Rechtbank Noord-Holland, 20-06-2014 / AWB-13_2311


ECLI:NL:RBNHO:2014:5562

Inhoudsindicatie
KB-Lux-zaak. Er is geen overschrijding van de redelijke termijn nu eiser zelf heeft ingestemd met het verzoek van verweerder om aanhouding van het bezwaar en tevens zelf een en ander maal om uitstel voor het indienen van gronden heeft verzocht. Derhalve geen recht op immateriële schadevergoeding.
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2014-06-20
Publicatiedatum
2014-06-27
Zaaknummer
AWB-13_2311
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • V-N Vandaag 2014/1305
  • FutD 2014-1569
Uitspraak RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem


Bestuursrecht


Zaaknummers: AWB 13/2311 t/m 13/2323, 13/2346 t/m 13/2348, 13/2583, 13/2584, 13/2486


Uitspraakdatum: 20 juni 2014


Uitspraak van de meervoudige kamer in de gedingen tussen


[X] , wonende te [Z], eiser,

gemachtigde: mr. drs. S. Bharatsingh,


en


de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoofddorp, verweerder.



1Ontstaan en loop van de gedingen


(Navorderings)aanslagen

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 31 december 2002 voor het jaar 1990 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd ten bedrage van f 26.479, verhoogd met een boete van 100% waarvan geen kwijtschelding is verleend. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van f 12.437 aan heffingsrente in rekening gebracht.


Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 31 mei 2003 voor het jaar 1991 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd ten bedrage van f 24.352, verhoogd met een boete van 100% waarvan geen kwijtschelding is verleend. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van f 9.062 aan heffingsrente in rekening gebracht.


Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 31 mei 2003 voor het jaar 1992 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd ten bedrage van f 24.499, verhoogd met een boete van 100% waarvan geen kwijtschelding is verleend. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van f 7.662 aan heffingsrente in rekening gebracht.


Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 31 mei 2003 voor het jaar 1993 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd ten bedrage van f 24.288, verhoogd met een boete van 100% waarvan geen kwijtschelding is verleend. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van f 6.370 aan heffingsrente in rekening gebracht.


Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 31 mei 2003 voor het jaar 1994 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd ten bedrage van f 17.609, verhoogd met een boete van 100% waarvan geen kwijtschelding is verleend. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van f 3.838 aan heffingsrente in rekening gebracht.


Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 11 juni 2003 voor het jaar 1995 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd ten bedrage van f 18.351, verhoogd met een boete van 100% waarvan geen kwijtschelding is verleend. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van f 3.869 aan heffingsrente in rekening gebracht.


Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 30 mei 2003 voor het jaar 1996 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd ten bedrage van f 18.154, verhoogd met een boete van 100% waarvan geen kwijtschelding is verleend. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van f 3.697 aan heffingsrente in rekening gebracht.


Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 30 mei 2003 voor het jaar 1997 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd ten bedrage van f 20.179, verhoogd met een boete van 100% waarvan geen kwijtschelding is verleend. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van f 3.809 aan heffingsrente in rekening gebracht.


Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 30 mei 2003 voor het jaar 1998 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd tot een bedrag van f 20.260. Bij afzonderlijke beschikkingen is een boete opgelegd van f 20.260 en is een bedrag van f 3.162 aan heffingsrente in rekening gebracht.


Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 30 mei 2003 voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd tot een bedrag van f 29.027. Bij afzonderlijke beschikkingen is een boete opgelegd van f 29.027 en is een bedrag van f 3.664 aan heffingsrente in rekening gebracht.


Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 30 mei 2003 voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd tot een bedrag van f 25.318. Bij afzonderlijke beschikkingen is een boete opgelegd van f 25.318 en is een bedrag van f 2.278 aan heffingsrente in rekening gebracht.


Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 14 maart 2007 voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.033 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.113. Bij afzonderlijke beschikkingen is een boete opgelegd van € 2.450 en is een bedrag van € 451 aan heffingsrente in rekening gebracht.


Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 9 januari 2008 voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.675 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.468. Bij afzonderlijke beschikkingen is een boete opgelegd van € 2.450 en is een bedrag van € 460 aan heffingsrente in rekening gebracht.


Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 2 september 2008 voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.591 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.686. Bij afzonderlijke beschikkingen is een boete opgelegd van € 2.255 en is een bedrag van € 470 aan heffingsrente in rekening gebracht.


Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 29 augustus 2008 voor het jaar 2004 een aanslag ib/pvv opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.997 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.187. Bij afzonderlijke beschikkingen is een boete opgelegd van € 2.625 en heffingsrente in rekening gebracht.


Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 29 augustus 2008 voor het jaar 2005 een aanslag ib/pvv opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.114 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.676. Bij afzonderlijke beschikkingen is een boete opgelegd van € 2.553 en heffingsrente in rekening gebracht.


Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 29 mei 2009 voor het jaar 2006 een aanslag ib/pvv opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.227 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.738. Bij afzonderlijke beschikkingen is een boete opgelegd van € 3.025 en heffingsrente in rekening gebracht.


Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 23 april 2010 voor het jaar 2007 een aanslag ib/pvv opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.216 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.876. Bij afzonderlijke beschikkingen is een boete opgelegd van € 2.912 en is een bedrag van € 314 aan heffingsrente in rekening gebracht.


Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 13 mei 2011 voor het jaar 2008 een aanslag ib/pvv opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.618 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.838. Bij afzonderlijke beschikkingen is een boete opgelegd van € 2.743 en is een bedrag van € 260 aan heffingsrente in rekening gebracht.


Bezwaarfase

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2013 de navorderingsaanslag ib/pvv 1990 verminderd tot een bedrag van f 17.653, de boete laten vervallen en de beschikking heffingsrente verminderd tot een bedrag van f 8.389.


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2013 de navorderingsaanslag ib/pvv 1991 verminderd tot een bedrag van f 16.142, de boete laten vervallen en de beschikking heffingsrente verminderd tot een bedrag van f 6.311.


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2013 de navorderingsaanslag ib/pvv 1992 verminderd tot een bedrag van f 16.332, de boete verminderd tot f 10.452 en de beschikking heffingsrente verminderd tot een bedrag van f 5.413.


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2013 de navorderingsaanslag ib/pvv 1993 verminderd tot een bedrag van f 16.192, de boete verminderd tot f 10.363 en de beschikking heffingsrente verminderd tot een bedrag van f 4.551.


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2013 de navorderingsaanslag ib/pvv 1994 verminderd tot een bedrag van f 11.739, de boete verminderd tot f 7.513 en de beschikking heffingsrente verminderd tot een bedrag van f 2.778.


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2013 de navorderingsaanslag ib/pvv 1995 verminderd tot een bedrag van f 12.273, de boete verminderd tot f 7.855 en de beschikking heffingsrente verminderd tot een bedrag van f 2.586.


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2013 de navorderingsaanslag ib/pvv 1996 verminderd tot een bedrag van f 11.983, de boete verminderd tot f 7.669 en de beschikking heffingsrente verminderd tot een bedrag van f 2.438.


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2013 de navorderingsaanslag ib/pvv 1997 verminderd tot een bedrag van f 12.724, de boete verminderd tot f 8.144 en de beschikking heffingsrente verminderd tot een bedrag van f 2.398.


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2013 de navorderingsaanslag ib/pvv 1998 verminderd tot een bedrag van f 13.016, de boete verminderd tot f 8.330 en de beschikking heffingsrente verminderd tot een bedrag van f 2.030.


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2013 de navorderingsaanslag ib/pvv 1999 verminderd tot een bedrag van f 18.371, de boete vernietigd en de beschikking heffingsrente verminderd tot een bedrag van f 2.314.


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2013 de navorderingsaanslag ib/pvv 2000 verminderd tot een bedrag van f 16.412, de boete vernietigd en de beschikking heffingsrente verminderd tot een bedrag van f 1.473.


