Rechtbank Midden-Nederland, 29-12-2017 / 16/706433-15 (P)


ECLI:NL:RBMNE:2017:6749

Inhoudsindicatie
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk voor het handelen in cocaïne. Omdat de inhoudelijke behandeling pas ruim twee jaar later dan het politieverhoor plaatsvond heeft de rechtbank een lagere straf opgelegd dan in soortgelijke zaken. Volgens de rechtbank heeft de verdachte lange tijd in onzekerheid moeten zitten over de uitkomst van de strafzaak. Ook een geldbedrag en een weegschaal zijn door de rechtbank verbeurd verklaard.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-12-29
Publicatiedatum
2018-01-24
Zaaknummer
16/706433-15 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad


Parketnummer: 16/706433-15 (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van 29 december 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte]

geboren op [1985] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats] [adres ]

1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18 augustus 2017 en 15 december 2017.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J. Zeilstra en van hetgeen verdachte en mr. D.R. Kops, advocaat te Breukelen, naar voren hebben gebracht.

2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


feit 1

in de periode van 21 september 2014 tot 19 oktober 2015 te Emmeloord en/of Urk een of

meerdere hoeveelheden cocaïne heeft verhandeld;


feit 2

op 19 oktober 2015 te Emmeloord 4,47 gram cocaïne aanwezig heeft gehad;


feit 3

op 19 oktober 2015 te Emmeloord 78,99 gram hennep aanwezig heeft gehad.

3VOORVRAGEN


De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.


4WAARDERING VAN HET BEWIJS


4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zijn standpunt verwoord in de ter zitting overlegde pleitnota.


4.3

Het oordeel van de rechtbank


Bewijsmiddelen


De feiten zijn door verdachte begaan. Verdachte heeft de ten laste gelegde feiten bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor de feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:


ten aanzien van feit 1:

  • - de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 15 december 2017;
  • - een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, van 1 november 2016 genummerd PL0900-2015083655-4, opgemaakt door politie Midden-Nederland, inhoudende een analyse van de telefoongegevens van verdachte, pagina 71-75;
  • - een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, van 19 oktober 2015 genummerd PL0900-2015083655-26 , opgemaakt door politie Midden-Nederland, inhoudende de verklaring van getuige [getuige 1] , pagina 84 - 88;
  • - een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, van 27 oktober 2015 genummerd PL0900-2015083655, opgemaakt door politie Midden-Nederland, inhoudende de verklaring van getuige [getuige 2] , pagina 119-124;
  • - een proces-verbaal van het verhoor van de getuige [getuige 3] door de rechter-commissaris d.d. 16 november 2017;

overweging

De verdachte heeft verklaard dat hij cocaïne heeft verhandeld in de periode van december 2014 tot juli 2015. Uit de verklaringen van de hiervoor genoemde drie getuigen leidt de rechtbank echter af dat verdachte gedurende de gehele tenlastegelegde periode gehandeld heeft in cocaïne. [getuige 3] refereert aan een periode, waarin hij veel cocaïne gebruikte. Deze periode liep van oktober 2014 tot maart 2015. [getuige 1] zegt voor het laatst in juli 2015 van verdachte cocaïne gekocht te hebben.

[getuige 2] zegt in september 2015 voor het laatst cocaïne van verdachte gekocht te hebben.


ten aanzien van feit 2:

  • - de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 15 december 2017;
  • - een kennisgeving van inbeslagneming artikel 94 Wetboek van Strafvordering, van 19 oktober 2015, genummerd PL0900-2015083655-8, opgemaakt door politie Midden Nederland, inhoudende (o.a.) de inbeslagname van de aangetroffen harddrugs (cocaïne) tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte, pagina 47-50;
  • - een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 21 oktober 2015, genummerd PL0900-2015083655-15, opgemaakt door politie Midden-Nederland, inhoudende (o.a.) testen en veiligstellen harddrugs (cocaïne), pagina 64-68;
  • - een Rapport identificatie van drugs en precursoren van het Nederlands Forensisch Instituut van 17 november 2015, zaaknummer 2015.10.28.007 opgemaakt door ing. P.H. Wallinga, pagina 69-70;

ten aanzien van feit 3:

  • - de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 15 december 2017;
  • - een kennisgeving van inbeslagneming artikel 94 Wetboek van Strafvordering, van 19 oktober 2015, genummerd PL0900-2015083655-8, opgemaakt door politie Midden Nederland, inhoudende (o.a.) de inbeslagname van de aangetroffen softdrugs (hennep) tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte, pagina 48-50;
  • - een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 21 oktober 2015 genummerd PL0900-2015083655-15, opgemaakt door politie Midden-Nederland, inhoudende (o.a.) testen en veiligstellen softdrugs (hennep), pagina 62-63.

