verzoeker door het optreden van de gemeente heeft geleden, nader toe te lichten. De gemachtigde voelde zich vervolgens niet meer vrij deze toe te lichten, nadat hij door de rechter werd onderbroken met een vraag. Tot slot is wat betreft de kosten de bezwaarfase overgeslagen.


2.3.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In zijn schriftelijke reactie heeft hij op de verschillende door verzoeker genoemde punten een reactie gegeven. In het vervolg van deze beschikking zal nader op deze reactie worden ingegaan.



3De beoordeling


3.1.

Artikel 8:15 Awb bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek

van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de

rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.


3.2.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.


3.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.


3.4.

In zijn schriftelijke reactie heeft de rechter naar voren gebracht dat hij verzoeker en de gemachtigde de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft voorgehouden en heeft gevraagd welke betekenis deze rechtspraak naar de mening van de gemachtigde voor de zaak van verzoeker heeft. De rechter heeft verzoeker en de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om op deze rechtspraak te reageren aan de hand van de concrete omstandigheden van de zaak. De onderhavige zaak betreft bestuurlijke handhaving, waarbij de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State weinig ruimte biedt om in individuele gevallen af te wijken van de lijn dat bij een overtreding handhaving in beginsel geboden is. Juist in het licht van genoemde rechtspraak vond de rechter het belangrijk dat verzoeker de gelegenheid kreeg om duidelijk te maken welke specifieke omstandigheden in zijn zaak aanleiding zouden moeten geven om van handhaving af te zien.


Wat betreft het niet stellen van kritische vragen aan de gemeente heeft de rechter naar voren gebracht dat hij aan de gemeente enkele feitelijke vragen heeft gesteld en dat hij zich daarna voldoende geïnformeerd achtte.


De partner van verzoeker is formeel geen partij in de procedure. Desondanks heeft de rechter haar in de gelegenheid gesteld om haar standpunten uiteen te zetten. Hij kan zich niet herinneren of is gevraagd of de partner naast verzoeker mocht plaatsnemen. Als dit was gebeurd, had dit gemogen, aldus de rechter.


Over het niet kunnen doorlopen van alle kostenposten heeft de rechter naar voren gebracht dat hij, tijdens de bespreking van dit punt, een vraag heeft gesteld aan de gemachtigde. Met het stellen van deze vraag heeft hij de gemachtigde geenszins de mogelijkheid willen ontnemen om daarna nog een nadere toelichting te geven op deze kostenposten. Daarbij heeft de rechter opgemerkt dat hij alle betrokkenen meermalen de gelegenheid heeft gegeven nog wat naar voren te brengen indien zij dit wensten.


Wat betreft het overslaan van de bezwaarfase heeft de rechter tot slot naar voren gebracht dat het bezwaar tegen het kostenverhaalbesluit in beginsel van rechtswege door de rechtbank dient te worden betrokken in de beroepsprocedure tegen het handhavingsbesluit, tenzij de rechtbank anders beslist. De rechtbank moet daarover nog een beslissing nemen.


3.5.

In de wijze waarop de rechter de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aan verzoeker en de gemachtigde heeft voorgehouden ziet de wrakingskamer, mede gelet op de door de rechter gegeven toelichting, geen aanleiding voor de conclusie dat bij de rechter sprake is van (de schijn van) vooringenomenheid. Het ligt veeleer op de weg van een rechter, zoals de rechter ter zitting van de wrakingskamer ook heeft opgemerkt, om deze rechtspraak aan procespartijen voor te houden teneinde hen in de gelegenheid te stellen om – in het licht van die rechtspraak – relevante feiten en omstandigheden naar voren te brengen. De stelling dat verzoeker daarbij de mond zou zijn gesnoerd, vindt geen steun in het proces-verbaal ter zitting. Integendeel, uit dit proces-verbaal blijkt dat verzoeker juist in de gelegenheid is gesteld om argumenten naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is, blijkens het proces-verbaal, ook gebruik gemaakt.


Ten aanzien van het niet stellen van kritische vragen aan de gemeente dan wel het ter verantwoording roepen van de gemeente, overweegt de wrakingskamer dat het aan de behandelend rechter is om te beslissen op welke vragen hij een antwoord wil verkrijgen dan wel of het nodig (en mogelijk) is om een partij ter verantwoording te roepen. Van belang is dat uit de stukken niet is gebleken dat de rechter de aan de orde zijnde rechtsvragen (en de feitelijke onderbouwing daarbij) ter zitting niet heeft willen bespreken. Dat aan een van de procespartijen weinig of geen kritische vragen zijn gesteld, wat daar verder ook van zij, kan niet leiden tot de conclusie dat daarom bij de rechter sprake is van (de schijn van) vooringenomenheid.


De door verzoeker aangehaalde beslissing betreffende zijn partner is een procesbeslissing. Een procesbeslissing levert op zichzelf geen grond voor wraking op, tenzij deze beslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze niet anders kan worden verklaard dan vanuit een gebrek aan onpartijdigheid. Uit het voorgaande volgt dat de rechter heeft toegelicht waarom hij de door verzoeker genoemde procesbeslissing heeft genomen. Van een situatie dat de beslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze niet anders kan worden verklaard dan vanuit een gebrek aan onpartijdigheid is, mede gelet op deze toelichting, geen sprake.


Wat betreft het niet kunnen doorlopen van alle kostenposten overweegt de wrakingskamer dat uit het voorgaande is gebleken dat de gemachtigde, nadat de rechter hem een vraag had gesteld, zelf heeft beslist om niet een nadere toelichting te geven op de kostenposten. Ook in zoverre is dus geen sprake van feiten of omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat bij de rechter sprake is van (de schijn van) partijdigheid.


Tot slot oordeelt de wrakingskamer dat een beslissing tot het al dan niet overslaan van de fase van bezwaar een inhoudelijke beslissing betreft die in het kader van de bestuursrechtelijke procedure nog dient te worden genomen. Hetgeen hieromtrent door of namens verzoeker is aangevoerd kan niet leiden tot de conclusie dat bij de rechter sprake is van (de schijn van) partijdigheid.


3.6.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.



4De beslissing


De wrakingskamer:


4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;


4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Civiel recht en Bestuursrecht en de president van deze rechtbank;


4.3.

bepaalt dat de zaken van verzoeker met het kenmerk UTR 17/2374 en UTR 17/4265 dienen te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.



Deze beslissing is gegeven door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mr. M.J. Slootweg en

mr. K.J. Veenstra als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. N. Kruijswijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2017.



de griffier de voorzitter











Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.