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2013 de navorderingsaanslag ib/pvv 2001 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.033 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.390, de boete vernietigd en de beschikking heffingsrente verminderd tot een bedrag van € 293.


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2013 de navorderingsaanslag ib/pvv 2002 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.766 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.745, de boete vernietigd en de beschikking heffingsrente verminderd tot een bedrag van € 296.


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2013 de navorderingsaanslag ib/pvv 2003 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.591 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.891, de boete vernietigd en de beschikking heffingsrente verminderd tot een bedrag van € 295.


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2013 de aanslag ib/pvv 2004 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.997 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.259, de boete vernietigd en de beschikking heffingsrente verminderd.


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2013 de aanslag ib/pvv 2005 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.114 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.648, de boete vernietigd en de beschikking heffingsrente verminderd.


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 mei 2013 de aanslag ib/pvv 2006 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.227 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.616, de boete vernietigd en de beschikking heffingsrente verminderd.


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 mei 2013 de aanslag ib/pvv 2007 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.216 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.640, de boete vernietigd en de beschikking heffingsrente verminderd.


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 mei 2013 de aanslag ib/pvv 2008 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.618 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.466, de boete vernietigd en de beschikking heffingsrente verminderd.


Beroepsfase

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.


Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2014. De rechtbank heeft op deze zitting ook het geschil inzake een aantal belastingaanslagen en beschikkingen ten name van de echtgenote van eiser behandeld. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. T.V. van der Veen en P.M. Krauwinkel.


De gemachtigde heeft in een brief van 23 mei 2014 het beroep ingetrokken met uitzondering van het daarbij gedane verzoek om een immateriële schadevergoeding en vergoeding van proceskosten (beroepsfase).



2Tussen partijen vaststaande feiten


2.1.

Eiser, geboren op [geboortedatum], is gehuwd met mevrouw[A], geboren op [geboortedatum]. Verweerder heeft beide echtgenoten aangeslagen voor niet-aangegeven inkomsten en vermogen als uitvloeisel van het Rekeningenproject.


2.2.

De gemachtigde van eiser heeft bij brieven van 18 december 2002 pro forma bezwaarschriften ingediend tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 1990 en de navorderingsaanslag vb 1991. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

“(…) De motivering hiervoor kan ik u nog niet doen toekomen, omdat inmiddels diverse juridische procedures geëntameerd zijn. (…)

De uitkomsten van deze procedures zijn van belang voor het aangeven van de gronden van het bezwaar tegen bovenvermelde navorderingsaanslag. (…)”

2.3.

Verweerder heeft in de ontvangstbevestiging van 4 februari 2003 van de bezwaarschriften de volgende passages opgenomen:

“(…) In uw brief verzoekt u om uitstel voor de motivering van het bezwaar totdat de rechter, in een soortgelijke zaak, uitspraak heeft gedaan omtrent de vraag over de herkomst en betrouwbaarheid van gegevens op basis waarvan de navorderingsaanslagen worden opgelegd.

(…)

Momenteel voeren Belastingdienst en [B] N.V. Advocaten Notarissen Belastingadviseurs vanuit een oogpunt van proceseconomie overleg teneinde op een zo kort mogelijke termijn de bovengenoemde geschilpunten voor te leggen aan de fiscale rechter.

(…)

Ik verzoek u mij te berichten of u instemt met het aanhouden van uw bezwaar totdat op deze procedures onherroepelijk uitspraak is gedaan. (…)”


2.4.

De gemachtigde heeft bij brief van 11 februari 2003, welke betrekking heeft op de navorderingsaanslagen ib/pvv 1990 en vb 1991, onder meer het volgende meegedeeld:

“Refererend aan uw schrijven d.d. 4 februari 2003, deel ik u mede dat ik instem met de aanhouding van de door mij, namens in aanhef vermelde belastingplichtige, ingediende bezwaarschriften.”


2.5.

