Rechtbank Midden-Nederland, 22-12-2017 / 16/652710-17 (P)


ECLI:NL:RBMNE:2017:6607

Inhoudsindicatie
Medeplegen van poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 26, eerst lid van de Wet wapens en munitie.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-12-22
Publicatiedatum
2018-01-08
Zaaknummer
16/652710-17 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad


Parketnummer: 16/652710-17 (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van 22 december 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte]

geboren op [1992] te [geboorteplaats]

wonende te [postcode] [woonplaats] [adres]gedetineerd in [verblijfplaats] te [woonplaats] .

1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 september 2017, 6 oktober 2017 en 8 december 2017.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T. Tanghe en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. W Hendrickx, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De tenlastelegging en de wijziging van de tenlastelegging zijn als bijlagen aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


1. primair


in de periode van 26 mei 2017 tot en met 30 mei 2017 in Lelystad met een ander – al dan niet met voorbedachte raad – [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken schouder en/of sleutelbeen, heeft toegebracht door op één of meerdere tijdstippen één of meerdere malen (met kracht) te slaan en/of te stompen tegen de schouder en/of de borst en/of de rug;


en/of


in de periode van 26 mei 2017 tot en met 30 mei 2017 in Lelystad met een ander heeft gepoogd - al dan niet met voorbedachte raad – [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door op één of meerdere tijdstippen één of meerdere malen (met kracht) tegen de schouder en/of de borst en/of de rug te slaan en/of die [slachtoffer] meerdere malen met een stroomstootwapen stroomschokken heeft toegebracht en/of op een of meerdere tijdstippen met pepperspray in de ogen van [slachtoffer] heeft gesprayd;


1. subsidiair


in de periode van 26 mei 2017 tot en met 30 mei 2017 in Lelystad met een ander – al dan niet met voorbedachte raad - [slachtoffer] heeft mishandeld door op één of meerdere tijdstippen één of meerdere malen (met kracht) tegen de schouder en/of de borst en/of de rug te slaan en/of die [slachtoffer] meerdere malen met een stroomstootwapen stroomschokken heeft toegebracht en/of op een of meerdere tijdstippen met pepperspray in de ogen van

[slachtoffer] heeft gesprayd;


2.


in de periode van 26 mei 2017 tot en met 30 mei 2017 in Lelystad met een ander een wapen, te weten een busje pepperspray, voorhanden heeft gehad;


en/of


in de periode van 26 mei 2017 tot en met 30 mei 2017 in Lelystad met een ander een wapen, te weten een stroomstootwapen, voorhanden heeft gehad.

3VOORVRAGEN


De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4WAARDERING VAN HET BEWIJS


4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair, tweede cumulatief/alternatief en onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.


4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd. Aangever heeft verschillende verklaringen afgelegd en zijn verklaringen zijn onbetrouwbaar. De enkele verklaring van aangever is zonder steunbewijs onvoldoende. Betrouwbaar en direct steunbewijs ontbreekt. Voorts is er geen sprake van zwaar lichamelijk letsel. Ook van voorbedachte raad is geen sprake. Mogelijk is aangever mishandeld door een ander dan verdachte. Voor zover verdachte een aandeel heeft gehad in de mishandeling is onduidelijk hoe groot zijn rol is geweest.


De raadsman heeft voorts vrijspraak bepleit van het onder 2 ten laste gelegde, omdat de medeverdachte de eigenaar was van deze goederen. Bovendien ontbreekt forensisch onderzoek naar het stroomstootwapen waardoor niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een voorwerp zoals genoemd in de tenlastelegging.


4.3

Het oordeel van de rechtbank


Bewijsmiddelen


Ten aanzien van feit 1

Op dinsdag 30 mei 2017 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van mishandeling. Aangever heeft als volgt verklaard. Hij is op 26 mei 2017, 27 mei 2017, 28 mei 2017 en 29 mei 2017 mishandeld. Hij is getaserd door [voornaam van verdachte] en gepepperd in zijn gezicht door [voornaam van verdachte] en [voornaam van medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] en [medeverdachte] ). Op

