Rechtbank Noord-Nederland, 21-07-2017 / 18-172197-16


ECLI:NL:RBNNE:2017:2760

Inhoudsindicatie
veroordeling wegens de eendaadse samenloop van medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, door een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en witwassen en het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2017-07-21
Publicatiedatum
2017-07-25
Zaaknummer
18-172197-16
Rechtsgebied
Strafrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht


Locatie Groningen


parketnummer 18/830132-17

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/172197-16


vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

21 juli 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd te P.I. Leeuwarden, te Leeuwarden.


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 juli 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Huistra, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Klooster.


Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:


1.


hij in of omstreeks de periode van 1 november 2016 tot en met 28 maart 2017 te

Groningen

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of een hoeveelheid van

een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I;


althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat


hij in of omstreeks de periode van 1 november 2016 tot en met 28 maart 2017 te

Groningen

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van

Nederland brengen van hoeveelheden en/of een hoeveelheid van een materiaal

bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen

van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, hebbende verdachte en/of

(een of meer van) verdachtes mededader(s) zijn kamer/woning beschikbaar

gesteld voor de opslag van die MDMA, althans van een middel vermeld op de

bij de Opiumwet behorende lijst 1, en/of

- voorwerpen (te weten een grammenweger, spuit(en), en/of naald(en)), en/of

stoffen (te weten versnijdingsmiddel) en/of geld of andere betaalmiddelen,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s)

wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd

was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);


2.


hij op of omstreeks 28 maart 2017 te Groningen

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 3772,08 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal

bevattende MDMA en/of

ongeveer 4,76 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende

cocaïne,

zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;


3.


hij in of omstreeks de periode van 1 november 2016 tot en met 28 maart 2017 te

Groningen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen,, althans alleen

van een voorwerp, te weten geld (ongeveer 10.655,-- euro),

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp voorhanden heeft gehad,

en/of/althans

heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of gebruik

gemaakt

terwijl hij en/of zijn medeverdachte(n) wist(en),

althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden.

dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk, -onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was/waren uit enig misdrijf;


4.


hij in of omstreeks de periode van 1 november 2016 tot en met 28 maart 2017 te

Groningen

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van meer dan 30

gram, van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep (telkens) een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;


EN


hij op of omstreeks 28 maart 2017 te Groningen

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 314,59 gram, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.


Beoordeling van het bewijs


Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat op grond van het dossier onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. Ondanks de aanwezigheid van indicatoren die erop zouden kunnen duiden dat verdachte betrokken is geweest bij drugshandel, zoals de grote hoeveelheden drugs en cash geld die in de woning van verdachte zijn aangetroffen, zijn er geen getuigenverklaringen, geen verklaringen van afnemers dan wel gegevensdragers voorhanden waaruit concreet de betrokkenheid van verdachte bij drugshandel kan worden afgeleid.

Voorts is er onvoldoende bewijs voorhanden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 eerste cumulatief ten laste gelegde. Verdachte moet derhalve van het onder 1 primair en het onder 4 eerste cumulatief ten laste gelegde worden vrijgesproken.


De officier van justitie heeft op grond van de bewijsmiddelen in het dossier geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 tweede cumulatief ten laste gelegde waarbij de officier van justitie zich op het standpunt heeft gesteld dat verdachte voornoemde feiten tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd.


Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat uit het dossier uitsluitend kan worden opgemaakt dat verdachte de goederen in bewaring heeft genomen voor een ander en dat hij daar een vergoeding voor heeft gekregen. Op grond van het dossier kan niet worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van een hoeveelheid MDMA en cocaïne. Verdachte moet van het onder 1 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.


Voorts heeft de raadsman ten aanzien van de aangetroffen middelen en de onderzoeken daartoe door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) betoogd dat de tests die zijn uitgevoerd op de drugs onvoldoende zijn. De raadsman heeft aangevoerd dat de goednummers (met de daaraan gekoppelde SIN nummers) niet uit de stukken kunnen worden herleid, zodat op grond van het dossier niet is komen vast te staan dat verdachte drugs voorhanden heeft gehad.

Verdachte dient derhalve van het onder 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.


Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat verdachte betwist dat de contante geldbedragen die bij hem in huis zijn aangetroffen afkomstig zijn van enig misdrijf. Verdachte heeft jarenlang op markten gewerkt waar hij substantiële bedragen heeft verdiend. De moeder van verdachte heeft dit bevestigd. Daarnaast heeft verdachte dit jaar ook veel studiefinanciering ontvangen. Ondanks zijn verdiensten heeft verdachte zijn geld niet op een bankrekening gezet maar in een oude sok gestopt. Op grond van de stukken in het dossier kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat het geld van verdachte afkomstig is uit enig misdrijf. Verdachte dient van het onder 3 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.


Met betrekking tot het onder 4 eerste cumulatief ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit omdat er onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen.

Het onder 4 tweede cumulatief ten laste gelegde kan wel wettig en overtuigend worden bewezen.


Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht evenals de officier van justitie en de raadsman het onder 1 primair en het onder 4 eerste cumulatief ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij dat op grond van de stukken in het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte MDMA, cocaïne en hennep opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd.


De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.


Ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde


1. De door verdachte op de terechtzitting van 7 juli 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:


Het was de bedoeling dat ik de drugs één maand bij mij thuis zou bewaren. Daar zou ik

€ 500,- voor krijgen. Ik heb de drugs ongeveer 5 maanden in huis gehad.


2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 29 maart 2017, opgenomen op pagina 63 e.v. van dossier met nummer PL0100 2017079301 d.d. 11 mei 2017, inhoudende als relatering van verbalisanten:


Op dinsdag 28 maart 2017 te 21:17 uur werd de doorzoeking geopend onder leiding van de rechter-commissaris. De woning was gelegen op de 2e etage van het pand [adres 1]. Bij de woning behoorden een afzonderlijke keuken en een woon annex woonslaapkamer.


In een roze boodschappentas nabij de hoogslaper/bank

Roze XTC pillen, in de vorm van een schild. De pillen zijn door ons gewogen ten einde een schatting van het totaal aantal te verkrijgen. 10 pillen zijn 5 gram.

1. zak is 510 gram bruto. Geschat 1000 pillen per grote zak. In totaal 6 grote zakken van 510 gram. Geschat subtotaal 6000 pillen


Bureau onder hoogslaper

In een grote zwarte bus bestemd voor voedingssupplementen/proteïnen die op het bureau onder de hoogslaper stond:

15 kleinere zakjes roze schildvormige pillen, waarvan 14 zakken 100 pillen bevatten en 1 zak 17 pillen bevatte.

Totaal subtotaal 1417 stuks

Totaal geschat 7417 stuks roze schildvormige, vermoedelijk XTC pillen. Bruto 3700 gram.


Aangetroffen in de kast rechts naast toegangsdeur

- Zakje met 6 gram bruto poeder.


3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming d.d. 28 maart 2017, opgenomen op pagina 14 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:


Inbeslagneming

Plaats : [adres 2] Groningen

Datum en tijd : 28 maart 2017 te 22:22 uur

Omstandigheden : Verdachte had in zijn portemonnee drie gripzakjes met vermoedelijk drugs op zak.


Beslagene

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [voornaam]

Geboren : [geboortedatum] 1995


Volgnummer 1

Goednummer : PL0100-2017079301-856634

Categorie omschrijving : Medicamenten/hulpmiddelen

Object : Verdovende middelen

Aantal/ eenheid : 3 stuks

Land : Nederland

Bijzonderheden : Drie gripzakjes drugs


4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming d.d. 29 maart 2017, opgenomen op pagina 17 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:


Inbeslagneming

Plaats : [adres 1]

Datum en tijd : 28 maart 2017 te 21:20 uur

Omstandigheden : Tijdens de doorzoeking in de woning lagen op meerdere plekken verdovende middelen, verpakt in afzonderlijke zakken en/of dozen.


