Rechtbank Midden-Nederland, 27-12-2017 / C/16/443156 / HA ZA 17-605


ECLI:NL:RBMNE:2017:6808

Inhoudsindicatie
Incident tot vrijwaring afgewezen
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-12-27
Publicatiedatum
2018-02-14
Zaaknummer
C/16/443156 / HA ZA 17-605
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer


locatie Utrecht


zaaknummer / rolnummer: C/16/443156 / HA ZA 17-605


Vonnis in incident van 27 december 2017


in de zaak van


[eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. A.J.T.M. Hendriks te Weert,


tegen


[gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. M.J.J. de Ridder te Utrecht.



Partijen zullen hierna [eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] en [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] genoemd worden.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding,
  • - de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring,
  • - de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.



2De beoordeling in het incident

2.1.

[gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] vordert dat hem wordt toegestaan [bedrijfsnaam] N.V., gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: [bedrijfsnaam] ) in vrijwaring op te roepen. [eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


2.2.

[eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] was patiënt in de huisartsenpraktijk van [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] . [bedrijfsnaam] was de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar van [eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] . In de hoofdzaak vordert [eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] een verklaring voor recht dat [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] tekort is geschoten dan wel onrechtmatig ten opzichte van hem heeft gehandeld door zijn gehele medisch dossier vanaf 1989 aan [bedrijfsnaam] ter beschikking te stellen, zonder dat [eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] daarvoor toestemming had gegeven en zonder dat dit naar aanleiding van de vraagstelling van [bedrijfsnaam] noodzakelijk was.


2.3.

In de hoofdzaak betwist [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] dat hij tekort is geschoten of onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] . In de vrijwaring stelt [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] dat (de medisch adviseur van) [bedrijfsnaam] de medische informatie van [eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze was verstrekt. Deze handelwijze levert volgens [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] (ook) een tekortkoming en een onrechtmatige daad van [bedrijfsnaam] op ten opzichte van [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] . In het geval de rechtbank tot het oordeel zou komen dat [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] aansprakelijk is voor de door [eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] gestelde schade als gevolg van het verstrekken van deze informatie, is [bedrijfsnaam] daarom daarvoor (mede) aansprakelijk. [bedrijfsnaam] dient dan de schadevergoeding waartoe [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] in de hoofdzaak wordt veroordeeld geheel of gedeeltelijk aan [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] te vergoeden. [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] beroept zich daartoe op artikel 6:10 lid 1 BW (hoofdelijke verbondenheid) voor de schuld.


2.4.

[eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] betoogt dat de vordering tot vrijwaring moet worden afgewezen, omdat in dit geschil het onzorgvuldig handelen van [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] aan de orde is en het niet aan [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] is om te oordelen over de vraag of [bedrijfsnaam] onjuist heeft gehandeld.


2.5.

De rechtbank stelt voorop dat een vordering tot vrijwaring in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt indien uit feiten en omstandigheden die aan die vordering ten grondslag worden gelegd, voortvloeit dat de verzoeker tot vrijwaring in geval van een ongunstige afloop van de hoofdzaak, krachtens zijn onderlinge rechtsverhouding, een verhaalsrecht kan hebben op degene die hij in vrijwaring wenst op te roepen.


2.6.

De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen. [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] stelt weliswaar dat het handelen van [bedrijfsnaam] jegens hem een tekortkoming oplevert, maar heeft niet toegelicht op grond van welke contractuele relatie tussen hem en [bedrijfsnaam] hij deze stelling baseert. Voorts valt zonder nadere toelichting niet in te zien op welke feiten en gronden het gestelde gebruik van de gegevens voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, onrechtmatig zou zijn ten opzichte van [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] als verstrekker van de gegevens.


2.7.

[gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.


In de hoofdzaak


2.8.

De rechtbank zal een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.


2.9.

Elk van partijen wordt verzocht uiterlijk twee weken voor de zittingsdatum aan de rechter (t.a.v. de roladministratie) en aan de wederpartij toe te zenden (kopieën van) de bescheiden (voor zover nog niet in het geding gebracht) waarop zij ter comparitie een beroep wenst te doen (zie artikel 2.9 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken).

2.10.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.


2.11.

De behandeling van de zaak ter comparitie zal in beginsel de volgende onderwerpen bevatten. De rechter zal beginnen met een aantal formaliteiten. Vervolgens zal de rechter zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen.


2.12.

Ter comparitie zal niet de gelegenheid worden geboden om te pleiten, waarbij onder pleiten wordt verstaan het juridisch beargumenteren van de zaak aan de hand van een voorbereide, uitgeschreven pleitnotitie.


2.13.

Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn.


2.14.

Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen.


2.15.

Partijen moeten er op voorbereid zijn, dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen.


2.16.

De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.


2.17.

Indien partijen, zonder dat daaraan voorafgaand een comparitie wordt gehouden, gebruik willen maken van de mogelijkheid de zaak door te verwijzen naar een mediator, dienen zij dat binnen twee weken na de datum van dit vonnis aan de griffie te berichten.


3De beslissing

De rechtbank


in het incident

3.1.

wijst de vordering in het incident af,


3.2.

veroordeelt [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] tot op heden begroot op € 452,00,


3.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,


in de hoofdzaak

3.4.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. J.M. Willems in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op maandag 5 februari 2018 van 13.30 uur tot 15.00 uur,


3.5.

bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,

3.6.

bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk (dan wel per e-mail gericht aan: […] . […] . […] . […] @rechtspraak.nl aan de rechtbank (ter attentie van de roladministratie van de sector civiel) om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de reden(en) van uitstel en de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op het uitstelverzoek,


3.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.



Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Willems en in het openbaar uitgesproken op 27 december 2017.

1 type: SM/4183 coll: