Rechtbank Midden-Nederland, 26-06-2017 / 16/659270-17


ECLI:NL:RBMNE:2017:6935

Inhoudsindicatie
Veroordeling inbraak op basis van herkenning en Whatsapp gesprekken + tul
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-06-26
Publicatiedatum
2018-07-11
Zaaknummer
16/659270-17
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling straf-, familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Utrecht


Parketnummers: 16/659270-17; 16/228812-16 (vordering na voorwaardelijke veroordeling) (P)



Vonnis van de meervoudige kamer van 26 juni 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Flevoland, Huis van Bewaring Almere Binnen



1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 juni 2017.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie en van hetgeen verdachte en mr. M. Rotgans, advocaat te Utrecht naar voren hebben gebracht.



2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 5 maart 2017 in Maartensdijk goederen uit een woning heeft weggenomen.



3VOORVRAGEN


De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.



4WAARDERING VAN HET BEWIJS


4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen. De officier van justitie acht de door verdachte afgelegde verklaring, dat niet hij, maar een ander de goederen heeft weggenomen, gelet op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, niet geloofwaardig.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde.

De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte de insluiping heeft gepleegd.

De door aangeefster en [B] gedane herkenningen zijn onvoldoende specifiek en daarom onvoldoende betrouwbaar om tot een bewezenverklaring te komen. De maat van de trui die onder verdachte in beslag is genomen is een reguliere maat voor mannen, de verklaring van verdachte dat hij deze trui zelf heeft gekocht is plausibel.

Verdachte verbleef bij [A] . Daar kwamen veel personen over de vloer. Daarom kan niet uitgesloten worden dat een ander, anders dan verdachte, de telefoon van verdachte heeft gebruikt. De aangetroffen zoektermen en foto zijn derhalve onvoldoende om aan te nemen dat verdachte de dader is geweest die op de beelden te zien is. Bij het WhatsAppgesprek met “ [bijnaam 1] ” ontbreekt een tijdstip. Daarom kan daaruit niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat verdachte de dader is geweest.

Gelet op de tijdsaanduiding op de camerabeelden, heeft de insluiping plaatsgevonden tussen 11.56 uur en 12.10 uur en niet tussen 10.56 uur en 11.10 uur zoals staat vermeld in het proces-verbaal van bevindingen (pagina 147 van het hierna genoemde proces-verbaal). Verdachte was om 12.30 uur bij [A] . Het is niet mogelijk om met de auto, danwel het openbaar vervoer in een tijdsbestek van minder dan 20 minuten van het adres van de insluiping naar het adres van [A] te reizen. Verdachtes alibi wordt onderbouwd door [A] , die heeft verklaard dat hij op 5 maart 2017 om 12.30 uur wakker werd en dat verdachte de hele dag bij hem in de woning is geweest.

De handelingen van verdachte, het geven van een tip en het uitlenen van zijn schoenen aan de dader, kunnen niet anders worden gekwalificeerd dan medeplichtigheid, hetgeen niet ten laste is gelegd.


4.3

Het oordeel van de rechtbank


Bewijsmiddelen

[aangeefster] heeft op 5 maart 2017 met haar man omstreeks 08.45 uur de woning aan de [adres] te [woonplaats] verlaten. Haar zoon [B] was nog thuis, hij zou later die ochtend een vriend ophalen. Omstreeks 13.45 uur kwamen zij weer thuis, [B] was er toen ook. Later die middag misten zij een aantal goederen waaronder een Playstation 4 en een laptop van het merk Lenovo. Op de beelden van de camera’s, gericht op de tuin, zag zij dat een persoon door de tuin rende en via de – kennelijk niet afgesloten achterdeur – de woning binnenging. Zij herkende de persoon als de vriend die haar zoon [B] die dag zou ontmoeten. Zij herkende hem aan zijn manier van lopen en zijn houding. Daarnaast kwam zijn postuur overeen en droeg hij de schoenen die zij hem zelf twee dagen eerder had gegeven. Deze schoenen hadden opvallende groene zolen. Deze vriend betrof [verdachte] . Bij de diefstal zijn – naast de Playstation en de laptop - een camera Canon Powershot en een groen gevlekte trui met een groot Adidas logo op de borst weggenomen.


