Rechtbank Midden-Nederland, 19-12-2017 / UTR 16/5838


ECLI:NL:RBMNE:2017:6804

Inhoudsindicatie
Herziening en terugvordering WIA vanwege het niet melden van inkomsten uit persoonsgebonden budget (pgb). De rechtbank is van oordeel dat eiseres redelijkerwijs had kunnen weten dat zij het pgb als inkomsten moest melden. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiseres over de gehele periode van 16 september 2008 tot 1 april 2014 inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. Er is geen bewijs dat het pgb volledig aan zorginkoop is besteed.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-12-19
Publicatiedatum
2018-02-15
Zaaknummer
UTR 16/5838
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 16/5838


uitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2017 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E. Osinga),


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).



Procesverloop


Bij besluit van 29 juni 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) over de periode van 1 september 2008 tot en met 30 juni 2014 herzien, omdat zij inkomsten uit persoonsgebonden budget (pgb) heeft ontvangen.


Bij besluit van eveneens 29 juni 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder een bedrag van € 35.540,78 aan te veel betaalde WIA-uitkering van eiseres teruggevorderd.


Bij besluit van eveneens 29 juni 2016 (het primaire besluit III) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 7.110,00.


Bij besluit van 17 november 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.


Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Eiseres heeft op 19 juni 2017 een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 mei 2017 in het geding gebracht. Hieruit blijkt dat zij een schikking met de Belastingdienst heeft getroffen over de naheffingsaanslagen voor de belastingjaren 2010 tot en met 2013. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat een bedrag van € 800,- per jaar aan kosten in mindering gebracht wordt op de pgb-inkomsten. Tevens zijn de opgelegde boetes vervallen.


Daarna heeft eiseres op 21 juni 2017 verminderingsaanslagen over de jaren 2010 tot en met 2013 aan de rechtbank toegezonden.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.


De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen een nieuw besluit te nemen over de herziening en terugvordering en over de boete, waarbij rekening wordt gehouden met de schikking die eiseres met de Belastingdienst heeft getroffen.


Bij besluit van 11 juli 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bestreden besluit I in zoverre gewijzigd dat het bezwaar van eiseres alsnog gegrond is verklaard. Verweerder heeft de herzieningsperiode, de terugvorderingsperiode alsmede de hoogte van de terugvordering en de boete herzien. Daarbij heeft verweerder de kosten van € 800,- per jaar naar rato meegenomen voor de jaren 2008, 2009 en 2014. Het benadelingsbedrag is gewijzigd vastgesteld op € 31.578,70. Verweerder heeft de berekening hiervan bijgevoegd. Over de periode van 1 april 2014 tot en met 30 juni 2014 heeft verweerder de herziening en terugvordering ingetrokken, omdat het pgb op 1 april 2014 is gestopt. Tevens heeft verweerder meegedeeld dat de opgelegde boete niet wordt gehandhaafd.


Eiseres heeft op het bestreden besluit II gereageerd bij brief van 20 juli 2017.


Vervolgens heeft verweerder bij brief van 27 juli 2017 een aanvullende toelichting gegeven.


Met toestemming van partijen heeft de rechtbank besloten dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek op 23 november 2017 gesloten.



Overwegingen


1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres ontvangt sinds 26 januari 2008 een loongerelateerde uitkering in verband met de regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) op grond van de Wet WIA. Deze uitkering is vanaf 30 december 2014 omgezet in een uitkering op grond van de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA). Vanaf 20 januari 2008 tot en met 2 juni 2014 heeft eiseres als zorgverlener pgb toegekend gekregen in verband met de verzorging van haar vader, die budgethouder is. In de periode van 17 september 2013 tot en met 22 april 2014 heeft eiseres daarnaast pgb toegekend gekregen in verband met de verzorging van haar moeder. Het pgb is vanaf 16 september 2008 tot 1 april 2014 door eiseres op haar bankrekening ontvangen.


1.2

Naar aanleiding van een onderzoek door de afdeling Handhaving van verweerder heeft op 22 december 2015 een gesprek plaatsgevonden tussen eiseres en twee inspecteurs, mevrouw [A] en de heer [B] , van de afdeling Handhaving. Op 20 januari 2016 heeft verweerder aan eiseres het voornemen bekend gemaakt om een boete op te leggen. Verweerder heeft het onderzoek op verzoek van eiseres aangehouden in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure bij de Belastingdienst tegen de aanslagen inkomstenbelasting 2013 en 2014 en tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2010, 2011 en 2012, waarin de vraag speelt of sprake is van pgb-inkomsten. Omdat verweerder, ondanks herhaalde verzoeken, geen informatie van eiseres ontving over de besluitvorming van de belastingdienst, heeft verweerder de primaire besluiten genomen, zoals vermeld onder ‘procesverloop’.


