Rechtbank Midden-Nederland, 21-12-2017 / 16/652606-16 (P)


ECLI:NL:RBMNE:2017:6573

Inhoudsindicatie
Verdachte heeft in een tijdsbestek van een aantal maanden een aantal nare en overlastgevende misdrijven gepleegd. Zo heeft verdachte een sporttas gestolen van iemand die op dat moment aan het sporten was en heeft hij zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de diefstal van telefoons bij een recreatieplas. Voorts heeft verdachte op een druk plein samen met anderen geweld gebruikt tegen een persoon, die als slachtoffer nadien heeft verklaard dat het geweld hem bijzonder heeft aangegrepen en angst teweeg heeft gebracht. Verder heeft verdachte met anderen tijdens oud en nieuw geweld gepleegd tegen een auto, door deze in brand te steken. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het geweld tegen de auto onderdeel was van een reeks autobranden die gedurende die avond en nacht in Woerden hebben plaatsgevonden. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 2 maanden. de rechtbank bepaalt dat deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 jaar. De rechtbank stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; - veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 190 uren; - beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 95 dagen jeugddetentie.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-12-21
Publicatiedatum
2017-12-27
Zaaknummer
16/652606-16 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht


Parketnummer: 16/652606-16 (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van 21 december 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte] ,

geboren op [1999] te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende aan de [adres] te [woonplaats] .



1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 5 en 7 december 2017.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R. Leuven en van hetgeen verdachte en mr. M. Veldman, advocaat te Utrecht, alsmede de benadeelde partij [slachtoffer 1] naar voren hebben gebracht.



2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


onder 1 primair: op 30 juni 2015 in Woerden, samen met een ander twee telefoons heeft gestolen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ;


onder 1 subsidiair: in de periode van 30 juni 2015 tot en met 1 maart 2016 in Woerden telefoons voorhanden heeft gehad die van diefstal afkomstig waren;


onder 2: op 20 oktober 2015 in Woerden een rugzak met inhoud heeft gestolen van [benadeelde 3] ;


onder 3: op 21 oktober 2015 in Woerden openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] ;


onder 4: op 5 november 2015 in Woerden samen met anderen met gebruikmaking van geweld een laptoptas met inhoud heeft gestolen van [slachtoffer 2] ;


onder 5: in de periode van 31 december 2015 tot en met 1 januari 2016 in Woerden openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen 5 voertuigen.



3VOORVRAGEN


Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

3.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, aangezien verdachte door het trage en onvolledige onderzoek van de politie in zijn belangen is geschaad. Het horen van getuigen of het doen van andere onderzoekswensen, is zo lang na datum bijna zinloos.


3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet objectief vast te stellen valt dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek en dat een eventueel onzorgvuldig onderzoek bovendien niet in de weg hoeft te staan aan het doen van onderzoekswensen. Het tijdsverloop is wel lang, maar niet zodanig lang dat het openbaar ministerie hierdoor niet-ontvankelijk is in de vervolging.


3.3

Het oordeel van de rechtbank

Het is de rechtbank niet gebleken dat verdachte door de wijze waarop het onderzoek is verricht in zijn belangen is geschaad. Als daar al sprake van zou zijn, dan leidt dit niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.

Wel is het zo dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad leidt een overschrijding van de redelijke termijn echter - ook bij verdachten die minderjarig waren ten tijde van de tenlastegelegde feiten - niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De rechtbank acht de officier van justitie dan ook ontvankelijk in de vervolging en zal, indien aan alle overige voorwaarden voor bestraffing is voldaan, de overschrijding van de bedoelde termijn verdisconteren in de strafmaat.


Verder is de dagvaarding geldig, is de rechtbank bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde en zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging.



4VRIJSPRAAK


Ten aanzien van feit 4:

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op 5 november 2015 bij het station van Woerden een discussie had met vier jongens, dat hij is geslagen en dat hij na de vechtpartij zag dat zijn laptoptas was verdwenen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de laptoptas van de aangever is weggenomen. De rechtbank acht het aannemelijk dat een van de vier genoemde jongens deze tas heeft weggenomen en dat verdachte een van deze jongens was. Onvoldoende is evenwel komen vast te staan dat verdachte of zijn vrienden het oogmerk hadden al dan niet gezamenlijk de laptoptas van het slachtoffer te stelen en wie deze tas uiteindelijk heeft weggenomen. Ook blijkt niet dat het geweld dat is gebruikt bedoeld was om deze diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, dan wel om de vlucht mogelijk te maken of het bezit van het gestolene te verzekeren. Het toegepaste geweld lijkt het rechtstreekse gevolg te zijn van de discussie die aangever met de jongens had. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige feiten en omstandigheden daarom niet zijn aan te merken als een ‘diefstal (in vereniging) met geweld’, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde.