[B] zou [verdachte] op 5 maart 2017 om 10.30 uur ontmoeten op het station Bilthoven. Hij stond daar op hem te wachten en kreeg tweemaal een bericht van [verdachte] dat deze later zou komen. [verdachte] kwam niet en hij kreeg telefonisch geen contact met [verdachte] . Om 12.30 uur was hij weer thuis. Later die middag miste hij zijn Playstation 4, een controller, een spel en de stroomkabel. Op de camerabeelden van de tuin zag hij een jongen lopen die hij herkende als [verdachte] . Hij herkende [verdachte] aan de opvallende schoenen die hij droeg. Deze hadden een tijdje bij [B] thuis gelegen en [verdachte] had de schoenen afgelopen donderdag opgehaald.


Verdachte werd op 15 maart 2017 aangehouden, verdachte droeg onder andere donkergroene Nike sportschoenen met groene zolen en een groen/zwart gecamoufleerde sweater met op de voorzijde een grote opdruk van het merk Adidas. In de woning van [A] werd tussen de spullen van verdachte een camera Canon Powershot aangetroffen.


Uit onderzoek in het Digitaal Opkopers Register kwam naar voren dat:

- verdachte op 6 maart 2017 een Playstation 4, 500 GB met controller en kabel had verkocht aan [naam winkel] in [vestigingsplaats] ;

- [A] op 11 maart 2017 een Lenovo G780 i7 laptop had verkocht aan [naam winkel] in [vestigingsplaats] .

Het serienummer van de bij [naam winkel] aangeboden laptop CB21412878 was gelijk aan het serienummer van de weggenomen laptop van aangeefster [aangeefster] .


[A] heeft verklaard dat hij op 11 maart 2017 de laptop had ingeleverd bij [naam winkel] . Hij had de laptop gekregen van degene die hem gestolen had.


Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de laptop, afkomstig van de diefstal, aan [A] heeft gegeven.


Tijdens het onderzoek aan de in beslag genomen telefoon van verdachte werden onder andere de navolgende WhatsApp-gesprekken aangetroffen op de telefoon:

7 maart 2017, een gesprek tussen verdachte en “ [bijnaam 2] ”

Tijdens het gesprek stuurt de gebruiker van de telefoon van verdachte (hierna: [verdachte] ) een foto naar “ [bijnaam 2] ”. Dit betrof een screenshot uit de camerabeelden zoals deze door de aangeefster aangeleverd waren. De foto toont de dader van de insluiping.

[bijnaam 2] : Wie is dat?

[verdachte] : Wie denk je?

[bijnaam 2] : Jij?

[verdachte] : Hahahaha

[bijnaam 2] : Geen handschoenen niks

[bijnaam 2] : Je raakt gewoon die deurklink aan zo.

….

[verdachte] : Deur klink schoon geveegd sceere kleding die jr weg kan gooie en wello gezichts herkenning


5 maart 2017 een gesprek tussen verdachte en “ [bijnaam 1] ”

[verdachte] : Ik heb een pc met ww er op en die moet eraf

[verdachte] : wanneer heb je tijd

[bijnaam 1] : vanavond

[verdachte] : Vnv gaat niet lukken aankomende week kom ik langs


15 maart 2017, een groepsgesprek waar verdachte aan deel neemt

[verdachte] : Ja, ik steel eerlijk voor mijn centjes


Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 7 maart 2017 de betreffende foto naar “ [bijnaam 2] ” had gestuurd.


