Rechtbank Midden-Nederland, 21-12-2017 / 16/652609-16 (P)


ECLI:NL:RBMNE:2017:6569

Inhoudsindicatie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer heeft mishandeld. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 50 uren. Tevens beveelt de rechtbank dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 25 dagen jeugddetentie.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-12-21
Publicatiedatum
2017-12-27
Zaaknummer
16/652609-16 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht


Parketnummer: 16/652609-16 (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van 21 december 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte] ,

geboren op [2000] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] te [woonplaats] .



1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 5 en 7 december 2017.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R. Leuven en van hetgeen verdachte en mr. E.H. Bokhorst, advocaat te Veenendaal, naar voren hebben gebracht.



2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is op de terechtzitting van 5 december 2017 gewijzigd. De (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


primair: op 5 november 2015 in Woerden samen met anderen door gebruik te maken van geweld een laptoptas met inhoud heeft gestolen van [slachtoffer] ;


subsidiair: op 5 november 2015 in Woerden samen met anderen [slachtoffer] heeft mishandeld.



3VOORVRAGEN


De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.










4WAARDERING VAN HET BEWIJS


4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat niet bewezen kan worden dat verdachte samen met anderen [slachtoffer] heeft belaagd en diens tas heeft gestolen, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en het subsidiair tenlastegelegde.


4.3

Het oordeel van de rechtbank


4.3.1

Bewijsmiddelen

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 5 november 2015 omstreeks 20.19 uur op het treinstation in Woerden aankwam. Hij liep naar de uitgang Zuidzijde en zag vier jongens naar buiten gaan. Een vrouw zei tegen de jongens dat zij de deur op slot hadden gedaan. Hij zei ook tegen de jongens dat zij de deur op slot hadden gezet. Buiten op het plein voor het station kwamen de vier jongens, waarvan twee jongens op de fiets waren, zijn richting op. Ze zeiden dat hij zich er niet mee moest bemoeien. Een van de jongens droeg een pet. De jongens draaiden om [slachtoffer] heen en kwamen steeds dichterbij. De jongen met de pet probeerde [slachtoffer] te slaan. [slachtoffer] voelde dat één van de klappen op zijn neus kwam en één op zijn achterhoofd. Vervolgens maakte de jongen met de pet een soort hoekbewegingen en [slachtoffer] voelde dat hij geraakt werd op zijn neus. Hij zag dat dat met een vuist was. Ook voelde hij een klap op zijn wang. Hij weet zeker dat de jongen met de pet die klap gaf, omdat hij de enige was die dichtbij genoeg was om te kunnen slaan. [slachtoffer] voelde pijn aan zijn wang en neus. [slachtoffer] heeft ook verklaard dat op het moment dat dit voorval zich afspeelde er buiten hemzelf en de vier jongens, niemand op het plein voor het station was.


De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij op 5 november 2015 in de trein zat van Utrecht naar Woerden en dat zij in de trein vier jongens zag, waarvan één met een pet. Zij zag dat de vier jongens ook in Woerden uitstapten. Zij zag drie jongens uit het station komen, maar hoorde later zij van haar man dat hij er vier had gezien. Vervolgens zag zij dat twee van de vier jongens een fiets pakten.


Op camerabeelden van 5 november 2015 is te zien dat omstreeks 20.23 uur vier jongens door de toegangs- c.q. uitgangspoortjes lopen richting de uitgang aan de zuidkant van station Woerden. Een van deze jongens, de jongen met de pet, wordt door verbalisanten herkend als verdachte.


Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 5 november 2015 omstreeks 20.23 uur met drie andere jongens van Utrecht naar Woerden is gereisd en via de toegangspoortjes het station Woerden Zuidzijde heeft verlaten. Hij heeft daarnaast verklaard dat hij op de camerabeelden te zien is als de jongen met de pet. Ook heeft verdachte verklaard dat er een discussie was tussen de groep jongens met wie hij daar was en mensen die hen aanspraken op hun gedrag.


4.3.2

Vrijspraak van het primair tenlastegelegde

Aangever heeft verklaard dat hij na de vechtpartij zag dat zijn laptoptas was verdwenen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de laptoptas van de aangever is weggenomen. De rechtbank acht het aannemelijk dat een van de vier genoemde jongens deze tas heeft weggenomen. Onvoldoende is evenwel komen vast te staan dat verdachte of zijn vrienden het oogmerk hadden al dan niet gezamenlijk de laptoptas van het slachtoffer te stelen en wie deze tas uiteindelijk heeft weggenomen. Ook blijkt niet dat het geweld dat is gebruikt bedoeld was om deze diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, dan wel om de vlucht mogelijk te maken of het bezit van het gestolene te verzekeren. Het toegepaste geweld lijkt het rechtstreekse gevolg te zijn van de discussie die aangever met de jongens had. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige feiten en omstandigheden daarom niet zijn aan te merken als een ‘diefstal (in vereniging) met geweld’, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.