De gemachtigde heeft met betrekking tot een aantal navorderingsaanslagen ib/pvv en vb in brieven van 23 en 28 mei 2003 aan de Belastingdienst geschreven:

“Thans rest mij niets anders dan hierdoor pro-forma bezwaar tegen de in aanhef vermelde navorderingsaanslagen te maken.

Op het moment dat u mij bericht, binnen welke termijn u voornemens bent uitspraak te doen, verzoek ik u mij dit tijdig mee te delen. Na ontvangst van uw bericht zal ik binnen twee weken de gronden van het bezwaar aan u doen toekomen.”


2.6.

De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 14 juni 2011 een pro forma bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag ib/pvv 2008. Hierin is de volgende passage opgenomen:

“(…) De motivering kan ik u nog niet doen toekomen. Deze is afhankelijk van de uitkomst van de procedures die, namens een groot aantal belastingplichtigen, aanhangig zijn gemaakt bij de diverse Gerechtshoven in het land en aldaar geregistreerd staan onder kenmerk BK-04/…. Op grond hiervan verzoek ik u uitstel van motivering te verlenen totdat in hiervoor vermelde procedures uitspraak is gedaan.


Namens belastingplichtige deel ik u mee akkoord te gaan met het aanhouden van het bezwaarschrift, totdat beslist is in de procedures die momenteel aanhangig zijn bij de diverse Gerechtshoven. (…)”

De gemachtigde heeft ook in zijn voordien (in 2008, 2009 en 2010) ingediende bezwaarschriften betreffende de (navorderings)aanslagen ib/pvv 2002-2007 verzocht om uitstel van motivering en verklaard dat hij zal overgaan tot motivering van bezwaarschriften na het bekend worden van de uitslag van rechterlijke procedures.

De gemachtigde heeft soortgelijke brieven geschreven met betrekking tot de echtgenote van eiser.


2.7.

De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 10 december 2012 met betrekking tot alle in geding zijnde (navorderings)aanslagen, zowel die van eiser als die van zijn echtgenote, verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden van het bezwaar tot uiterlijk 23 januari 2013.


2.8.

De gemachtigde heeft bij brief van 22 januari 2013 voor alle in geding zijnde (navorderings)aanslagen, zowel die van eiser als die van zijn echtgenote, de gronden van het bezwaar ingediend.



3Geschil


3.1.

In geschil is thans nog of en tot welk bedrag eiser recht heeft op immateriële schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase.


3.2.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van de gedingen.


3.3.

Ter zitting zijn partijen overeengekomen met betrekking tot de overige geschilpunten een vaststellingsovereenkomst te sluiten waarna eiser de beroepen in zoverre zal kunnen intrekken.



4Beoordeling van het geschil


4.1.

Ter zitting heeft de gemachtigde gegevens verstrekt met betrekking tot een door eiser (en zijn echtgenote) in het buitenland aangehouden bankrekening en op 25 april 2014 heeft verweerder verklaard dat dit leidt tot het (geheel of gedeeltelijk) tegemoetkomen aan het beroep. Uit de brief van de gemachtigde van 23 mei 2014 volgt dat de beroepen zich nog slechts beperken tot het verzoek om immateriële schadevergoeding en dat de overige beroepsgronden zijn ingetrokken. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank zich beperken tot een uitspraak met betrekking tot dit verzoek.


4.2.

Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop verweerder het (gemotiveerde) bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.


4.3.

Verweerder heeft op 23 december 2002 (pro forma) bezwaarschriften ontvangen gericht tegen de navorderingsaanslagen ib/pvv 1990 en vb 1991. In deze brieven verzoekt eiser om uitstel voor het indienen van een motivering in afwachting van de uitkomsten van een aantal genoemde procedures. Vervolgens heeft eiser in zijn brief van 11 februari 2003 ingestemd met het aanhouden van het bezwaar totdat op de door [B] ingestelde procedures onherroepelijk zou zijn beslist.