26 mei 2017 is het begonnen. Hij voelde plots een stroomstoot. [voornaam van verdachte] begon heel hard te lachen en liet een taser zien. Aangever zei dat [voornaam van verdachte] moest stoppen. [voornaam van verdachte] ging door met taseren. Toen hij werd getaserd door [voornaam van verdachte] , was [voornaam van medeverdachte] aan het filmen met zijn telefoon. [voornaam van medeverdachte] was ook hard aan het lachen. [voornaam van medeverdachte] kwam met een busje pepperspray aan. Aangever voelde dat er iets in zijn gezicht werd gespoten. [voornaam van medeverdachte] lachte en zei dat het peperspray was. Toen aangever naar zijn kamer ging kwamen [voornaam van medeverdachte] en [voornaam van verdachte] achter hem aan en gooiden water in zijn gezicht. Ook kreeg aangever van [voornaam van verdachte] klappen op zijn lichaam en knietjes. Op zondag 28 mei 2017 ging het taseren en pepperen de hele dag door. Sinds 29 mei 2017 heeft aangever last van zijn schouder. De blauwe plekken heeft hij gekregen door de taser en door de vuistslagen van [voornaam van verdachte] . [voornaam van verdachte] heeft geslagen met zijn vuisten, ellebogen en knieën. Hierna begon [voornaam van medeverdachte] pepperspray in het gezicht te spuiten. Aangever kreeg vaak een taser op zijn rechterschouder en erachteraan een vuistslag. Aangever heeft verklaard dat hij zich niet vrijwillig heeft laten taseren. [voornaam van medeverdachte] pushte [voornaam van verdachte] om de taser te gebruiken. De wapens kwamen van [voornaam van medeverdachte] .


Getuige [getuige] , de buurman van [verdachte] , [medeverdachte] en aangever, heeft op 4 juni 2017 als volgt verklaard. Ongeveer drie weken geleden hoorde hij gebonk, geren, klappen met deuren en hard lachen bij de buren. Hij hoorde een stem roepen: “stop, stop, niet doen, niet doen”. Een week later hoorde hij het typische geluid van een stroomstootwapen en hoorde vervolgens een stem hard schreeuwen: “ auw, auw, stoppen, stoppen”. Hij hoorde ook twee stemmen hard lachen. Op 27 mei 2017 hoorde hij weer gebonk en geren. Hij hoorde een jongen schreeuwen: “laat mij met rust” en hoorde het geluid van het stroomstootwapen. Vervolgens hoorde hij de jongen schreeuwen: “aaahhhh”. Een andere stem riep: “ spoelen, spoelen”. 10 á 15 minuten later verlieten [voornaam van medeverdachte] en [voornaam van verdachte] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] en [verdachte] ) de woning. De andere jongen kwam met dichtgeknepen ogen, al tastend met zijn handen het balkon op. Hij zei: “buurman, wat kan ik doen, ze hebben pepperspray in mijn ogen gespoten”. De stem, die schreeuwde en aangaf dat het moest stoppen, waarover [getuige] heeft verklaard, was steeds dezelfde stem.


Uit de geneeskundige verklaring van 8 juni 2017, opgemaakt door mevrouw

[A] , forensisch arts, volgt dat het geconstateerde letsel, waaronder kraswonden, bloeduitstortingen, verkleuringen en rode puntjes, (goed) kan passen bij de door het slachtoffer opgegeven toedracht. De opgegeven toedracht bestaat eruit dat hij in de periode van

28 mei 2017 tot en met 30 mei 2017 zou zijn getaserd, dat er pepperspray zou zijn gebruikt, dat hij is gestompt, en dat hij klappen en stoten zou hebben gehad. De ouderdom van het letsel past bij het tijdsinterval.


Ten aanzien van feit 2

Verbalisanten hebben in de gemeenschappelijke woning van [medeverdachte] en [verdachte] , in de kamer van [medeverdachte] , een busje pepperspray aangetroffen. Door de forensische opsporing werd de in beslag genomen pepperspray onderzocht en hieruit bleek dat de pepperspray is strafbaar gesteld in de Wet wapens en munitie. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij een taser en een pepperspray in zijn bezit heeft.


Bewijsoverweging


Ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht het onder 1 primair, eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank kan op basis van het dossier onvoldoende vaststellen op welk moment en op basis van welke gebeurtenis de schouderfractuur bij aangever is ontstaan.


Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder 1 primair, tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad wel wettig en overtuigend bewezen. Zij overweegt daartoe het volgende.


Betrouwbaarheid verklaring aangever

Dat de verklaring van aangever, zoals afgelegd bij de politie niet volledig overeenkomt met zijn bij de rechter-commissaris op 16 juni 2017 afgelegde verklaring, is, gelet op het tijdsverloop en de impact van het gebeurde niet onbegrijpelijk en maakt de aangifte van

[slachtoffer] niet onbetrouwbaar. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van

[slachtoffer] in de kern consistent zijn. Daarbij komt dat de verklaring van aangever voldoende wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen. Het verweer van de verdediging dat de verklaringen van aangever onvoldoende betrouwbaar zouden zijn, wordt daarom gepasseerd.


Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.


Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af. De wapens, te weten de taser en de pepperspray, waren in het bezit van [medeverdachte] . [medeverdachte] gaf de taser aan verdachte en moedigde hem aan deze te gebruiken, waarop verdachte aangever taserde. [medeverdachte] stond hierbij en samen lachten zij erom. Verdachte heeft aangever ook geslagen en knietjes gegeven. De pepperspray werd door zowel [medeverdachte] als verdachte toegepast. Daarbij komt dat niet is gebleken dat een van beide verdachten zich op enig moment van het gebeurde, dat meerdere dagen heeft voortgeduurd, heeft gedistantieerd.


Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte . Daarom acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.


Poging zware mishandeling

De rechtbank is van oordeel dat het door verdachte en zijn medeverdachte jegens aangever gebruikte geweld, te weten het gedurende meerdere dagen taseren en pepperen van aangever, terwijl aangever reeds op enig moment zichtbaar verwond moet zijn geweest, een poging tot zware mishandeling oplevert. Door aldus te handelen, mede gelet op de frequentie en de duur van de mishandeling, de mogelijke ernstige gevolgen van een dergelijke mishandeling en de geconstateerde verwondingen op het gehele lichaam van aangever, hebben verdachte en zijn medeverdachte de aanmerkelijke kans aanvaard aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.


Voorbedachte raad

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.


Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend. De geweldshandelingen jegens aangever hebben zich verspreid en herhaaldelijk over meerdere dagen plaatsgevonden. De verdachte en zijn medeverdachte waren zich bewust van wat zij deden en zijn niettemin doorgegaan, zodat ervan uit moet worden gegaan dat zij stil hebben gestaan bij de betekenis en de gevolgen van hun handelen en zich daarvan rekenschap hebben geven. Van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld


Alternatief scenario

Door de raadsman is betoogd dat niet valt uit te sluiten dat aangever is mishandeld door een ander dan door verdachte en zijn medeverdachte. De rechtbank verwerpt dit verweer. Het door de raadsman geschetste scenario vindt onvoldoende steun in het dossier en is ook anderszins niet aannemelijk geworden. De verklaringen over onenigheid met [B] lopen daarvoor te ver uiteen.


Ten aanzien van feit 2

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte de onder 2 ten laste gelegde pepperspray en taser voorhanden hebben gehad en dat zij hier beiden de beschikking over hebben gehad.

Dat ten aanzien van het stroomstootwapen geen forensisch onderzoek is verricht, maakt dit niet anders. Gelet op de verklaringen van aangever, het geconstateerde letsel bij aangever en hetgeen getuige [getuige] heeft verklaard over de door hem waargenomen typische geluiden van een stroomstootwapen constateert de rechtbank dat het door de verdachte en zijn medeverdachte gebruikte stroomstootwapen een voorwerp is waarmee door een elektrische stoomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toebracht, zoals bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.


Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich samen met zijn medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan het in bezit hebben van wapens die strafbaar zijn gesteld in artikel 26 van de Wet wapens en munitie.

5BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:


1. primair


in de periode van 26 mei 2017 tot en met 30 mei 2017 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan

[slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] op één of meerdere tijdstippen meerdere malen op de schouder en de rug, althans het lichaam, heeft geslagen en knietjes gegeven en die [slachtoffer] op meerdere tijdstippen meerdere malen met een stroomstootwapen stroomschokken heeft toegebracht en die [slachtoffer] op meerdere tijdstippen meerdere malen met pepperspray in zijn ogen, althans het gezicht, heeft gespoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


2.


in de periode van 26 mei 2017 tot en met 30 mei 2017 te Lelystad, tezamen en in vereniging een wapen - te weten een busje pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) weerloosmakende en traanverwekkende stof - van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad;


en


in de periode van 26 mei 2017 tot en met 30 mei 2017 te Lelystad, tezamen en in vereniging, een wapen - te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden

toegebracht - van de categorie II, onder 5°, voorhanden heeft gehad.


Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.


Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen.

Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:


Feit 1, primair

medeplegen van poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad


feit 2, telkens:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 26, eerst lid van de Wet wapens en munitie

7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.



