Rechtbank Midden-Nederland, 24-05-2017 / 16/028649-02


ECLI:NL:RBMNE:2017:6905

Inhoudsindicatie
Verlenging van de terbeschikkingstelling verdachte. De rechtbank verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met twee jaar.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-05-24
Publicatiedatum
2018-06-06
Zaaknummer
16/028649-02
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling StrafrechtZittingslocatie Utrecht


Parketnummer: 16/028649-02


Beslissing verlenging terbeschikkingstelling met verpleging d.d. 24 mei 2017


In de zaak van de officier van justitie tegen


[betrokkene],

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats],

verblijvende in [psychiatrische instelling], [adres], [vestigingsplaats],

verder te noemen: betrokkene


advocaat mr. A.R. Ytsma te Amsterdam


heeft de officier van justitie de verlenging van de terbeschikkingstelling gevorderd. Op deze vordering heeft de rechtbank de volgende beslissing gegeven.


1De stukken

De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken waaronder:


- het arrest van het Gerechtshof Amsterdam, zittinghoudende te Arnhem van 11 mei 2005 waarbij de betrokkene ter beschikking is gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege, onder andere omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan moord;

- stukken waaruit blijkt dat de terbeschikkingstelling is ingegaan op 26 mei 2011 en dat de betrokkene op die datum is opgenomen in [psychiatrische instelling];

- de beslissing van deze rechtbank van 4 juni 2015, waarbij de termijn van terbeschikkingstelling voor het laatst is verlengd met twee jaar;

- de vordering van de officier van justitie d.d. 4 april 2017, die strekt tot verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar;

- het verlengingsadvies van 24 maart 2017, opgemaakt door drs. J.P. Schel (Hoofd Behandeling), R.U. Rangnit (psychiater) en drs. R.M.H. Schmitz (Directeur Behandeling en Zorg en plaatsvervangend hoofd van de inrichting) inhoudend het advies om de terbeschikkingstelling te verlengen met een jaar;

- het Pro Justitia-rapport van 5 mei 2017, opgemaakt door H.A. Gerritsen, forensisch psychiater;

- het Pro Justitia-rapport van 5 mei 2017, opgemaakt door P.E. Geurkink, psycholoog;

- de wettelijke aantekeningen over de periode 13 december 2014 tot en met 13 maart 2017.


2De procesgang


Tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 10 mei 2017 is de officier van justitie gehoord.

Tevens is de betrokkene gehoord, bijgestaan door zijn advocaat.


Voorts is de deskundige J.P. Schel voornoemd, werkzaam bij [psychiatrische instelling], gehoord.

3Het standpunt van de inrichting

Het standpunt van de inrichting blijkt uit het onder 1 genoemde rapport. De deskundige voornoemd heeft ter terechtzitting het rapport en het advies van de inrichting toegelicht.


Het standpunt luidt - zakelijk weergegeven - als volgt.


Er is bij betrokkene nog immer sprake van een stoornis en ook is het recidiverisico nog aanwezig. Betrokkene heeft weinig contact met zijn gevoelsleven en ontkent negatieve emoties. Hij is een persoon die stressgevoelig is en zijn eigen plan wil doorvoeren en bij tegenwerking of frustratie, vanuit krenking, agressief kan worden, weinig geremd wordt door zijn omgeving en eerder impulsief zal reageren. Dit wijst op de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische en schizoïde trekken.

Er kan inmiddels gesproken worden van een constructieve werkrelatie waarbij betrokkene

betrouwbaar is in het nakomen van de gemaakte afspraken. In toenemende mate kan gesproken worden van een intrinsieke motivatie voor de behandelinterventies en een gerichtheid op het exploreren van eigen gedrag. Met name binnen de individuele therapeutische contacten worden positieve ontwikkelingen gerapporteerd. Geleidelijk aan worden opgedane leerervaringen gegeneraliseerd naar het sociotherapeutisch milieu, maar voor betrokkene blijft het lastig deel uit te maken van een groep en zich te verhouden tot een team van sociotherapeuten. Het afgelopen jaar is sprake geweest van begeleid verlof in de regio van de kliniek. Deze verloven zijn conform gemaakte afspraken verlopen en hebben het contact tussen betrokkene en de begeleidende sociotherapeuten duidelijk verbeterd. De verbeterde contactname zet zich tevens door gedurende het verblijf op de afdeling.