In de bezwaarschriften betreffende de (navorderings)aanslagen ib/pvv 2002-2007 en laatstelijk in het bezwaarschrift van 14 juni 2011 betreffende de aanslag ib/pvv 2008 heeft eiser zijn verzoek om uitstel voor het indienen van een motivering in afwachting van de uitkomst van een aantal procedures, herhaald.

In een brief van 10 december 2012 heeft eiser ten aanzien van alle in deze procedure in geding zijnde (navorderings)aanslagen opnieuw om uitstel voor het indienen van de gronden gevraagd.

Eerst bij brief van 22 januari 2013 heeft eiser de gronden van de bezwaarschriften van alle in geding zijnde (navorderings)aanslagen ingediend.


4.4.

Van de zijde van eiser wordt betwist dat is ingestemd met het verzoek van verweerder om aanhouding van de bezwaarprocedure. De rechtbank kan echter op grond van voormelde feiten niet anders dan concluderen dat eiser niet alleen akkoord is gegaan met de door verweerder voorgestelde aanhouding van het bezwaar in afwachting van de uitkomst van een aantal ook voor de onderhavige zaken relevante juridische procedures, maar ook zelf een- en andermaal heeft verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden, laatstelijk bij brief van 10 december 2012.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij feitelijk niet anders kon doen dan instemmen met het verzoek van verweerder om uitstel van de behandeling van het bezwaar, nu verweerder op grond van de destijds geldende tekst van artikel 25, tweede lid, van de AWR, gerechtigd was de termijn voor het doen van uitspraak te verlengen. Op basis van dit artikel kon verweerder deze termijn immers slechts met één jaar verlengen, terwijl tussen het eerst ingediende (pro forma) bezwaarschrift op 23 december 2002 en de uitspraken op bezwaar een periode van bijna 10,5 jaar is verstreken.

Indien eiser eerder een uitspraak op bezwaar had willen bewerkstelligen, had hij geen gebruik hoeven maken van het verleende uitstel en had hij eerder de gronden van het bezwaar kunnen aanvoeren.

De gemachtigde van eiser heeft in dit verband aangevoerd dat hij op 16 juni 2004 in algemene termen de motivering heeft ingediend voor zijn cliënten die onder de Belastingdienst Amsterdam vielen.

De rechtbank constateert echter dat de gemachtigde ook nog in de jaren daarna tot in 2012 uitstel heeft gevraagd voor het motiveren van de bezwaren van eiser en dat voor zijn echtgenote soortgelijke verzoeken zijn gedaan. Kennelijk was hij ook zelf van mening dat het bezwaar nog aanvulling van gronden vereiste en die heeft hij niet op een eerder moment dan op 22 januari 2013 toegestuurd. Dit brengt mee dat ten aanzien van alle in geding zijnde (navorderings)aanslagen voor de aanvang van de redelijke termijn moet worden uitgegaan van 22 januari 2013.

Thans is vanaf die datum minder dan twee jaar verstreken. Hieruit volgt dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn zodat geen grond bestaat voor toekenning van een immateriële schadevergoeding.



5Proceskosten


De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser en zijn echtgenote in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken, waarbij naar het oordeel van de rechtbank sprake is van onderlinge samenhang (voor de beroepen met nummers AWB 13/2311 tot en met 13/2327, 13/2329 tot en met 13/2334 en de onderhavige beroepen) en samenhang met de zaken van de echtgenote (nummers AWB 13/2311 tot en met 13/2356, 13/2487, 13/2585 en 13/2586). Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.461 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1, en een factor 1,5 wegens meer dan vier samenhangende zaken). De rechtbank zal de proceskostenveroordeling voor deze samenhangende zaken aan elk van beide echtgenoten voor de helft toekennen.



6Beslissing


De rechtbank:

  • - wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 730,50 en
  • - gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 44 vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.A. Boersma, voorzitter, mr. A.A. Fase en mr. H. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2014.






Afschrift verzonden aan partijen op:


De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.


Rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.


Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.