Bewijsoverweging/Bewijsoverwegingen


Herkenningen door [aangeefster] en [B]

De rechtbank acht, anders dan de raadsvrouw, de door aangeefster en haar zoon gedane herkenningen, mede gelet op het feit dat zij verdachte – een vriend van [B] – kennen, voldoende specifiek en betrouwbaar. Zij benoemen daarbij de schoenen en het postuur. [aangeefster] benoemt daarnaast zijn houding en manier van lopen.

Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat de schoenen met groene zolen die hij ter zitting aan had de schoenen waren die hij eerder van aangeefster en haar zoon had gekregen.


Laptop en Playstation

Verdachte heeft verklaard dat hij de laptop en Playstation ’s avonds op 5 maart 2017 had gekregen van de persoon die deze voorwerpen uit de woning had weggenomen.

De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig.

Uit de op de telefoon van verdachte aangetroffen zoektermen volgt onder andere dat op 5 maart 2017 om 12.49 uur al is gezocht op “ [naam winkel] [vestigingsplaats] ”. De weggenomen Playstation is vervolgens door verdachte op 6 maart 2017 verkocht aan [naam winkel] te [vestigingsplaats] .

Het vanaf de telefoon van verdachte gevoerde WhatsaApp gesprek met “ [bijnaam 1] ” begint op 5 maart 2017, enkele uren na de diefstal. Verdachte geeft direct in het begin van het gesprek aan dat hij een pc heeft waar een wachtwoord vanaf moet. “ [bijnaam 1] ” geeft vervolgens aan dat hij ’s avonds pas tijd heeft.


De rechtbank stelt, op grond van het vorenstaande vast, dat verdachte al in de middag van 5 maart 2017 beschikte over de weggenomen goederen en acht dus niet geloofwaardig dat verdachte deze goederen ’s avonds van een ander had gekregen.


Sweater merk Adidas en camera merk Canon

Uit de woning van aangeefster werden eveneens een groen/zwart gecamoufleerde sweater met de opdruk “Adidas” en een camera van het merk Canon, type Powershot weggenomen.


In de woning aan de [adres] te [vestigingsplaats] werd tussen de spullen van verdachte een camera van het merk Canon aangetroffen. Aangeefster herkende vervolgens de aangetroffen camera voor 100% als de weggenomen camera.

De trui die verdachte ten tijde van zijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris aan had, kwam volledig overeen met de afbeelding van de trui die bij aangeefster was weggenomen. Ook de maat van de trui “M” die verdachte droeg kwam overeen met de maat van de weggenomen trui.


WhatsApp gesprek telefoon verdachte met “ [bijnaam 2] ”

Verdachte heeft verklaard dat hij in de Whatsapp-gesprek van 7 maart 2017 met “ [bijnaam 2] ” weliswaar de betreffende foto heeft gestuurd, maar een andere persoon in zijn bijzijn vervolgens het betreffende Whatsapp-gesprek heeft gevoerd.

De rechtbank overweegt dat het initiatief tot het gesprek is genomen vanaf de telefoon van verdachte. Verdachte wil geen naam noemen van de persoon die volgens verdachte het gesprek met “ [bijnaam 2] ” gevoerd zou hebben en heeft daarmee geen enkel aanknopingspunt gegeven voor nader onderzoek op dit punt. Uit de inhoud van het WhatsApp-gesprek volgt niet dat deze “ [bijnaam 2] ” het gesprek niet met verdachte maar met een ander voerde. Het gesprek werd bovendien direct vervolgd na het verzenden van de foto aan “ [bijnaam 2] ”, waarvan verdachte heeft verklaard dat hij deze foto heeft verzonden.

De rechtbank acht het daarom niet aannemelijk dat het betreffende WhatsApp gesprek met “ [bijnaam 2] ” door een andere persoon dan verdachte is gevoerd .


