Rechtbank Midden-Nederland, 01-03-2017 / 5165260


ECLI:NL:RBMNE:2017:934

Inhoudsindicatie
Vordering tot naleving cao uitzendkrachten van SNCU tegen uitzendbureau en tegen oud-bestuurder en opvolgend bestuurder.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-03-01
Publicatiedatum
2017-03-14
Zaaknummer
5165260
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2017/1312
  • AR-Updates.nl 2017-0282
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter


locatie Utrecht


zaaknummer: 5165260 UC EXPL 16-9263 PK/1097


Vonnis van 1 maart 2017


inzake


de stichting

Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten,

gevestigd te Barendrecht,

verder ook te noemen de SNCU,

eisende partij,

gemachtigde: mr. J. van der Voet,


tegen:


1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HBM Talent B.V.,

gevestigd te Woerden,

verder ook te noemen HBM Talent,

gedaagde partij

niet verschenen,

2. [A],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [A],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. W.T. Broer,

3. [B],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [B],

gedaagde partij,

niet verschenen.



1Het verloop van de procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding van 9 juni 2016
  • - de conclusie van antwoord van 24 augustus 2016
  • - het vonnis van 31 augustus 2016 waarbij een comparitie van partijen is gelast
  • - het faxbericht van mr. Broer van 15 december 2016
  • - het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 21 december 2016.

1.2.

Hierna is uitspraak bepaald.

2. De feiten


2.1.

De SNCU is opgericht door werknemers- en werkgeversorganisaties in de uitzendbranche. Het doel van de SNCU is het geven van voorlichting en informatie over voorschriften die voortvloeien uit de ABU‑cao voor Uitzendkrachten, de NBBU‑cao voor Uitzendkrachten en de cao Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche (cao SFU) (hierna: de cao's voor Uitzendkrachten). Voorts ziet de SNCU toe op de naleving van de cao's voor Uitzendkrachten. Op grond van haar statuten heeft de SNCU een deel van haar bevoegdheden (met name met betrekking tot het houden van toezicht op de naleving van de cao's voor Uitzendkrachten) overgedragen aan de Commissie Naleving van Uitzendkrachten (de CNCU).


2.2.

HBM Talent is actief geweest als uitzendbureau in de zin van de cao's voor Uitzendkrachten. [A] is tot 19 februari 2016 (middellijk) enig aandeelhouder en enig bestuurder geweest van HBM Talent. Op 19 februari 2016 is hij in deze hoedanigheden opgevolgd door [B]. HBM Talent is niet aangesloten bij enige werkgeversorganisatie in de uitzendbranche. Zij valt onder de werkingssfeer van de NBBU‑cao gedurende de periode dat deze algemeen verbindend verklaard is geweest.


2.3.

In opdracht van de SNCU heeft het onderzoeksbureau Providius bij HBM Talent een onderzoek ingesteld naar de naleving van de cao's voor Uitzendkrachten met betrekking tot de periode 17 september 2013 tot en met 30 september 2014. In deze periode was de NBBU‑cao algemeen verbindend verklaard. Op 13 februari 2015 heeft Providius een definitieve rapportage opgemaakt, waarin is vermeld dat met betrekking tot een tiental (ex)werknemers van HBM Talent de NBBU‑cao niet correct is nageleefd. Volgens dit rapport zijn deze werknemers voor een bedrag van € 5.154,-- in totaal benadeeld. Na extrapolatie aan de hand van de totale loonsom van HBM Talent is in het rapport de "totale indicatieve materiële schadelast" vastgesteld op € 17.481,--.


2.4.

Bij brief van 7 april 2015 heeft de SNCU HBM Talent onder meer gesommeerd om binnen 12 weken het op grond van de cao verschuldigde achterstallige salaris van de betrokken (ex)medewerkers van HBM Talent van € 17.481,-- aan die (ex-)medewerkers na te betalen. HBM Talent heeft niet aan deze sommatie voldaan.


2.5.

Bij brief van 13 mei 2015 heeft de SNCU HBM Talent meegedeeld dat indien zij blijft volharden in haar weigering om mee te werken een schadevergoeding zal worden opgelegd van € 11.254,--, en voorts dat zij HBM Talent in rechte zal betrekken.


2.6.

HBM Talent heeft niet meer gereageerd.



3Het geschil


3.1.

De SNCU vordert, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, hoofdelijke veroordeling van gedaagden:

I. uitsluitend ten aanzien van HBM Talent en [B]: tot naleving van de cao's voor Uitzendkrachten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag vanaf 2 weken na de betekening van het vonnis;

II. om na (de kantonrechter leest: binnen) 4 weken na betekening van het vonnis tot nabetaling over te gaan van de materiële schadelast van € 17.481,-- (naar de kantonrechter begrijpt: bruto) aan de betrokken werknemers, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

III. om aan de SNCU het niet binnen 4 weken na betekening van het vonnis nabetaalde gedeelte van het onder II genoemde bedrag van € 17.481,-- als aanvullende schadevergoeding te betalen;

IV. om aan de SNCU te betalen € 11.254,-- als schadevergoeding, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2016;

V. om aan de SNCU te betalen € 968,-- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2016 tot de voldoening;

VI. om aan de SNCU de proceskosten te betalen, alsmede de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het vonnis.