1.3

Nadien heeft de Belastingdienst bij uitspraken op bezwaar van 19 en 29 september 2016 beslist op de bezwaren van eiseres tegen de opgelegde navorderingsaanslagen en boetes. Verweerder heeft op 17 november 2016 het bestreden besluit I genomen. Tegen de uitspraken op bezwaar van de Belastingdienst is eiseres in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland en de uitspraak in die procedure heeft zij vervolgens in de onderhavige beroepsprocedure ingebracht, zoals onder ‘procesverloop’ is weergegeven.


2.1

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit II het bestreden besluit I vervangt. In het bestreden besluit II heeft verweerder de herziening gehandhaafd, behalve wat de periode betreft. Ook de terugvordering blijft gehandhaafd, behalve wat de terugvorderingsperiode betreft. Verder is de hoogte van de terugvordering gewijzigd en is de boete komen te vervallen. Het bestreden besluit II is aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het beroep van eiseres mede wordt geacht te zijn gericht tegen dit besluit. Gesteld noch gebleken is dat eiseres nog belang heeft bij een oordeel over het beroep tegen het bestreden besluit I.


2.2

Nu verweerder de boete bij het bestreden besluit II heeft ingetrokken, heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep voor zover dat tegen de boete is gericht. Uit het bestreden besluit II alsmede de nadere toelichting van verweerder van 27 juli 2017 blijkt voldoende duidelijk dat de boete weliswaar opnieuw is berekend, maar dat deze niet wordt gehandhaafd en wordt afgeboekt. Dit behoeft daarom geen verdere bespreking.


Herziening


3. Eiseres voert aan dat het haar niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij het ontvangen pgb aan verweerder had moeten melden als inkomsten en dat zij de inlichtingenplicht dus niet heeft geschonden. Zij betoogt dat het pgb geen inkomen is uit arbeid of uit onderneming, zodat geen sprake is van inkomsten waarvan zij opgave had moeten doen. Daarnaast betoogt zij dat zij het pgb niet als inkomen heeft aangewend, maar dat het volledig is besteed aan de inkoop van zorg voor haar ouders. Dit blijkt volgens haar uit het feit dat het zorgkantoor alle verantwoordingen heeft geaccepteerd. Ter zitting heeft eiseres nog aangevoerd dat zij tijdens een herkeuring in december 2014 met de verzekeringsarts uitgebreid heeft gesproken over het pgb, maar dat zij daarover niets terugleest in de rapportage van de verzekeringsarts.


4. In artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat de verzekerde die recht heeft op een uitkering op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op de hoogte van de uitkering, aan het Uwv verstrekt. Hieruit volgt dat eiseres een actieve plicht heeft om alle relevante wijzigingen te melden bij verweerder.


5. De rechtbank is van oordeel dat eiseres redelijkerwijs had kunnen weten dat zij het pgb als inkomsten moest melden. De rechtbank betrekt in dit oordeel dat eiseres in het gesprek op 22 december 2015 tegenover de inspecteurs van verweerder heeft verklaard dat zij vanaf halverwege 2008 haar vader verzorgde. Verder heeft zij ter zitting verduidelijkt dat zij in eerste instantie hielp bij het huishouden en de persoonlijke verzorging en dat zij later meer een managementtaak verrichtte, gericht op het aansturen van de ingeschakelde hulpverlening. De rechtbank stelt op basis van de dossierstukken en van hetgeen op de zitting is besproken vast dat eiseres zorg heeft verleend aan haar vader, vooral in de vorm van persoonlijke verzorging en begeleiding, en dat zij daarvoor werd betaald, aangezien er pgb op haar bankrekening werd gestort. Mede gelet op de omvang van de werkzaamheden moet worden geoordeeld dat eiseres arbeid verrichtte, waarvoor zij via het pgb een vergoeding genoot. Gelet op het dossier acht de rechtbank niet aannemelijk dat de wijze van zorg verlenen door eiseres vanaf 2010 is veranderd, zoals eiseres ter zitting heeft betoogd, zodat verweerder er terecht vanuit is gegaan dat zij over de gehele periode van 16 september 2008 tot 1 april 2014 inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. Eiseres heeft weliswaar nog gesteld dat het pgb volledig is besteed aan de inkoop van zorg, maar zij heeft hiervan geen bewijsstukken overgelegd. Het door haar in bezwaar opgestelde overzicht van zorgkosten in de periode van 2010-2013 acht de rechtbank in dit verband onvoldoende onderbouwd met bijvoorbeeld zorgkostennota’s. Nu eiseres de inkomsten uit pgb niet aan verweerder heeft doorgegeven, is sprake van schending van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA. De rechtbank acht niet aannemelijk dat eiseres bij de verzekeringsarts tijdens de herkeuring in december 2014 op kenbare wijze heeft gesproken over het ontvangen van pgb. Dit blijkt niet uit de betreffende rapportage. Dat eiseres niet wist dat pgb als inkomsten uit arbeid worden gezien, leidt niet tot een ander oordeel. Het had, gelet op haar actieve meldingsplicht, op de weg van eiseres gelegen om hierover navraag te doen bij verweerder, zoals zij wel heeft gedaan bij het zorgkantoor en de sociale verzekeringsbank. De beroepsgrond slaagt niet.