5VERWEER TEN AANZIEN VAN HET BEWIJS


5.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat sprake is van een schending ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering in het voorbereidend onderzoek, te weten een schending van het recht op privacy, neergelegd in artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Deze schending bestaat eruit dat grote hoeveelheden WhatsAppberichten uit smartphones zijn uitgelezen en opgenomen in het procesdossier. Uit het dossier wordt niet duidelijk op grond van welke bevoegdheid het onderzoek aan de smartphones heeft plaatsgehad. Dit onherstelbare vormverzuim moet leiden tot uitsluiting van het bewijs.


5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat met betrekking tot het onderzoek aan telefoons is gehandeld conform de destijds geldende regelgeving.


5.3

Het oordeel van de rechtbank

De door de raadsvrouw bedoelde WhatsAppberichten zijn aangetroffen op een telefoon van een medeverdachte. Wat er ook zij van de wettelijke grondslag van het onderzoek aan die telefoon, verdachte kan geen aanspraak maken op het recht op privacy, in de zin van artikel 8 van het EVRM, dat een ander toekomt. Van zeer uitzonderlijke omstandigheden die een doorbreking van deze zogenoemde Schutznorm kunnen rechtvaardigen is niet gebleken.

Er is dan ook geen sprake van een schending ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, zodat de rechtbank niet zal overgaan tot uitsluiting van bewijs.


In dit verband verdient overigens nog opmerking dat de rechterlijke vaststelling van een schending van artikel 8 EVRM nog geenszins een schending van het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM, impliceert. Pas in het laatstgenoemde geval zal de rechter in de regel toepassing van de sanctie van bewijsuitsluiting dienen te overwegen.



6WAARDERING VAN HET BEWIJS


6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen.


6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte van het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, aangezien er onvoldoende bewijs is dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde geldt dat verdachte moet worden vrijgesproken, nu het opzet dan wel de wetenschap dat de telefoon van diefstal afkomstig was, ontbreekt.

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging in het bijzonder aangevoerd dat aan de herkenning door de vader van verdachte geen bewijskracht kan worden toegekend, aangezien deze enkelvoudige herkenning onbetrouwbaar is. Met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw voorwaardelijk verzocht, in het geval de rechtbank van oordeel is dat het feit bewezen kan worden verklaard, om de behandeling van de zaak aan te houden om in het belang van de verdediging [slachtoffer 1] als getuige te horen met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde.



6.3

Het oordeel van de rechtbank


6.3.1.

Bewijsmiddelen


Ten aanzien van feit 1

[benadeelde 1] heeft verklaard dat hij op 30 juni 2015 met vrienden op een groenweide langs de weg Stormeer in Woerden was. Nadat zij gezwommen hadden wilde hij zijn telefoon, een iPhone 4, pakken, maar die lag niet meer onder zijn handdoek. Hij hoorde zijn vriend [benadeelde 2] zeggen dat ook hij zijn telefoon niet kon vinden. De telefoons moesten zijn gestolen.

[benadeelde 2] heeft in zijn aangifte aangegeven dat zijn telefoon, een Samsung Galaxy S5, op 30 juni 2015 bij het Sneekermeer aan het Stormeer te Woerden is gestolen.


Een getuige die anoniem wilde blijven heeft tegenover de politie verklaard dat hij op 30 juni 2015 bij het Sneekermeer in Woerden een groepje van ongeveer 6 à 7 jongens zag wegrennen. Hij herkende [verdachte] en [medeverdachte 1] in het groepje. Hij zag dat een aantal mensen aan het meer aan het zoeken was naar hun telefoons. Volgens deze getuige was het wel duidelijk dat het groepje verantwoordelijk was voor een aantal diefstallen van telefoons.


[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij wist dat [medeverdachte 1] en [verdachte] zich bezig hielden met het plegen van diefstallen en dat zij de diefstallen bij de recreatieplas in Woerden in de zomer van 2015 hadden gepleegd.


Bij een doorzoeking in de woning van verdachte werd in de slaapkamer van [verdachte] en [medeverdachte 1] de gestolen Samsung Galaxy van aangever [benadeelde 2] aangetroffen.


Uit onderzoek is gebleken dat de gestolen Samsung Galaxy op 2 juli 2015 in gebruik ging bij het telefoonnummer dat destijds door [verdachte] in gebruik was.


Overweging ten aanzien van feit 1

De verklaring van verdachte dat hij de Samsung Galaxy gekocht heeft van een vriend voor € 250,-, vindt de rechtbank niet aannemelijk. Deze verklaring wordt op geen enkele wijze ondersteund en wordt weerlegd door voormelde bewijsmiddelen.






Ten aanzien van feit 2

Namens [benadeelde 3] werd aangifte gedaan van diefstal van een rugtas met inhoud. [benadeelde 3] was op 20 oktober 2015 op sportcomplex [sportcomplex] in [woonplaats] . Hij had zijn zwarte rugzak van het merk O’Neill in een speciale kast voor sporttassen neergezet en was gaan trainen. Toen hij na de training de tas wilde pakken, stond deze niet meer in de kast. In de tas zat een witte telefoon van het merk Samsung, een zwart trainingspak van het merk Puma, rode schoenen van het merk Antony Morato, maat 44, een zwarte koptelefoon van het merk Philips en een sleutelbos.


De getuige [getuige 1] herkende op de camerabeelden [verdachte] . Zij zag dat de jongen een rode Adidas trainingsbroek met witte strepen aan de zijkant aanhad. De dag nadat zij de beelden had bekeken, zag zij [verdachte] met dezelfde broek.


Aan de vader van verdachte zijn ook de camerabeelden getoond. Hij zei dat het voor anderen inderdaad lastig is om onderscheid te maken tussen zijn beide zoons. Bij het zien van de beelden zei de vader meerdere malen dat de jongen die de rugtas wegneemt zijn zoon [verdachte] is.


Overweging ten aanzien van feit 2

De rechtbank kent aan de herkenning door de vader van verdachte bij de politie bewijskracht toe, nu de vader van verdachte tegenover de politie heeft verklaard dat het voor anderen - maar kennelijk niet voor hem - moeilijk is zijn zoons uit elkaar te halen. Vervolgens heeft hij bij het zien van de camerabeelden meerdere malen gezegd dat hij zijn zoon [verdachte] op de beelden zag. In de verklaring van de vader van verdachte ter terechtzitting van 5 december 2017 dat hij zijn zoons [verdachte] en [medeverdachte 1] niet altijd goed uit elkaar kan houden, ziet de rechtbank geen reden te twijfelen aan zijn uitlatingen bij het zien van de camerabeelden.


Ten aanzien van feit 3

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 21 oktober 2015 samen met [getuige 2] naar de Woerdense nacht in Woerden was. Hij zag daar [verdachte] . [verdachte] kwam op hem aflopen. [slachtoffer 1] zag dat [verdachte] een vuist maakte en uithaalde. [slachtoffer 1] voelde een klap in zijn gezicht. Hij zag dat andere jongens erbij kwamen staan. Daarna voelde hij verschillende klappen op zijn hoofd. Later hoorde hij dat hij door [verdachte] , [A] en [medeverdachte 1] was geslagen. [slachtoffer 1] voelde een harde klap op zijn achterhoofd. Hij voelde dat dit met een voorwerp gebeurde. Later bleek het met een fiets te zijn geweest. Hierna kon [slachtoffer 1] wegrennen en toen hij achterom keek, zag hij dat er een groep van ongeveer 25 personen achter hem aan rende. [slachtoffer 1] heeft hierdoor verschillende kneuzingen en schaafwonden in zijn gezicht en op zijn lichaam opgelopen.






De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 21 oktober 2015 samen met [slachtoffer 1] in Woerden was en dat hij daar een groep van ongeveer 25 personen zag. Hij zag dat [verdachte] deel uitmaakten van de groep. Hij kent [verdachte] van school, hij heeft bij hem in de klas gezeten. Hij kent ook de broer van [verdachte] , [medeverdachte 1] en hij kent beide broers zo goed dat hij weet wie wie is. [verdachte] is volgens de getuige dikker dan [medeverdachte 1] . De getuige verklaart dat [verdachte] richting [slachtoffer 1] liep en [slachtoffer 1] in zijn gezicht sloeg met zijn vuist. Daarna zag hij dat [verdachte] meerdere slaande bewegingen maakte richting [slachtoffer 1] . Er kwamen ineens veel anderen om [slachtoffer 1] heen staan. [getuige 2] zag dat [slachtoffer 1] door meerdere jongens getrapt werd en dat [slachtoffer 1] hierdoor op de grond viel. Vervolgens zag [getuige 2] dat een fiets tegen het achterhoofd van [slachtoffer 1] aan werd gegooid.


De getuige [getuige 3] heeft gezien dat een van de tweelingbroers [tweelingbroers] met zijn vuist [slachtoffer 1] op het hoofd sloeg. Zij zag ook dat andere jongens [slachtoffer 1] sloegen. Vervolgens zag [getuige 3] dat een fiets tegen het hoofd van [slachtoffer 1] werd gegooid.


Overweging

De rechtbank wijst af het voorwaardelijke verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak voor het horen van aangever [slachtoffer 1] als getuige. De rechtbank gaat daarbij uit van het zogenoemde noodzaakscriterium, nu het verzoek eerst ter zitting is gedaan en er geen sprake is van een meegebrachte getuige. De rechtbank ziet in de gebezigde bewijsmiddelen geen aanknopingspunten die het horen van de genoemde getuige noodzakelijk maken. Het feit dat aangever in zijn slachtofferverklaring ter zitting geen namen heeft genoemd van verdachten maakt dat voor de rechtbank niet anders.


Ten aanzien van feit 5

Op oudjaarsavond en in de oudjaarsnacht van 31 december 2015 op 1 januari 2016 werd in Woerden een aantal brandstichtingen dan wel vernielingen gepleegd door een groep jongeren. Verdachte is die nacht door de politie gecontroleerd.


Ten aanzien van de Renault Megane met kenteken [kenteken]

[benadeelde 4] heeft verklaard dat haar auto, een Renault Megane met kenteken [kenteken] , op 31 december 2015 geparkeerd stond voor haar woning aan [adres] in [woonplaats] en dat zij rond 23.55 uur hoorde dat haar auto helemaal uitgebrand was. Zelf had ze niets van de brand gezien, maar zij zag bij thuiskomst dat de auto volledig uitgebrand was.


De politie zag rond 23.40 uur een Renault Megane op de oprit van de woning aan [adres] in [woonplaats] in brand staan. De politie hoorde van een buurtbewoner dat zij omstreeks 23.30 uur een harde knal hoorde en dat zij vervolgens zag dat er op [adres] een auto in brand stond. Zij zag dat de vlammen uit de raamopening van het bijrijdersportier kwamen.


De medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat er die avond auto’s in brand werden gestoken door een ruitje in te tikken en er mortieren, vuurpijlen, nitraten en/of (was)benzine in te gooien. Ook heeft [medeverdachte 3] verklaard dat de brandstichtingen zijn gepleegd door jongens die bij een grote groep hoorden. Tot de groep behoorden ook twee jongens die ‘achtling’ genoemd worden, [medeverdachte 1] en [verdachte] .


De dochter van aangeefster, [getuige 4] , heeft verklaard dat op 1 januari 2016 haar een scooter tegemoet reed waar vier personen op zaten en dat die jongens een aantal keer riepen: “ [getuige 4] , je auto is afgebrand”. Een van deze jongens was [medeverdachte 1] .


[benadeelde 4] heeft ook verklaard dat haar dochter, [getuige 4] , na de brandstichting een bericht via Instagram heeft ontvangen van ene ‘ [instagramaccount] ’, het bericht hield in: “Iedereen gelukkig 2016 en succes met de nieuwe auto’s uitzoeken”. Bij het bericht waren meerdere foto’s van uitgebrande foto’s gevoegd.


[getuige 4] heeft verklaard dat de eigenaar van Instagramaccount ‘ [instagramaccount] ’ [verdachte] of [medeverdachte 1] is. Verder heeft [getuige 4] verklaard dat de accountnaam inmiddels is veranderd in ‘ [instagramaccount] _’, maar dat de profielfoto en de berichten nog hetzelfde zijn.


Verdachte heeft op de vraag van de politie waarom zij (de rechtbank begrijpt verdachte en zijn tweelingbroer) [bijnaam] worden genoemd verklaard dat zij ook [bijnaam] en [bijnaam] worden genoemd. Eén van zijn bijnamen is ‘ [bijnaam] ’. Ook heeft verdachte verklaard dat zijn Instagramaccount ‘ [instagramaccount] _’ is en dat dit eerder iets met ‘ [naam] ’ was.


Uit onderzoek naar WhatsAppgesprekken is gebleken dat het telefoonnummer dat in gebruik is bij verdachte, in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 4] met de naam ‘ [bijnaam] ’ was ingevoerd.


In een WhatsAppgesprek van 4 januari 2016 wordt gezegd dat de auto van [getuige 4] door [bijnaam] is gedaan.