De kernproblematiek is echter nog duidelijk herkenbaar en betrokkene heeft zich nog onvoldoende aan de vanuit de kliniek geïndiceerde risicomanagementstrategiën verbonden. Zonder voortzetting van de huidige behandeling wordt de kans op recidive, met name op de lange termijn, ingeschat als hoog. Terughoudendheid van het ministerie bij het toekennen van verlof heeft geleid tot enige vertraging in het beoogde traject. Gestreefd wordt naar een voortvarende opbouw van verlofmogelijkheden daar verondersteld wordt dat betrokkene, mede gelet op de problematiek, gebaat is bij een meer zelfstandig verblijf in een van de appartementen van de kliniek én een passende externe daginvulling. Naar verwachting zal dit de responsiviteit binnen de behandeling doen toenemen. Verondersteld wordt dat betrokkene over voldoende zelfredzaamheidsvaardigheden beschikt teneinde adequaat binnen een dergelijke woon- en werkconstructie te kunnen verblijven. Naar verwachting kan in het derde kwartaal van 2017 een aanvraag voor transmuraal verlof worden ingediend teneinde doorstroom naar een appartement mogelijk te maken. Naar verwachting kan de resocialisatie, na een verblijf in het appartement, gericht worden op een ambulant begeleide woonvorm. Bij een goed verloop van de beoogde inbedding in een meer maatschappelijke context kan een dergelijke doorstroom medio 2018 gerealiseerd worden.


Het advies luidt de terbeschikkingstelling met dwangverpleging te verlengen voor de duur van een jaar.


De deskundige heeft ter zitting naar voren gebracht dat in de huidige fase van de behandeling wordt onderzocht in hoeverre de draagkracht van betrokkene onder druk komt te staan bij een toename van vrijheden en verantwoordelijkheden. Een voortvarende opbouw van verlofmogelijkheden is daarom vanuit behandelperspectief geïndiceerd. Inmiddels is een machtiging voor onbegeleid verlof afgegeven en betrokkene is een paar keer met onbegeleid verlof geweest en dit is goed gegaan. Door dit onbegeleide verlof is het mogelijk om te onderzoeken hoe betrokkene omgaat met potentiële problemen. Naar verwachting kan in het derde kwartaal een machtiging voor transmuraal verlof worden aangevraagd, hetgeen nodig is voor de beoogde doorstroom van betrokkene naar een appartement.

De deskundige heeft toegelicht dat het verzoek van de inrichting om de maatregel met een jaar te verlengen is met name ingegeven doordat de inrichting zich erg beperkt heeft gevoeld door de terughoudende opstelling van de verlofunit van het ministerie in de toekenning van verloven. De deskundige heeft ter zitting aangegeven dat het -ook bij een voorspoedig verloop van de behandeling- niet de verwachting dat over een jaar gesproken kan worden over een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging.


4Het standpunt van de niet aan de inrichting verbonden deskundigen

De deskundigen concluderen dat er bij betrokkene nog immer sprake is van een stoornis. Zij achten het recidiverisico op hernieuwd agressief gedrag bij een beëindiging van de terbeschikkingstelling nog zeker aanwezig.


Uit het psychiatrisch rapport volgt dat betrokkene lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met schizoïde en narcistische trekken. Betrokkene begint nu te profiteren van de lopende behandeling. Belangrijk knelpunt is dat betrokkene geen goed zicht heeft op (de ernst van) zijn persoonlijkheidsstoornis. Er is ook nu nog onvoldoende zicht op de delictdynamiek en de (vermoedelijke) delictgerelateerde factoren zijn vooralsnog onvoldoende bewerkt. Het is zeer de vraag of betrokkene -als hij na vele jaren binnen te hebben gezeten en weer in de vrije maatschappij komt- voldoende opgewassen is tegen de dagelijkse problemen die hij onherroepelijk zal tegenkomen. De psychiater acht het noodzakelijk en voorwaardelijk dat het netwerk bij de behandeling wordt betrokken om enerzijds de diagnostiek te toetsen en anderzijds om een -indien mogelijk en haalbaar- toekomst uit te stippelen. Het is te verwachten dat de tbs-maatregel de komende jaren nog zal moeten doorlopen. Volgens de psychiater is het nu veel te vroeg om de verpleging voorwaardelijk te beëindigen. Het advies luidt de terbeschikkingstelling met dwangverpleging te verlengen voor de duur van twee jaar.


Uit het psychologisch rapport volgt dat betrokkene lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met schizoïde kenmerken en een stoornis in het gebruik van alcohol (licht). Betrokkene is slecht te lezen, en het risicomanagement moet daarom vooral extern worden vormgegeven, dus controles op middelengebruik en voldoende toezicht en begeleiding om te voorkomen dat de spanning te hoog oploopt. Dit noodzaakt volgens de psycholoog tot het maken van kleine stappen bij de verdere resocialisatie. Om deze stappen veilig te kunnen zetten wordt een verlenging van de huidige maatregel met één jaar nu zeker wenselijk geacht.

De psycholoog geeft verder aan dat, als betrokkene over een jaar stabiel buiten woont met een goed risicomanagement, waar hij ook goed aan meewerkt, zou kunnen worden gekeken naar de mogelijkheden dit vervolgens uit te voeren in het kader van een voorwaardelijke beëindiging van het bevel tot verpleging.


5Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting haar vordering strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met twee jaar gehandhaafd. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat betrokkene grote stappen heeft gemaakt, maar dat hij nog een lange weg heeft te gaan en dat beveiliging van de maatschappij door middel van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging nog steeds nodig is, nu het recidiverisico zonder dat kader nog hoog is.

6Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft gepleit voor een verlenging van de maatregel voor de duur van één jaar, primair om de mogelijkheid van een voorwaardelijke beëindiging te bespreken en subsidiair om te bekijken waar betrokkene dan staat. Daartoe is onder andere aangevoerd dat betrokkene grote stappen heeft gezet en dat de psycholoog heeft aangegeven dat het volgend jaar mogelijk verantwoord is dat de maatregel van karakter verandert.

7Beoordeling


Maximering

De rechtbank stelt voorop dat in de verlengingsbeslissing van 29 mei 2013 is beslist dat de terbeschikkingstelling niet gemaximeerd is tot vier jaar.


Stoornis en recidivegevaar

Uit de advisering van de kliniek blijkt dat er nog immer sprake is van een stoornis bij betrokkene, te weten een persoonlijkheidsstoornis NAO met schizoïde en narcistische trekken. Het recidivegevaar wordt in geval van beëindiging van toezicht of maatregel nog hoog geacht, gelet op de vooralsnog onvoldoende bewerkte criminogene factoren.

De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van deze advisering te twijfelen en neemt deze over.


Verlenging

Gelet op de advisering en hetgeen overigens ter zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de algemene veiligheid van personen verlenging van de terbeschikkingstelling eist.

Uit de rapportages en de toelichting van de deskundige komt naar voren dat betrokkene zich kan vinden in de uitgangspunten van de diagnostiek, dat hij zijn delictgedrag bespreekbaar kan maken, dat hij in toenemende mate verbindingen aangaat met de leden van het behandelteam en op constructieve wijze in uiteenlopende therapeutische interventies participeert. Alhoewel betrokkene, binnen het huidige gesloten en gestructureerde verblijf, vorderingen maakt op de uiteenlopende criminogene factoren, is de kernproblematiek nog immer duidelijk herkenbaar gebleken en heeft betrokkene zich nog onvoldoende verbonden aan de vanuit de kliniek geïndiceerde risicomanagementstrategieën. Er is dus nog een duidelijke noodzaak voor het behoud van de huidige maatregel.

De komende periode zal gebruikt worden om – als alles volgens plan verloopt - betrokkene middels transmuraal verlof naar een appartement van de kliniek door te laten stromen. Naar verwachting kan de resocialisatie na een stabiel verblijf in een appartement gericht worden op een ambulante begeleide woonvorm.

Uit de verschillende rapporten en de verklaring van de deskundige ter zitting volgt dat gezien de fase van de behandeling waarin betrokkene zich nu bevindt en de stappen die nog moeten worden gezet in het resocialisatietraject -ook bij een voorspoedig verloop van de behandeling- een voorwaardelijke beëindiging over een jaar nog niet aan de orde zal zijn.


Het uitgangspunt van de rechtbank is dat, wanneer aannemelijk is geworden dat de behandeling meer tijd in beslag zal nemen dan een jaar, de terbeschikkingstelling - behoudens bijzondere omstandigheden - verlengd dient te worden met een termijn van twee jaar. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het verzoek van betrokkene en zijn raadsman om de termijn van terbeschikkingstelling vooralsnog met een jaar te verlengen en zal de maatregel met twee jaar verlengen.

8De toepasselijke wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht.


9De beslissing


De rechtbank verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van [betrokkene] met twee (2) jaar.



Deze beslissing is gegeven door E. Akkermans, voorzitter, C.A.M. van Straalen en R. Moed, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.M. Westerhout en is uitgesproken ter openbare zitting van 24 mei 2017.