3.2.

De SNCU legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag.


De vorderingen tegen HBM Talent


3.3.

Met betrekking tot vordering I: uit de rapportage van Providius blijkt dat HBM Talent de NBBU-cao niet naleeft. Gelet op haar doelstelling heeft de SNCU daarom recht en belang dat HBM Talent hiertoe wordt veroordeeld.

Met betrekking tot vordering II: uit de rapportage blijkt dat HBM Talent de betrokken uitzendkrachten voor € 17.481,-- materieel heeft benadeeld.

Met betrekking tot vordering III: uit de rapportage blijkt verder dat HBM Talent (een deel van) deze materiële benadeling niet aan de betrokken uitzendkrachten heeft vergoed. Overeenkomstig de beleidsnotitie van de SNCU is zij daarom gerechtigd een bedrag van gelijke hoogte als aanvullende schadevergoeding op te leggen, welke schadevergoeding niet in mindering komt op de eerder opgelegde schadevergoeding van € 11.154,--, noch de werkgever ontslaat van haar voortdurende verplichting de materiële benadeling te compenseren.

Met betrekking tot vordering IV: indien een uitzendonderneming na ingebrekestelling gedurende tenminste 10 werkdagen volhardt in het niet naleven van de cao's voor Uitzendkrachten op de in de ingebrekestelling vermelde punten, is zij verplicht door dat enkele feit aan de SNCU een door het bestuur van de SNCU te bepalen schadevergoeding te betalen (artikel 9 lid 1 van het Reglement II, onderdeel van de cao SFU).


De vorderingen tegen [A] en [B]


3.4.

Zij zijn beiden (indirect) enig aandeelhouder en (indirect) bestuurder van HBM Talent (geweest) en verkeerden c.q. verkeren beiden in een dusdanige machtspositie dat zij het beleid van HBM Talent konden c.q. kunnen bepalen. [A] is vanaf 22 september 2009 tot 19 februari 2016 zelfstandig bevoegd (indirect) bestuurder en (indirect) enig aandeelhouder geweest van HBM Talent. Zodoende was hij gedurende lange tijd bij uitstek degene die in een zodanige machtspositie verkeerde dat hij het beleid met betrekking tot het al dan niet verstrekken van gegevens en het verlenen van medewerking aan onder meer (her)controleafspraken kon bepalen. Het overdragen van de bestuurstaken in het zicht van de hercontrole (en met de wetenschap dat deze hercontrole verricht diende te worden) zonder zeker te stellen dat deze hercontrole doorgang kon vinden, alsmede voor het overige te weigeren medewerking te verlenen, is aan te merken als een onrechtmatig handelen jegens de SNCU. Hij is daarom aansprakelijk voor de schade die daaruit voor de SNCU voortvloeit. Met betrekking tot het ten onrechte niet aan de betrokken uitzendkrachten betalen door HBM Talent van eerdergenoemd bedrag van € 17.481,-- dient per definitie een ernstig persoonlijk verwijt aan [A] te worden gemaakt. Als verantwoordelijk bestuurder moet men er eenvoudigweg voor zorgen en erop toezien dat de onderneming de cao's voor Uitzendkrachten naleeft. Nadat de SNCU op 8 februari 2015 een sommatiebrief had gestuurd heeft [A] zijn aandelen aan [B] overgedragen. [A] lijkt zich daarmee aan zijn verplichtingen jegens de SNCU te willen onttrekken.


3.5.

Ter comparitie heeft de SNCU de grondslag als volgt aangevuld. Uit de gang van zaken met betrekking tot de aandelenoverdracht leidt de SNCU af dat [B] aan te merken is als een katvanger. HBM Talent is inmiddels door de Kamer van Koophandel ambtshalve uitgeschreven omdat geen activiteiten meer werden ontplooid. Het is de SNCU niet bekend wanneer dit is gebeurd. [A] houdt zich nog wel met activiteiten in de uitzendsector bezig via zijn vennootschap HTM Personeel B.V. Door de aandelenoverdracht en bestuurderswisseling wordt nader onderzoek, onder andere over de nabetalingen die nog moeten worden gedaan, gefrustreerd en wordt ook een nieuw onderzoek bemoeilijkt.


3.6.

[A] voert verweer. HBM Talent en [B] zijn niet verschenen.



4De beoordeling


4.1.

De vorderingen van de SNCU tegen HBM Talent behoren als aardvordering tot de absolute competentie van de kantonrechter. Dit geldt niet voor de vorderingen tegen [A] en [B] (deze zijn geen aardvordering en gaan een bedrag van € 25.000,-- te boven), maar gelet op de samenhang tussen alle vorderingen zal de kantonrechter ook de vorderingen tegen [A] en [B] aan zich houden.


De vorderingen tegen HBM Talent


4.2.

Nu HBM Talent op de juiste wijze is gedagvaard zal verstek tegen haar worden verleend. De kantonrechter zal zijn beslissing met betrekking tot deze vorderingen aanhouden totdat op de vorderingen tegen [A] zal zijn beslist.


De vorderingen tegen [A]


4.3.

Volgens vaste jurisprudentie is een (indirect) bestuurder uit hoofde van onrechtmatige daad slechts persoonlijk aansprakelijk voor schade die ontstaat doordat de vennootschap haar (betalings)verplichtingen niet nakomt indien hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De rechter dient daarbij acht te slaan op alle omstandigheden van het geval.


4.4.

Volgens [A] is de enkele omstandigheid dat HBM Talent haar cao‑verplichtingen eventueel niet is nagekomen onvoldoende om persoonlijke aansprakelijkheid aan te nemen. Hij heeft immers meegewerkt aan het onderzoek, en de in het rapport geconstateerde overtredingen (die hij overigens in deze procedure gemotiveerd heeft betwist) zijn onvoldoende ernstig om hoofdelijke aansprakelijkheid aan te nemen.


4.5.

De SNCU stelt echter dat [A] controle op de nabetalingen en een aangekondigd heronderzoek heeft gefrustreerd door de aandelen over te dragen aan de opvolgend bestuurder [B] zonder zeker te stellen dat deze hercontrole doorgang kon vinden.

Voorts is namens de SNCU ter comparitie verklaard dat haar gemachtigde in februari 2016 een brief (naar de kantonrechter begrijpt wordt hiermee de in punt 3.17 van de dagvaarding genoemde brief van 8 februari 2016 bedoeld) aan de toenmalige gemachtigde van HBM Talent heeft geschreven met onder andere de aankondiging dat [A] persoonlijk aansprakelijk zou worden gesteld, en dat deze brief voor zover de gemachtigde van de SNCU zich herinnert per aangetekende post tevens aan het huisadres van [A] is gezonden. [A] heeft niet betwist dat hij deze brief heeft ontvangen, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat. Op grond van deze omstandigheden acht de kantonrechter voorshands bewezen dat de overdracht van de aandelen en het terugtreden als bestuurder door [A] door deze persoonlijke aansprakelijkstelling is ingegeven, zoals de SNCU in de dagvaarding ook stelt. [A] heeft hier te weinig tegenovergesteld. Hij heeft er slechts mee volstaan te stellen dat de HBM Groep B.V. "op enig moment" door [B] is benaderd of hij de aandelen van HBM Talent mocht kopen. Deze onderbouwing is naar het oordeel van de kantonrechter te mager. Hier komt bij dat ten tijde van de aandelenoverdracht het probleem tussen de SNCU en HBM Talent nog steeds niet was opgelost. Evenmin heeft [A] gesteld welke bedrag hij (middelijk) voor de aandelen ontvangen heeft en welke afspraken hij precies met [B] heeft gemaakt over de afwikkeling van het probleem met de SNCU. De enkele stelling van [A] dat hij [B] erop heeft gewezen dat hij de administratie moest bewaren is hiertoe onvoldoende. Ten slotte neemt de kantonrechter in aanmerking dat [A] ter comparitie heeft verklaard dat hij in de periode februari-april 2016 (het proces-verbaal vermeldt ten onrechte 2015) nog werknemers van [B]/HBM Talent heeft betrokken en zelf bij zijn opdrachtgevers te werk heeft gesteld zonder hierover voldoende details te verstrekken.

Uit het voorgaande leidt de kantonrechter af dat de aandelenoverdracht en de bestuurderswisseling door [A] ten doel hadden verhaal onmogelijk te maken. Uit de omstandigheid dat HBM Talent inmiddels geen activiteiten meer ontplooit kan namelijk worden afgeleid dat verhaal door de SNCU op deze vennootschap inmiddels onmogelijk is geworden.

Aan [A] kan dus een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt, om welke reden hij voor de daardoor ontstane schade aansprakelijk is.


4.6.

[A] heeft tevens uitgebreid gemotiveerd verweer gevoerd tegen de inhoud en strekking van de definitieve rapportage van Providius. Nu de SNCU ter comparitie onvoldoende in de gelegenheid geweest om op dit verweer te reageren zal de kantonrechter haar in de gelegenheid stellen dit alsnog te doen. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een conclusie van repliek door de SNCU, waarna [A] zal mogen dupliceren. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.


De vorderingen tegen [B]


4.7.

Nu [B] op de juiste wijze is gedagvaard zal verstek tegen hem worden verleend. De kantonrechter zal zijn beslissing met betrekking tot deze vorderingen aanhouden totdat op de vorderingen tegen [A] zal zijn beslist.



5De beslissing


De kantonrechter:


ten aanzien van HBM Talent en [B]


5.1.

houdt iedere beslissing aan;


ten aanzien van [A]


5.2.

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 29 maart 2017 te 9.30 uur, voor het nemen van een conclusie van repliek door de SNCU;


5.3.

[A] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om te dupliceren;


5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.



Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2017.