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis zal worden gehecht.

5BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:


feit 1

op tijdstippen in de periode van 21 september 2014 tot 19 oktober 2015 te Emmeloord en Urk, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;


feit 2

op 19 oktober 2015 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4,47 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


feit 3

op 19 oktober 2015 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 78,99 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:


feit 1: opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;


feit 2: opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;


feit 3: opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8OPLEGGING VAN STRAF


8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 8 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- een taakstraf van 240 uren, met aftrek van het voorarrest, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis.


8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat bij het bepalen van de duur van de straf rekening moet worden gehouden met de schending van de redelijke termijn. Voorts verzoekt de raadsman het door de officier van justitie geëiste voorwaardelijke strafdeel te matigen.


8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer één jaar schuldig gemaakt aan het verhandelen van cocaïne. Verdachtes drijfveer voor het plegen van voornoemde feiten was onder meer het vergemakkelijken van zijn eigen drugsgebruik en het voorzien in de kosten daarvan. Verdachte is met het plegen van deze feiten voorbij gegaan aan de gevaren die dergelijke verdovende middelen, naar algemene bekendheid, met zich meebrengen voor de volksgezondheid. Cocaïne is een voor de gezondheid schadelijke stof, waarvan het gebruik tot verslaving leidt. Die brengt dan weer velerlei vormen van overlast en verwervingscriminaliteit met zich mee. Ook de handel zelf gaat gepaard met criminaliteit waardoor aan de samenleving schade wordt berokkend. Verdachte is hier door zijn handelen medeverantwoordelijk voor.


Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 oktober 2017, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, maar de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Verdachte is op 20 oktober 2015 door de politie verhoord en de inhoudelijke behandeling heeft pas ruim twee jaar later plaatsgevonden. De rechtbank begrijpt dat het belastend is om lang in onzekerheid over de uitkomst van de strafzaak te zitten. Om deze reden zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan zij normaal gesproken in soortgelijke zaken oplegt. Temeer nu verdachte in de tussenliggende tijd niet meer met justitie in aanraking is geweest.

Op grond van de aard en de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat alleen een vrijheidsbenemende straf als passende sanctie in aanmerking komt. Daarbij heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van 7 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 3 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is.


9BESLAG


Verbeurdverklaring

De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- een weegschaal (G1550178),

- een geldbedrag van € 325,00 (G1550262);

verbeurd verklaren. Met behulp van de weegschaal is het onder 1 bewezen verklaarde feit voorbereid. Het geld is door middel van of uit de baten van het onder 1 bewezen verklaarde feit verkregen.


Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten: verdovende middelen, onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten, aangetroffen. Met deze voorwerpen zijn bovendien de onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten begaan.


Teruggave aan de rechthebbende

De rechtbank zal teruggave gelasten van het in beslag genomen voorwerp, te weten: een personenauto, merk Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] (G1132319), aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende van dit voorwerp kan worden aangemerkt.


Teruggave aan de verdachte

De rechtbank zal teruggave gelasten aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- een geldbedrag van € 30,50 (G1550175);

- een geldbedrag van € 5,00 (G1550282)

- een geldbedrag van € 9,95 (G1550250);

- een motor van het merk Kawasaki en toebehoren (G1550178);

- verschillende apparatuur: twee televisies (flatscreens: G1550269 en G1550267) en een computerspel (PlayStation 4 met controllers G1550205);

- een collectebus (G1550248).

10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen

  • - 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, en 57 van het Wetboek van Strafrecht en
  • - 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11BESLISSING


De rechtbank:


Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;


Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden;


- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;


- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 3 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;


- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;


- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;


Beslag

- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:

  • - weegschaal G1550178;
  • - geldbedrag (€ 325,00) G1550262;

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:

  • - geldbedrag (€ 30,50) G1550175;
  • - geldbedrag (€ 5,00) G1550282;
  • - geldbedrag (€ 9,95) G1550250;
  • - motor merk Kawasaki G1550178;
  • - verschillende apparatuur; televisie G1550248; televisie G1550267 computerspel G1550205;
  • - collectebus G1550248;

- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:

 verdovende middelen;

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van het volgende voorwerp:

 personenauto merk Volkswagen Golf kenteken [kenteken] G1132319.



Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, mrs. C.A. de Beaufort en A.A. Renken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Antonides, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 december 2017.


Mrs. Haeck en Renken zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


Bijlage: de tenlastelegging


Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:


1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 september 2014 tot 19 oktober 2015 te Emmeloord en/of Urk, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet


2.

hij op of omstreeks 19 oktober 2015 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, opzettelijk

aanwezig heeft gehad ongeveer 4,47 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet


3.

hij op of omstreeks 19 oktober 2015 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, opzettelijk

aanwezig heeft gehad ongeveer 78,99 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet