Rechtbank Midden-Nederland, 09-01-2017 / AWB - 16 _ 2644


ECLI:NL:RBMNE:2017:67

Inhoudsindicatie
Tussen partijen is niet in geschil dat de gevraagde zeven uur hulp per week, waartoe deze procedure zich beperkt, moet worden aangemerkt als bovengebruikelijke hulp. De rechtbank overweegt dat in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 staat dat verweerder een maatwerkvoorziening moet toekennen indien de zorgaanvrager beperkingen ondervindt en hij deze naar het oordeel van het college niet op eigen kracht kan verminderen of wegnemen. De beoordelingsvrijheid die in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 aan verweerder wordt geboden, gaat echter niet zo ver dat verweerder een drempel mag opwerpen die maakt dat de eerste veertien uur hulp per week, die de gebruikelijke hulp overstijgt, door de zorgaanvrager op eigen kracht geregeld moet worden en derhalve niet voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. Door deze eerste veertien uur per week bovengebruikelijke hulp als (vorm van) eigen kracht te beschouwen, verplicht verweerder de zoon van eiseres deze hulp, die de gebruikelijke hulp overstijgt, via mantelzorg te verlenen. Dit is in strijd met het vrijwillig karakter van mantelzorg. De grondslag van de bestreden besluitvorming van verweerder komt naar het oordeel van de rechtbank derhalve neer op het oprekken van het begrip gebruikelijke hulp, zoals dat in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 is gedefinieerd, waardoor ten onrechte een extra drempel wordt opgeworpen die aan de toekenning van een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 in de weg staat. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-01-09
Publicatiedatum
2017-01-19
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2644
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 2017/45 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
  • GZR-Updates.nl 2017-0072
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 16/2644


uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2017 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.F. Vermaat),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigden: mr. M.F. van der Mersch en C.J.E.S. Broers).



Procesverloop


Bij besluit van 30 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot voortzetting van de individuele begeleiding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen.


Bij besluit van 24 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.


Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens is verschenen de zoon van eiseres, de heer [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.



Overwegingen


1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiseres had tot 30 juli 2015 een indicatie voor Begeleiding Individueel op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, klasse 3 (4 tot 6,9 uur per week). Eiseres woont samen met haar meerderjarige zoon, die haar tot 30 juli 2015 op grond van een persoonsgebonden budget individuele begeleiding gaf.


2. In geschil is of verweerder de aanvraag van eiseres om voortzetting van de individuele begeleiding door haar zoon voor ongeveer zeven uur per week via een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 heeft mogen weigeren.


3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat eiseres op eigen kracht, met behulp van haar zoon, in haar beperkingen kan voorzien en derhalve niet voldoet aan de vereisten voor toekenning van een maatwerkvoorziening, zoals neergelegd in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015. Verweerder heeft daaraan op grond van artikel 9, onder punt 8, van zijn Nadere regels met betrekking tot de verordeningen Jeugdwet en Wmo (Nadere regels) ten grondslag gelegd dat de zorgaanvrager zelf in de eerste veertien uur bovengebruikelijke hulp per week moet voorzien door middel van eigen kracht, mantelzorg of hulp van het sociale netwerk. In dit geval komt eiseres daar niet voorbij, omdat van haar inwonende zoon mag worden verwacht dat hij deze zorg onbetaald, als mantelzorger, aan eiseres levert nu het niet gaat om een excessief aantal uren.


4. Eiseres heeft in de kern in beroep aangevoerd dat verweerder aan haar zoon oplegt dat hij eiseres onvrijwillig en onbetaald zeven uur per week (bovengebruikelijke) hulp verleent, omdat hij haar huisgenoot is. Deze redenering komt er volgens eiseres in feite op neer dat bovengebruikelijke hulp tot veertien uur per week toch gebruikelijke hulp is. Dat verhoudt zich volgens eiseres niet tot het uitgangspunt van verweerder dat in haar geval sprake is van bovengebruikelijke hulp.

Daar waar verweerder zegt dat de door de zoon te verlenen individuele begeleiding van zeven uur per week als mantelzorg moet worden gezien, voert eiseres aan dat dit zich niet verhoudt met het vrijwillig karakter van mantelzorg. De zoon van eiseres wil deze bovengebruikelijke hulp niet onbetaald leveren.

Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat onduidelijk is waarop verweerder de norm van veertien uur per week, zoals neergelegd in artikel 9 onder punt 8 van de Nadere regels heeft gebaseerd.


5. Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder gebruikelijke hulp wordt verstaan hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.

Onder mantelzorg wordt op grond van dit artikel verstaan hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.


Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt – voor zover thans relevant – dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.


6. In de Nadere regels, zoals die luidden ten tijde in geding, staat het volgende:


“Algemeen uitgangspunt bij maatwerkvoorzieningen

Bij de uitvoering van deze Nadere regels staat bij maatwerkvoorzieningen maatwerk voorop. Dit betekent dat het college in geval van maatwerkvoorzieningen kan afwijken van de bepalingen van deze Nadere regels die maatwerk in de weg staan.”

“9. Persoonsgebonden budget (PGB)


Algemeen

Het college verstrekt een persoonsgebonden budget (PGB) alleen ten aanzien van maatwerkvoorzieningen die onder de Jeugdwet of de Wmo 2015 vallen en waarvoor een toegangsbepaling geldt. Dat betekent dat bij algemene voorzieningen geen persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

(…)


8 Informele zorg

1. De inzet van niet-professionele (informele) zorg is toegestaan in die gevallen waarin deze zorg de gebruikelijke hulp overstijgt en waar dit aantoonbaar leidt tot betere en effectievere ondersteuning dan wanneer deze in ZiN zou worden geleverd. 2. De eerste 14 uur per week per huishouden van deze vorm van informele ondersteuning worden beschouwd als (verhoging van) de inzet van de eigen kracht en daarvoor zal geen PGB worden toegekend. (…)”

7. Ter zitting heeft verweerder zijn standpunt als volgt nader toegelicht. De Nadere regels zijn beleidsregels en verweerder is bezig deze beleidsregels te wijzigen. Verweerder handhaaft daarom niet langer het standpunt dat de beleidsregels zoals die luidden ten tijde in geding aan het betreden besluit ten grondslag kunnen worden gelegd. Wel heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd dat de zorgaanvrager zelf in de eerste veertien uur bovengebruikelijke hulp per week moet voorzien.


8. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de gevraagde zeven uur hulp per week, waartoe deze procedure zich beperkt, moet worden aangemerkt als bovengebruikelijke hulp.


9. De rechtbank overweegt dat in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 staat dat verweerder een maatwerkvoorziening moet toekennen indien de zorgaanvrager beperkingen ondervindt en hij deze naar het oordeel van het college niet op eigen kracht kan verminderen of wegnemen. De beoordelingsvrijheid die in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 aan verweerder wordt geboden, gaat echter niet zo ver dat verweerder een drempel mag opwerpen die maakt dat de eerste veertien uur hulp per week, die de gebruikelijke hulp overstijgt, door de zorgaanvrager op eigen kracht geregeld moet worden en derhalve niet voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. Door deze eerste veertien uur per week bovengebruikelijke hulp als (vorm van) eigen kracht te beschouwen, verplicht verweerder de zoon van eiseres deze hulp, die de gebruikelijke hulp overstijgt, via mantelzorg te verlenen. Dit is in strijd met het vrijwillig karakter van mantelzorg. In de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/2014, 33841, nr. 64, pag. 87) heeft de wetgever hierover gezegd: “mantelzorg, dat is zorg die uitstijgt boven de hulp die mensen geacht worden elkaar te geven op basis van algemeen aanvaarde opvattingen over wat «gebruikelijk» is en die zij elkaar geven op grond van de onderlinge relatie die tussen hen bestaat, niet afgedwongen kan worden”. De grondslag van de bestreden besluitvorming van verweerder komt naar het oordeel van de rechtbank derhalve neer op het oprekken van het begrip gebruikelijke hulp, zoals dat in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 is gedefinieerd, waardoor ten onrechte een extra drempel wordt opgeworpen die aan de toekenning van een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 in de weg staat. Reeds hierom is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eiseres slaagt.

10. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan wat voor het overige is aangevoerd.


11. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.


12. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, gelet op het feit dat verweerder ter zitting heeft verklaard het beleid te zullen wijzigen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.


13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.


14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).





Beslissing


De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-.



Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, voorzitter, en mr. M.E. Falkmann en mr. E.G.J. Broekhuizen, leden, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2017.






griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.