Overweging ten aanzien van feit 5

De rechtbank overweegt dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte deel heeft uitgemaakt van de groep jongeren die in de nacht van 31 december 2015 op 1 januari 2016 (in wisselende samenstelling) verschillende auto’s in brand heeft gestoken. Uit de Whatsappberichten komt naar voren dat de Renault Megane in brand is gestoken door de ‘ [bijnaam] ’. Verdachte en zijn tweelingbroer worden ‘ [bijnaam] ’ genoemd. Op grond van deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in ieder geval samen met zijn tweelingbroer [medeverdachte 1] verantwoordelijk is voor de brandstichting in de auto van het merk Renault, type Megane, met kenteken [kenteken] .


6.3.2

Partiële vrijspraak feit 5


Ten aanzien van feit 5:

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijk geweld dat in de periode van 31 december 2015 tot en met 1 januari 2016 in Woerden gepleegd is tegen de volgende voertuigen:

- een personenauto van het merk Hyundai, type Tucson, met kenteken [kenteken] ;

- een vrachtwagen van het merk Mitsubishi, type Canter, met kenteken [kenteken] ;

- een personenauto van het merk Alfa, type Romeo, met kenteken [kenteken] ;

- een personenauto van het merk Toyota, type Aygo, met kenteken [kenteken] .

Verdachte wordt dan ook van die onderdelen van het onder 5 tenlastegelegde vrijgesproken.



7BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:


1.

Primair


op 30 juni 2015 te Woerden tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon van het merk Apple, type iPhone 4 en een telefoon van het merk Samsung, type Galaxy S5, toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] ;


2.


op 20 oktober 2015 te Woerden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een rugzak (merk: O'Neil, kleur: zwart) met daarin:

- een paar schoenen (merk: Antony Morato, kleur: rood, maat: 44) en

- kledingstukken (merk: Puma, kleur: zwart) en

- een telefoon (merk: Samsung, kleur: wit) en

- sleutels en

- een koptelefoon (merk: Philips, kleur: zwart),

toebehorende aan [benadeelde 3] ;









3.


op 21 oktober 2015 te Woerden openlijk, te weten op of aan de openbare weg en op een voor het publiek toegankelijke plaats, namelijk op het Kerkplein, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het meermalen slaan (met de vuist) in zijn gezicht en tegen zijn hoofd en het trappen tegen zijn lichaam, terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten schaafwonden en kneuzingen in het gezicht (waaronder een kneuzing van de oogkas) en wonden/kneuzingen op het lichaam voor voornoemde [slachtoffer 1] , ten gevolge heeft gehad;


5.


op 31 december 2015 te Woerden openlijk, te weten op of aan de openbare weg, namelijk aan de hieronder genoemde weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen één voertuig:

- een personenauto (merk: Renault, type: Megane, met kenteken: [kenteken] ) aan [adres]

welk geweld bestond uit:

- het tikken tegen één of meerdere ruit(en) van die personenauto en

- het (vervolgens) gooien van een (in brand gestoken) flesje gevuld met benzine en vastgemaakt aan een stuk vuurwerk, in die personenauto, terwijl dit door hem gepleegde geweld vernieling ten gevolge heeft gehad.


Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.



8STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:


onder 1 primair: Diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;


onder 2: Diefstal;


onder 3: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;


onder 5: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.



9STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.




10OPLEGGING VAN STRAF


10.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een jeugddetentie van 6 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als (bijzondere) voorwaarden dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van Samen Veilig en dat verdachte meewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek;

- een taakstraf van 180 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 90 dagen jeugddetentie.


10.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat, mocht de rechtbank tot een strafoplegging komen, rekening moet worden gehouden met het tijdsverloop en de omstandigheid dat het nu goed gaat met verdachte. Toezicht door de reclassering en meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek als bijzondere voorwaarden vindt de verdediging niet nodig.


10.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.