Verklaringen verdachte

Verdachte heeft in zijn verhoren bij de politie en ter terechtzitting in het algemeen wisselend en/of tegenstrijdig verklaard. Verdachte heeft daarmee de indruk gewekt dat hij zijn verklaringen heeft aangepast aan de hand van hetgeen in de loop van het onderzoek bekend werd. De rechtbank acht de verklaringen van verdachte niet geloofwaardig.


De verklaring van [A] dat verdachte op 5 maart 2017 de hele dag bij hem was, acht de rechtbank, bezien in het licht van voornoemde bewijsmiddelen, evenmin geloofwaardig.


Tijdregistratie camerabeelden woning aangeefster [aangeefster]

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat, gelet op de tijdsaanduiding op de camerabeelden, de insluiping heeft plaatsgevonden tussen 11.56 uur en 12.10 uur.

Gelet op de tijdstippen genoemd in de aangifte van [aangeefster] is het aannemelijk dat de insluiping plaats heeft gevonden tussen 10.56 uur en 11.10 uur en dat de tijdsaanduiding van de camera’s ingesteld was op de reguliere (zomer)tijd.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw.


De rechtbank acht het, op grond van het vorenstaande en voornoemde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, niet aannemelijk dat een ander dan verdachte op 5 maart 2017 de goederen heeft weggenomen. Met uitzondering van een flesje parfum was de gehele buit van de insluiping in het bezit van verdachte. Daarnaast heeft verdachte geen naam willen noemen en daarmee geen enkel aanknopingspunt gegeven waarmee nader onderzoek gedaan zou kunnen worden naar deze door hem genoemde dader. Het door hem gepresenteerde alternatieve scenario is volstrekt niet aannemelijk geworden.


De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 5 maart 2017 goederen heeft weggenomen uit de woning aan de [adres] te [woonplaats] .



5BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 05 maart 2017 te [woonplaats] , gemeente De Bilt, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een playstation en een laptop (merk Lenovo), toebehorende aan [aangeefster] en/of [B] .


Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.



6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Het bewezen verklaarde levert het volgende strafbare feit op: diefstal.



7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.



8OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL


8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 7 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daarbij de bijzondere voorwaarden van verplicht reclasseringstoezicht, een meldplicht en een ambulante behandeling en de overige voorwaarden zoals vermeld in het rapport van de reclassering.


8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – kort gezegd – bepleit, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, aan verdachte geen (al dan niet voorwaardelijke) ISD-maatregel op te leggen. De verdediging heeft verzocht aan verdachte een straf op te leggen, gelijk aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met daarbij een voorwaardelijk strafdeel en bijzondere voorwaarden.


8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.


De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Insluipingen in woningen zorgen voor gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers en in de maatschappij. Het is voor de slachtoffers vaak bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een ander in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht. Woningen zijn bij uitstek de plaats waar men zich veilig zou moeten kunnen voelen. Door zijn handelen heeft verdachte dit gevoel van veiligheid aangetast. Daarnaast zorgen dergelijke feiten voor financiële schade en overlast bij de slachtoffers.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij misbruik heeft gemaakt van de vriendschap en het vertrouwen van de bewoners. Verdachte heeft de zoon van de bewoners, die hem die dag van het station zou afhalen, met smoesjes weggehouden uit de woning en van die gelegenheid gebruik gemaakt om de woning binnen te dringen en goederen weg te nemen.

Verdachte heeft er op geen enkel moment blijk van gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien en heeft enkel en alleen gehandeld uit eigen belang en voor zijn eigen financiële gewin.

Uit het strafblad van verdachte volgt dat verdachte nog geen twee weken voor dat hij het onderhavige feit pleegde, voor een soortgelijk feit is veroordeeld door de kinderrechter en in het verleden vaker is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Verdachte laat zich er kennelijk op geen enkele wijze van weerhouden telkens opnieuw strafbare feiten te plegen.


Gelet op het vorenstaande kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.


Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het reclasseringsadvies van de Reclassering Nederland van 9 juni 2017. Uit het rapport volgt dat verdachte niet of nauwelijks beschikt over vaardigheden om zelfstandig en sociaal te functioneren als jongvolwassene. Er is vanaf jonge leeftijd sprake van probleemgedrag. Tevens is er sprake van een complexe problematiek, problematiek op meerdere leefgebieden en is verdachte – ondanks alle geboden hulpverlening - niet leerbaar. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De reclassering heeft geadviseerd aan verdachte de ISD-maatregel op te leggen. De rechtbank is van oordeel dat een ISD-maatregel op dit moment niet in beeld is, nu niet aan alle wettelijke vereisten, benodigd voor het opleggen van een ISD-maatregel, is voldaan.

De reclassering heeft voorts geadviseerd verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen, zoals een meldplicht, een (ambulante) behandelverplichting en andere voorwaarden betreffende het gedrag van verdachte.


Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een straf zoals door de officier van justitie is geëist passend en geboden is. De rechtbank zal verdachte daarom een gevangenisstraf van 7 maanden opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank acht, gelet op de nog jonge leeftijd van verdachte, zijn problematiek en zijn persoon, behandeling en begeleiding van verdachte noodzakelijk.

De rechtbank zal een deel van de gevangenisstraf, groot 3 maanden, voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren. Deze voorwaardelijk straf maakt het opleggen van de bijzondere voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd, mogelijk.


verzoeken verdediging:

De rechtbank wijst, gelet op de op te leggen straf, het verzoek van de verdediging, tot opheffing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden, af. De situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 Sv. is thans nog niet aan de orde. Het bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Het verzoek tot schorsing wordt eveneens afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat het maatschappelijk belang zwaarder weegt dan het belang van verdachte.

De rechtbank ziet geen enkele noodzaak de behandeling van de zaak aan te houden en een psychologische rapportage over verdachte op te laten stellen en wijst het voorwaardelijke verzoek van de verdediging daartoe af.



9BENADEELDE PARTIJ


[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.398,84, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiele schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.


9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat op de vordering voor de schadepost fotocamera een bedrag van € 300,00 is vermeld. Dit bedrag dient op de vordering in mindering te worden gebracht, nu deze camera terug is gegeven aan de benadeelde partij.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot een bedrag van

€ 1.098,84 met daarbij de gevorderde wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.


9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat, primair gelet op de bepleite vrijspraak en subsidiair gelet op het feit dat niet bekend is of de verzekeraar van de benadeelde de schade vergoed, de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De bedragen van de posten PlayStation en de laptop dienen gematigd te worden. Gelet op de ouderdom dienen afschrijvingskosten in mindering te worden gebracht.

De vordering dient afgewezen, dan wel niet ontvankelijk verklaard te worden ten aanzien van de posten trui en parfum, nu deze voorwerpen niet op de tenlastelegging staan vermeld en deze voorts onvoldoende onderbouwd zijn.


De vordering dient afgewezen te worden ten aanzien van de posten reparatie verlichting en dierenambulance, nu er voor deze posten geen sprake is van een causaal verband in relatie tot het tenlastegelegde.


9.3

Het oordeel van de rechtbank

De schade voor zover die betrekking heeft op de schadeposten Playstation, computer Lenovo, computerspel Skyrim, Adidas trui, parfum en autosleutel ter hoogte van in totaal

€ 793,00 komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank acht deze schadeposten, gelet op de aard, ernst en omstandigheden van het feit en de in de vordering gegeven toelichting, voldoende onderbouwd.

De rechtbank heeft daarbij een afschrijvingspercentage van 15% per jaar gehanteerd voor de posten Playstation (€ 399,00 – 2 x 15 % = € 280,00) en computer (€ 845,00 – 4 x 15% =

€ 338,00) .