8OPLEGGING VAN STRAF


8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en een contactverbod met aangever.


8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op de bepleite vrijspraak van verdachte, verzocht om geen straf of maatregel op te leggen. De verdachte staat open voor reclasseringstoezicht. Voorts vindt de raadsman het verschil in de strafeis van de officier van justitie tussen verdachte en medeverdachte (tegen wie 9 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaar is geëist) onbegrijpelijk.


8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.


Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad. Verdachten hebben gedurende meerdere dagen geweldshandelingen verricht tegen aangever. Zij hebben hem stroomschokken toegebracht, pepperspray in zijn gezicht gespoten, hem tegen het lichaam geslagen en gestompt en hem knietjes gegeven. Aangever is hierdoor ernstig toegetakeld en heeft aan de mishandeling over zijn gehele lichaam verwondingen overgehouden. Verdachte heeft met deze daad de lichamelijke integriteit van aangever ernstig geschonden en heeft zijn gevoel van veiligheid en vertrouwen aangetast. Dit geldt temeer omdat aangever een huisgenoot was van verdachte en de geweldshandelingen thuis hebben plaatsgevonden terwijl dat bij uitstek een plek is waar men zich veilig dient te voelen. Daarbij komt dat verdachte op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen voor de feiten die hij heeft begaan en zich geen moment rekenschap gegeven heeft van de gevolgen die dit handelen voor het slachtoffer heeft gehad.


Daarnaast heeft verdachte een busje pepperspray en een stroomstootwapen voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van dergelijke wapens kan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengen, welk gevaar zich in het onderhavige geval ook heeft gerealiseerd.


De rechtbank houdt ook rekening met de rolverdeling tussen verdachte en zijn medeverdachte, met dien verstande dat het veelal verdachte is geweest die de feitelijke geweldshandelingen heeft verricht, en met het feit dat een in het verleden aan verdachte opgelegde PIJ-maatregel slechts enkele maanden voor het onderhavige feit was beëindigd.


Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 24 oktober 2017, waaruit volgt dat verdachte reeds eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld;

- een reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 17 augustus 2017, uitgebracht door [C] , reclasseringswerker;

- een psychologisch onderzoek Pro Justitia van 23 augustus 2017, uitgebracht door drs. F.C.P. Zuidhof, forensisch GZ-psycholoog;

- een psychiatrisch onderzoek Pro Justitia van 6 september 2017,uitgebracht door

drs. M.H. Diawra, NRGD geregistreerd psychiater.


Voorts heeft de rechtbank bij het bepalen van de strafoplegging acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS en op straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van drie jaren en met bijzondere voorwaarden passend en geboden is.

9BESLAG


Teruggave aan verdachte

De rechtbank zal teruggave gelasten aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- telefoon (goednummer: PL0900-2017163750-1974982);

- telefoon (goednummer: PL0900-2017163750-1974983);

- telefoon (goednummer: PL0900-2017163750-1974942);

- telefoon (goednummer: PL0900-2017163750-1974948);

- camera (goednummer: PL0900-2017163750-1974936);

- hondenblafband (goednummer: PL0900-2017163750-1976580).

10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen

  • - 10, 27, 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 47, 57, 91 en 303 van het Wetboek van Strafrecht en
  • - 26 en 55 Wet wapens en munitie;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11BESLISSING


De rechtbank:


Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;


- verklaart het onder 1 primair en 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;


- verklaart verdachte strafbaar;


Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;


- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 4 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;


- stelt daarbij een proeftijd van 3 jaren vast;


- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

  • - zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • - medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd

  • - op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
  • - zich zal melden bij de Reclassering Nederland, locatie Lelystad aan De Meent 4, 8224 BR, zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;
  • - zich zal houden aan de aanwijzingen van en de afspraken met de reclassering.

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:

  • - telefoon (goednummer: PL0900-2017163750-1974982);
  • - telefoon (goednummer: PL0900-2017163750-1974983);
  • - telefoon (goednummer: PL0900-2017163750-1974942);
  • - telefoon (goednummer: PL0900-2017163750-1974948);
  • - camera (goednummer: PL0900-2017163750-1974936);
  • - hondenblafband (goednummer: PL0900-2017163750-1976580);

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.



Dit vonnis is gewezen door mr. P.K. Oosterling - van der Maarel, voorzitter,

mrs. R.C.J. Elte - Hamming en G. van de Beek, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. G.J. van Klompenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van

22 december 2017.


Mr. G. van de Beek is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.