Verdachte heeft in een tijdsbestek van een aantal maanden een aantal nare en overlastgevende misdrijven gepleegd. Zo heeft verdachte een sporttas gestolen van iemand die op dat moment aan het sporten was en heeft hij zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de diefstal van telefoons bij een recreatieplas. Voorts heeft verdachte op een druk plein samen met anderen geweld gebruikt tegen een persoon, die als slachtoffer nadien heeft verklaard dat het geweld hem bijzonder heeft aangegrepen en angst teweeg heeft gebracht. Verder heeft verdachte met anderen tijdens oud en nieuw geweld gepleegd tegen een auto, door deze in brand te steken. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het geweld tegen de auto onderdeel was van een reeks autobranden die gedurende die avond en nacht in Woerden hebben plaatsgevonden. Uit het dossier volgt immers dat verdachte samen met de groep jongeren kennelijk tot gezamenlijk doel hadden om autobranden te plegen en dat zij in verschillende samenstellingen verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het geweld door meerdere auto’s in de brand te steken. Een (deel van de) jongeren had van tevoren plannen beraamd en voorbereidingen getroffen. Het geweld met de brandstichtingen heeft een grote impact gehad op de bewoners van de wijken in Woerden die hierdoor geteisterd zijn en hebben gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving als geheel opgeleverd. Tevens heeft verdachte het eigendomsrecht aangetast en een eigenaar beroofd van een vervoermiddel en hem of haar financieel leed berokkend. Uit de slachtofferverklaring van de eigenaar van de auto komt ook naar voren dat het voorval veel impact heeft gehad op het gezin en dat het angst, boosheid, verdriet en slapeloosheid teweeg heeft gebracht.


Verdachte heeft deze reeks ernstige feiten gepleegd terwijl hij nog jong was en heeft er bij de politie en ter zitting op geen enkele wijze blijk van gegeven dat hij het kwalijke van zijn handelen inziet en dat hij verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden.








Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS voor jeugdigen, waaruit volgt dat het uitgangspunt voor diefstal van een mobiele telefoon een taakstraf vanaf 30 uur is, voor de diefstal van de sporttas 30 uur taakstraf, voor openlijk geweld tegen een persoon 40 uur taakstraf en voor openlijk geweld tegen goederen waarbij de schade aanzienlijk is een taakstraf vanaf 40 uur bedraagt;

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 23 oktober 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven. In november 2015 heeft hij een transactie aanvaard voor een diefstal van een fiets;

- een advies van de Raad voor de Kinderbescherming betreffende verdachte van 28 november 2017, waarin wordt geadviseerd aan verdachte een werkstraf op te leggen en een voorwaardelijke jeugddetentie.


De rechtbank weegt ten aanzien van feit 5 in strafverzwarende zin mee de ernst van de schade en het georganiseerde karakter van de groep.


De rechtbank acht, alles afwegende, in beginsel een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen jeugddetentie, passend en geboden met daarnaast een jeugddetentie van 2 maanden. De rechtbank zal echter, vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, in plaats van een werkstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen jeugddetentie, een werkstraf van 190 uur, subsidiair 95 dagen jeugddetentie opleggen. De rechtbank ziet, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdverloop sinds de gepleegde feiten, onvoldoende aanleiding om bijzondere voorwaarden te verbinden aan het voorwaardelijk strafdeel.



11BENADEELDE PARTIJEN


[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 768,48 en € 78,30 reis- en parkeerkosten. Dit bedrag bestaat uit € 246,78 materiële schade en € 600,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde feit.


[benadeelde 4] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 753,-. Dit bedrag bestaat uit € 553,- materiële schade en € 200,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 5 ten laste gelegde feit.


11.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen hoofdelijk worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, en dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.


11.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de vorderingen van de benadeelde partijen moeten worden afgewezen. Mocht er een (deel van een) vordering worden toegewezen, dan dient bij het bepalen van de hoogte ervan rekening gehouden te worden met de leeftijd van verdachte en dienen de bedragen pondspondsgewijs over de verschillende verdachten verdeeld te worden.


11.3

Het oordeel van de rechtbank


Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1]

De rechtbank acht de vordering van [slachtoffer 1] , gelet op de aard, ernst en omstandigheden van het feit en de in de vordering gegeven toelichting, voldoende onderbouwd.

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 3 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 846,78 (€ 768,48 en € 78,30) en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 21 oktober 2015 tot de dag van volledige betaling.


De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.


Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.


Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 846,78 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 21 oktober 2015 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 1 dag jeugddetentie, waarbij toepassing van de jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft.


De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.


Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 4]

De rechtbank acht de vordering van [benadeelde 4] , gelet op de aard, ernst en omstandigheden van het feit en de in de vordering gegeven toelichting, voor een deel voldoende onderbouwd en toewijsbaar.


Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 5 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 550,- en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 31 december 2015 tot de dag van volledige betaling.


De materiële schade komt voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van € 350,-. De rechtbank acht voldoende onderbouwd dat als gevolg van de brand in de auto twee (zonne)brillen en een windscherm zijn verwoest. De hoogte van de schade schat de rechtbank op genoemd bedrag. De immateriële schade komt in zijn geheel voor vergoeding in aanmerking.


De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.


De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.


Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 4] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 550,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 31 december 2015 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 1 dag jeugddetentie, waarbij toepassing van de jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft.


De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 4] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.



12TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 141, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.



13BESLISSING


De rechtbank:


Ontvankelijkheid officier van justitie

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;


Vrijspraak

- verklaart het onder 4 en 5 eerste, tweede, derde en vijfde gedachtestreepje ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair, 2, 3 en 5,vierde gedachtestreepje, ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld;


- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 8 is vermeld;


- verklaart verdachte strafbaar;


Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 2 maanden;


- bepaalt dat deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;


- stelt daarbij een proeftijd vast van 2 jaren;


- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;


- veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 190 uren;


- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 95 dagen jeugddetentie;


- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;


Benadeelde partij

- wijst ten aanzien van feit 3 de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 846,78 bestaande uit € 246,78 materiële schade en € 600,- immateriële schade;


- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2015 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;


- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;


- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 846,78 246,48 betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2015 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling te vervangen door 1 dag jeugddetentie, met dien verstande dat dat toepassing van deze jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft;


- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde heeft vergoed;


- wijst ten aanzien van feit 5 de vordering van [benadeelde 4] toe tot een bedrag van € 550,, bestaande uit € 350,- materiële schade en € 200,- immateriële schade;


- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 4] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2015 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;


- verklaart [benadeelde 4] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;


- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;





- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 4] aan de Staat € 550,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2015 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling te vervangen door 1 dag jeugddetentie, met dien verstande dat dat toepassing van deze jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft;


- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde heeft vergoed.



Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. van den Boogaard, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. H.F. Koenis en D. Riani el Achhab, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Prinsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 december 2017.



Bijlage: de tenlastelegging


Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:


1.

Primair


hij op of omstreeks 30 juni 2015 te Woerden, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, alhans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meerdere

telefoon(s), waaronder een telefoon van het merk Apple, type iPhone 4 en/of

een telefoon van het merk Samsung, type Galaxy S5, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;


art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht


Subsidiair


hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 30 juni 2015 tot en met 1 maart

2016 te Woerden, in elk geval in Nederland, één of meerdere goed(eren), te

weten één of meerdere telefoon(s), heeft verworven, voorhanden gehad, en/of

overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden

krijgen van dit goed wist, danwel redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het

een door misdrijf verkregen goed betrof;


art 416 Wetboek van Strafrecht

art 417bis Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht


2.


hij op of omstreeks 20 oktober 2015 te Woerden, in elk geval in Nederland, met

het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas/rugzak

(merk: O'neil, kleur: zwart) met daarin:

- een paar schoenen (merk: Antony Morato, kleur: rood, maat: 44) en/of

- één of meerdere kledingstukken (merk: Puma, kleur: zwart) en/of

- een telefoon (merk: Samsung, kleur: wit) en/of

- één of meerdere sleutel(s) en/of

- een koptelefoon (merk: Philips, kleur: zwart),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan R.S. van der

Schinkel, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht








3.


hij op of omstreeks 21 oktober 2015 te Woerden, in elk geval in Nederland,

openlijk, te weten op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek

toegankelijke plaats, namelijk op het Kerkplein, in vereniging geweld heeft

gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het eenmaal of meermalen

slaan/stompen (met de vuist) in/op/tegen zijn gezicht en/of op/tegen zijn

hoofd en/of op/tegen zijn lichaam en/of het eenmaal of meermalen

trappen/schoppen op/tegen zijn lichaam, terwijl dit door hem gepleegde geweld

enig lichamelijk letsel, te weten één of meerdere schaafwond(en) en/of

kneuzing(en) in het gezicht (waaronder een kneuzing in het oogkaslid) en/of

één of meerdere wond(en)/kneuzing(en) op het lichaam voor voornoemde Ben

Allal, ten gevolge heeft gehad;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


4.


hij op of omstreeks 05 november 2015 te Woerden, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:

- een laptop (merk: Dell) en/of

- een laptoptas (merk: Dell, kleur: zwart) en/of

- een computermuis (met een USB-aansluiting, kleur: zwart) en/of

- een laptopoplader (merk: Dell) en/of

- één of meerdere bankpas(sen) (bank: ING) en/of

- één of meerdere bankpasreader(s) (bank: ING) en/of

- één of meerdere bankversleutela(a)r(en) (bank: SEB Bank en Wells Fargo Bank)

en/of

- een toegangspas voor het bedrijf [bedrijf] ;

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of

[bedrijf] B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen

voornoemde [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat:

hij eenmaal of meerdere malen heeft geslagen/gestompt (met de vuist)

in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam,

van voornoemde [slachtoffer 2] ;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht









5.


hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 31 december 2015 tot en met 1

januari 2016 te Woerden, in elk geval in Nederland, openlijk, te weten op of

aan de openbare weg, namelijk op of aan de hieronder genoemde weg(en), in

vereniging geweld heeft gepleegd tegen één of meerdere voertuig(en):

- een personenauto (merk: Hyundai, type: Tucson, met kenteken: [kenteken] )

op/aan de Iepenlaan

- een vrachtwagen (merk: Mitsubishi, type: Canter, met kenteken: [kenteken] )

op/aan de Johan de Wittlaan

- een personenauto (merk: Alfa, type: Romeo, met kenteken: [kenteken] ) op/aan de

Wilhelminaweg

- een personenauto (merk: Renault, type: Megane, met kenteken: [kenteken] )

op/aan [adres]

- een personenauto (merk: Toyota, type: Aygo, met kenteken: [kenteken] ) op/aan

de Kievitstraat

welk geweld bestond uit:

- het eenmaal of meermalen gooien/slaan/tikken met één of meerdere

(bak)ste(e)n(en) door/op/tegen één of meerdere ruit(en) van die

personenauto(s) en/of die vrachtwagen en/of

- het (vervolgens) eenmaal of meermalen gooien/leggen van één of meerdere (in

brand gestoken) flesje(s) gevuld met benzine en vastgemaakt aan één of

nittraatbom(men)/rotje(s), in ieder geval aan één of meerdere stuk(ken)

vuurwerk, in die personenauto(s) en/of die vrachtwagen,

terwijl dit door hem gepleegde geweld vernieling ten gevolge heeft gehad;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte Algemeen Dossier van 8 maart 2017 in het onderzoek 09Roof, genummerd 2015335038, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 224. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2 Proces-verbaal aangifte, doorgenummerde pagina 50.
3 Een geschrift, te weten een Afschrift van aangifte nr. PL0900-2015202227, behorend bij Onderzoek 09Roof.
4 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina 56.
5 Proces-verbaal van bevindingen nr. PL0900-2015368381-52, pagina 200B van het Dossier Bijlagen behorend bij Onderzoek 09Roof.
6 Proces-verbaal van bevindingen nr. PL0900-2015335038-22, blad 2, behorend bij Onderzoek 09Roof.
7 Proces-verbaal van bevindingen nr. PL0900-2016000561-5, blad 3, behorend bij Onderzoek 09Roof.
8 Proces-verbaal aangifte, doorgenummerde pagina 57.
9 Proces-verbaal aangifte, doorgenummerde pagina 58.
10 Proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde pagina 69.
11 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina 71.
12 Proces-verbaal aangifte, doorgenummerde pagina 72.
13 Proces-verbaal aangifte, doorgenummerde pagina 73.
14 Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 1] , doorgenummerde pagina 79, en een proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina 80.
15 Proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde pagina 75.
16 Proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde pagina 76.
17 Proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde pagina 77.
18 Proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde pagina 78.
19 Proces-verbaal van bevindingen nr. PL0900-2016000885-4, pagina 7 van het Dossier Bijlagen behorend bij Onderzoek 09Roof.
20 Proces-verbaal van bevindingen nr. PL0900-2016000885-4, pagina 11 van het Dossier Bijlagen behorend bij Onderzoek 09Roof.
21 Proces-verbaal aangifte, doorgenummerde pagina 125.
22 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina 130.
23 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte nr. PL0900-2016000885-11, pagina 226 van het Dossier Bijlagen behorend bij Onderzoek 09Roof.
24 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte nr. PL0900-2016000885-16, pagina 235 van het Dossier Bijlagen behorend bij Onderzoek 09Roof.
25 Proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde pagina 138.
26 Proces-verbaal aangifte, doorgenummerde pagina 126.
27 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina 132.
28 Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte, doorgenummerde pagina 31.
29 Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte, doorgenummerde pagina 43.
30 Proces-verbaal van bevindingen nr. PL0900-2016000561-5, blad 2, behorend bij Onderzoek 09Roof.
31 Een geschrift, te weten een weergave van een WhatsAppbericht, nr. 3230, pagina 192 van het Dossier Bijlagen behorend bij Onderzoek 09Roof.