Anders dan de officier van justitie leest de rechtbank de vordering zo dat er voor de schadepost fotocamera geen bedrag op de vordering is vermeld, nu deze camera terug is naar de benadeelde. Het op de vordering vermelde bedrag van € 300,00 ziet naar het oordeel van de rechtbank op de schadepost Playstation.

De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 793,00 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 5 maart 2017.




De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de schadeposten reparatie verlichting en dierenambulance niet is gebleken van een causaal verband met het bewezenverklaarde feit.

De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.


Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.


De rechtbank zal in het belang van voornoemde benadeelde partij als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opleggen, omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het bewezen geachte feit heeft toegebracht.



10VORDERING TENUITVOERLEGGING


10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering na voorwaardelijke veroordeling toe te wijzen.


10.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard nu het betreffende vonnis van de kinderrechter van 21 februari 2017 nog niet onherroepelijk is omdat verdachte daartegen hoger beroep heeft ingesteld.


10.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat uit artikel 14c, lid 1, onder a, van het Wetboek van Strafrecht volgt dat de tenuitvoerlegging gelast kan worden ter zake van strafbare feiten begaan voordat de voorwaardelijke veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Hoge Raad van 14 juni 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT5752).


Bij vonnis van de kinderrechter van deze rechtbank van 21 februari 2017 (parketnummer 16/228812-16) is verdachte een jeugddetentie voorwaardelijk opgelegd. Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Om die reden zal de rechtbank bepalen dat deze straf alsnog ten uitvoer gelegd wordt.



11TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.








12BESLISSING


De rechtbank:


Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;


- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;


Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feit oplevert:

diefstal;

- verklaart verdachte strafbaar;


Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden;


- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;


- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 3 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;


- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;


- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;


- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:

* zich binnen één werkdag volgend op zijn invrijheidstelling persoonlijk zal melden bij Reclassering Nederland op het volgende adres: Vivaldiplantsoen 200, 3533 JE Utrecht. Hierna moet de verdachte zich gedurende de door reclassering Nederland aangegeven periode blijven melden zolang Reclassering Nederland dit nodig acht;

* verplicht zal meewerken aan diagnostisch onderzoek (in de vorm van zgn. Abraham-onderzoek of een ander diagnostisch onderzoek) en behandeling (Topzorg) bij de forensische polikliniek De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de behandelaar zullen worden gegeven;




* verplicht zal meewerken aan:

- aanmelding en verblijf in een instelling voor begeleid wonen,

- het verlenen van toestemming voor het raadplegen van referenten, zoals zijn ouders,

- urinecontroles op drugs,

zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;


- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;


Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van € 793,00 bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 5 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;


- verklaart [aangeefster] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;


- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;


- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster] aan de Staat € 793,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 maart 2017 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;



- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;


Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/228812-16

- wijst de vordering toe;


- gelast de tenuitvoerlegging van de door de kinderrechter in deze rechtbank bij vonnis van 21 februari 2017 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 6 weken;


Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf

- wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.


Dit vonnis is gewezen door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, voorzitter, mrs. L. Verschoor-Bergsma en H.F. Koenis, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 juni 2017.



BIJLAGE I: De tenlastelegging


Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat


hij op of omstreeks 05 maart 2017 te [woonplaats] , gemeente De Bilt,, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen een playstation en/of een laptop (merk Lenovo), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster] en/of [B] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht



1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0900-2017067908, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 179. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2 Proces-verbaal van aangifte [aangeefster] , pagina 7.
3 Proces-verbaal van aangifte [aangeefster] , pagina 8.
4 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 41-42.
5 Proces-verbaal van verhoor getuige [B] , pagina 9.
6 Proces-verbaal van verhoor getuige [B] , pagina 10.
7 Proces-verbaal van aanhouding, pagina 28.
8 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 53.
9 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 54.
10 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 55.
11 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 141.
12 Proces-verbaal van verhoor [A] , pagina 109.
13 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 12 juni 2017.
14 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 102.
15 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 145.
16 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 146.
17 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 12 juni 2017.