4.3.3

Bewijsoverweging ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat zij de jongens hebben zien wegfietsen en dat zij niet hebben verklaard over een mishandeling. Volgens de raadsman kan daarom niet worden bewezenverklaard dat verdachte aangever mishandeld heeft. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij zag dat twee van de vier jongens een fiets pakten en dat zij daarna naar huis is gegaan. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij de jongens op fietsen zag wegrijden naar de Van der Valk Boumanlaan in Woerden. Aangever heeft verklaard dat hij twee jongens op een fiets op het plein voor het station zag en dat die jongens een beetje rondreden. De andere twee jongens liepen rond op het plein. Verder was er niemand op het plein. Aangever heeft ook verklaard dat hij een vrouw zag weggaan en dat de vier jongens daarna in zijn richting kwamen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de mishandeling heeft plaatsgevonden nadat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zijn weggegaan.


De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het medeplegen van dit feit, omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de andere drie jongens.



5BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:


(subsidiair)


op 5 november 2015 te Woerden [slachtoffer] heeft mishandeld door meermaals (met de vuist) tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan.



Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.


Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.



6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Het bewezenverklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:


mishandeling.



7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.



8OPLEGGING VAN STRAF


8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een werkstraf van 120 uur, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen jeugddetentie.


8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de vordering van de officier van justitie geen recht doet aan het tijdsverloop en het feit dat verdachte de afgelopen twee jaar niet in aanraking is geweest met politie en justitie.


8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.


Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 23 oktober 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit;

- een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 28 november 2017, waarin wordt geadviseerd om aan verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen.


De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS gaan voor mishandeling door een minderjarige dader, waarbij meerdere klappen worden uitgedeeld, uit van een taakstraf van 40 uur. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat verdachte op het moment van de mishandeling vergezeld was door drie andere jongens en dat zij met zijn vieren om het slachtoffer heen draaiden en steeds dichterbij kwamen, waardoor een voor het slachtoffer beangstigende en bedreigende situatie is ontstaan, en dat het feit zich in het openbaar heeft afgespeeld.

De rechtbank is van oordeel dat het tijdsverloop zodanig is, dat niet meer gezegd kan worden dat de behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De rechtbank zal de overschrijding van bedoelde termijn verdisconteren in de strafmaat.


De rechtbank acht, alles afwegende, in beginsel een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uur, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, passend en geboden. De rechtbank zal echter, vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, in plaats daarvan een werkstraf voor de duur van 50 uur, subsidiair 25 dagen jeugddetentie, opleggen.



9TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.




10BESLISSING


De rechtbank:


Vrijspraak

- verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;


- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;


- verklaart verdachte strafbaar;


Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 50 uren;


- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 25 dagen jeugddetentie.



Dit vonnis is gewezen door mr. H.F. Koenis, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. A.C. van den Boogaard en D. Riani el Achhab, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Prinsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 december 2017.



Bijlage: de tenlastelegging


Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:


hij op of omstreeks 05 november 2015 te Woerden, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:

- een laptop (merk: Dell) en/of

- een laptoptas (merk: Dell, kleur: zwart) en/of

- een computermuis (met een USB-aansluiting, kleur: zwart) en/of

- een laptopoplader (merk: Dell) en/of

- één of meerdere bankpas(sen) (bank: ING) en/of

- één of meerdere bankpasreader(s) (bank: ING) en/of

- één of meerdere bankversleutela(a)r(en) (bank: SEB Bank en Wells Fargo

Bank) en/of

- een toegangspas voor het bedrijf [bedrijf] ;

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of

[bedrijf] B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen

voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat:

- hij (een) slaande/zwaaiende beweging(en) heeft gemaakt in de richting van

voornoemde [slachtoffer] en/of

- hij één of meerdere malen (met de vuist) heeft geslagen in/tegen het

gezicht en/of het hoofd, in ieder geval op/tegen het lichaam van voornoemde

[slachtoffer] ;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht


subsidiair


hij op of omstreeks 5 november 2015 te Woerden, in elk geval in Nederland, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] , heeft mishandeld

door een of meermaals (met de vuist) op/tegen het hoofd en/of tegen het lichaam van die

[slachtoffer] te slaan;

Art 300 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 8 maart 2017, genummerd 2015335038 (Algemeen Dossier), opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 131. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2 Proces-verbaal aangifte, doorgenummerde pagina’s 32 en 33.
3 Proces-verbaal aangifte, doorgenummerde pagina 33.
4 Proces-verbaal aangifte, doorgenummerde pagina 34.
5 Proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde pagina 57.
6 Proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde pagina 58.
7 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina 48.
8 Processen-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina’s 66, 69 en 72.
9 Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte, doorgenummerde pagina 25.
10 Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte, doorgenummerde pagina 26.