6. Gelet op voorgaande is verweerder op grond van artikel 76, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA terecht overgegaan tot herziening van de WIA-uitkering over de periode van 1 september 2008 tot 1 april 2014. Van een dringende reden om van herziening af te zien, is de rechtbank niet gebleken.


Terugvordering


7. Verweerder is op grond van artikel 77, eerste lid, van de WIA in beginsel gehouden over te gaan tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde WIA-uitkering.


8. Over de berekening van de hoogte van de terugvordering voert eiseres aan dat verweerder er in het bestreden besluit II ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat het pgb op 1 april 2014 is gestopt. In de bijgevoegde herberekening zijn de maanden april tot en met juni 2014 nog vermeld, zodat eiseres vreest dat ook het gewijzigde terugvorderingsbedrag niet juist is vastgesteld. Deze vrees wordt gesterkt, doordat in de berekening daarnaast tweemaal de maand mei 2014 is vermeld.


9.1

De rechtbank begrijpt uit het bestreden besluit II in combinatie met de daarbij behorende bijlage dat verweerder de hoogte van eiseres’ recht op een WIA-uitkering opnieuw heeft berekend over de oorspronkelijke terugvorderingsperiode van 1 september 2008 tot en met 30 juni 2014. Verweerder heeft daarbij, conform de schikking met de Belastingdienst, een bedrag van € 800,- per jaar aan kosten in mindering gebracht op de pgb-inkomsten van eiseres in de jaren 2010-2013 en deze kosten daarnaast naar rato meegenomen in de herberekening over de jaren 2008, 2009 en 2014. In de herberekening heeft verweerder het verschil inzichtelijk gemaakt tussen het oorspronkelijk berekende WIA-recht (kolom bruto oud), op basis waarvan verweerder de oorspronkelijke terugvordering in het bestreden besluit I heeft gebaseerd, en het herziene WIA-recht (kolom bruto nieuw), na vermindering van de kosten op het ontvangen pgb. In de kolom verrekening heeft verweerder vervolgens per maand inzichtelijk gemaakt hoe hoog het verschil is tussen het oorspronkelijk berekende en het herziene WIA-recht van eiseres. Het totale verschil over de gehele oorspronkelijke terugvorderingsperiode (exclusief boete) bedraagt € 3.962,08. Verweerder heeft op basis daarvan het terugvorderingsbedrag in het bestreden besluit II vastgesteld op (€ 35.540,78 - € 3.962,08 =) € 31.578,70.


9.2

Zoals eiseres terecht opmerkt, heeft verweerder de periode van 1 april 2014 tot en met 30 juni 2014 betrokken in deze herberekening, terwijl vaststaat dat het pgb op 1 april 2014 is gestopt. In het bestreden besluit II heeft verweerder over de periode van 1 april 2014 tot 30 juni 2014 echter nog een aparte herberekening gemaakt, inclusief vakantietoeslag. In het bestreden besluit II alsmede in de aanvullende toelichting daarop van 27 juli 2017 heeft verweerder bevestigd dat de in deze herberekening weergegeven bedragen weer aan eiseres zijn nabetaald, zodat verweerder hiermee het berekende terugvorderingsbedrag voor de periode van 1 april 2014 tot en met 30 juni 2014 heeft gecompenseerd.


9.3

De rechtbank merkt ter verduidelijking aan eiseres nog op dat de maand mei 2014 tweemaal in de berekening is vermeld, omdat de ene regel betrekking heeft op de verrekening van de maandelijkse uitkering en de andere regel uitsluitend betrekking heeft op de jaarlijks in mei uit te keren vakantietoeslag. Verweerder heeft dit in de aanvullende reactie van 27 juli 2017 toegelicht.


9.4

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank evenmin aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder een te hoog bedrag van eiseres heeft teruggevorderd. De beroepsgrond slaagt niet.


10. Van terugvordering kan door verweerder worden afgezien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Volgens vaste rechtspraak is hiervan sprake, indien door de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële consequenties voor de betrokkene optreden. Een dringende reden om van terugvordering af te zien is in dit geval niet gesteld of gebleken, zodat de rechtbank daarvoor geen aanknopingspunten ziet.


11. Het beroep tegen het bestreden besluit II is ongegrond.


12. De rechtbank ziet evenwel in de wijziging van het bestreden besluit I hangende de beroepsprocedure, aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres als gevolg van het bestreden besluit I gemaakte proceskosten. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 990,- als kosten voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). In het voorgaande ziet de rechtbank eveneens grond verweerder op te dragen het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.



Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.H. van Ek, voorzitter, mr. J.W. Veenendaal en mr. E.C. Matiasen, leden, in aanwezigheid van mr. R.N. van Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2017.






griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.