Bijlage: de tenlastelegging


Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:


1. primair

hij in of omstreeks de periode van 26 mei 2017 tot en met 30 mei 2017 te Lelystad, althans in arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken schouder en/of sleutelbeen, heeft toegebracht door met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] op één of meerdere tijdstippen één of meerdere malen (met kracht) te slaan en/of te stompen op/tegen de schouder en/of de borst en/of de rug, althans het lichaam;


en/of


hij in of omstreeks de periode van 26 mei 2017 tot en met 30 mei 2017 te Lelystad, althans in arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en al dan

niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] op één of meerdere tijdstippen één of meerdere malen (met kracht) op/tegen de schouder en/of de borst en/of de rug, althans het lichaam, heeft geslagen en/of die

[slachtoffer] op één of meerdere tijdstippen één of meerdere malen met een stroomstootwapen, althans een voorwerp waarmee stroomschokken kunnen worden afgegeven, stroomschokken heeft toegebracht en/of die [slachtoffer] op één of meerdere tijdstippen één of meerdere malen met pepperspray, althans een

(bijtende) stof, in zijn ogen, althans het gezicht, heeft gespoten/gesprayd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


1. subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 26 mei 2017 tot en met 30 mei 2017 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] al dan niet met voorbedachten rade heeft mishandeld door opzettelijk en al dan niet na

kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] op één of meerdere tijdstippen één of meerdere malen (met kracht) te slaan en/of stompen tegen de schouder en/of de borst en/of de rug, althans het lichaam, en/of door die [slachtoffer] op één of meerdere tijdstippen één of meerdere malen met een stroomstootwapen, althans een voorwerp waarmee stroomschokken kunnen worden afgegeven, stroomschokken

toe te dienen en/of die [slachtoffer] op één of meerdere tijdstippen één of meerdere malen met pepperspray, althans een (bijtende) stof, in zijn ogen, althans het gezicht, te spuiten/sprayen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken schouder en/of sleutelbeen, ten gevolge heeft

gehad.


2.

hij in of omstreeks de periode van 26 mei 2017 tot en met 30 mei 2017 te Lelystad, tezamen en in vereniging, althans alleen, een wapen - te weten een busje pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of

traanverwekkende stof(fen) - van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad;


en/of


hij in of omstreeks de periode van 26 mei 2017 tot en met 30 mei 2017 te Lelystad, tezamen en in vereniging, althans alleen, een wapen - te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stropomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden

toegebracht - van de categorie II, onder 5°, voorhanden heeft gehad.


De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.


Bijlage: de wijziging van de tenlastelegging


Parketnummer: 16/652710-17


De officier van justitie bij het bovengenoemde parket


gezien de dagvaarding in de zaak tegen


Achternaam: [verdachte]

Voornamen: [voornamen van verdachte]

Geboren: [1992] te [geboorteplaats]


Is van oordeel dat de tenlastelegging als volgt behoort te worden gewijzigd:


Onder het 1 primair ten laste gelegde dient na het woord 'stompen' te worden ingevoegd: "en/of te schoppen en/of één of meerdere knietjes te geven",


Onder het 1 primair ten laste gelegde (na en/of) dient na het woord 'geslagen' te worden ingevoegd: "en/of geschopt en/of één of meerdere knietjes gegeven",


Onder het 1 subsidiair ten laste gelegde dient na het woord 'stompen' te worden ingevoegd: "en/of te schoppen en/of één of meerdere knietjes te geven",


gezien art. 313 Wetboek van Strafvordering;

vordert, dat deze wijzigingen zullen worden toegelaten.


Gedaan ter terechtzitting van de Meervoudige Kamer in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, op 8 december 2017.


1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 4 juli 2017, genummerd PL0900-2017163750, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 218. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2 Pagina 94.
3 Pagina 99.
4 Pagina 99.
5 Pagina 100.
6 Pagina 100.
7 Pagina 100.
8 Pagina 100.
9 Pagina 100.
10 Pagina 100.
11 Pagina 101.
12 Pagina 101.
13 Pagina 101.
14 Pagina 189.
15 Pagina 144.
16 Pagina 144.
17 Pagina 144.
18 Pagina 144.
19 Pagina 144.
20 Pagina’s 116 tot en met 118.
21 Pagina 114.
22 Pagina 115.
23 Pagina 124
24 Proces-verbaal van bevindingen van 18 augustus 2017, genummerd PL0900-2017163750-64.
25 Pagina 60.