Beslagene

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [voornaam]

Geboren : [geboortedatum] 1995

Adres : [adres 1]

Postcode plaats : [adres 1]



Volgnummer 1

Goednummer : PL0100-2017079301-856734

Categorie omschrijving : Medicamenten/hulpmiddelen

Object : verdovende middelen

Aantal/eenheid : 6 stuks

Land : Nederland

Bijzonderheden : Roze, geschat 1000 pillen per zak


Volgnummer 2

Goednummer : PL0100-2017079301-856737

Categorie omschrijving : Medicamenten/ hulpmiddelen

Object : Verdovende middelen

Aantal/ eenheid : 15 stuks

Kleur : Roze

Land : Nederland

Bijzonderheden : 15 zakjes met roze xtc pillen


Volgnummer 7

Goednummer : PL0100-2017079301-856755

Categorie omschrijving : Medicamenten/ hulpmiddelen

Object : Verdovende middelen

Aantal/eenheid : 65 g

Land : Nederland

Bijzonderheden : Brok vermoedelijk crack, 65 gram bruto


Volgnummer 13

Goednummer : PL0100-2017079301-856774

Categorie omschrijving : Medicamenten/ hulpmiddelen

Object : Verdovende mid

Aantal/eenheid : 6 g

Kleur : Wit

Land : Nederland

Bijzonderheden : Zakje met bruto 6 gram poeder


5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verdovende middelen genummerd PL0100-2017079301-35 d.d. 6 april 2017, los gevoegd bij voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:


Goednummer : PL0100-2017079301-856634

A- een gripzakje met oranjeroze tabletten en poeder. Zie foto 4

Netto : 0,21 gram

Het bovenstaande goed A werd getest met de Marquis test

positief/ negatief : positief op MDMA

De kleur-reactietest is een indicatie dat het testmateriaal waarschijnlijk de werkzame stof MDMA (XTC) bevat. MDMA (3,4 methyleendioxymethylamphetamine) staat vermeld op lijst I van de Opiumwet.




C- een gripzakje met wit poeder

Netto : 0,58 gram

Het bovenstaande goed C werd getest met de Ruybal test

positief/negatief : positief op cocaïne

De kleur-reactietest is een indicatie dat het testmateriaal waarschijnlijk cocaïne bevat. Cocaïne staat vermeld op lijst I van de Opiumwet.


Goednummer: PL0100-2017079301-856734

Omschrijving : 6 dichtgesealde zakken van kleurloos plastic met in elk oranjeroze tabletten in de vorm van een "wapenschild" en in diepdruk het "Defcon"logo. Zie foto 1

Bruto : 3067,86 gram

Netto : 3003,74 gram (ongeveer 6013 tabletten)

Genomen monster : SIN AAKC2934NL

Het bovenstaande goed werd getest met de Marquis test

positief/negatief : positief op MDMA


De kleur-reactietest is een indicatie dat het testmateriaal waarschijnlijk de werkzame stof MDMA (XTC) bevat. MDMA (3,4 methyleendioxymethylamphetamine) staat vermeld op lijst I van de Opiumwet.


Goednummer: PL0100-2017079301-856737

Omschrijving : 15 dichtgeknoopte zakjes van kleurloos plastic met in elk

oranjeroze tabletten in de vorm van een "wapenschild" en in

diepdruk het "Defcon" logo. Zie foto 1

Bruto : 721,40 gram

Netto : 707,19 gram (ongeveer 1421 tabletten)

Het bovenstaande goed werd getest met de Marquis test

positief/negatief : positief op MDMA


De kleur-reactietest is een indicatie dat het testmateriaal waarschijnlijk de werkzame stof MDMA (XTC) bevat. MDMA (3,4 methyleendioxymethylamphetamine) staat vermeld op lijst I van de Opiumwet.


Goednummer: PL0100-2017079301-856755

Omschrijving : een zakje van groen plastic met opdruk "Ikea" met lichtbeige brok en poeder

Bruto : 63,84 gram

Netto : 60,94 gram

Het bovenstaande goed werd getest met de Marquis test

positief/negatief : positief op MDMA


De kleur-reactietest is een indicatie dat het testmateriaal waarschijnlijk de werkzame stof MDMA (XTC) bevat. MDMA (3,4 methyleendioxymethylamphetamine) staat vermeld op lijst I van de Opiumwet.


Goednummer : PL0100-2017079301-856774

Omschrijving : een dichtgeknoopt zakje van kleurloos plastic met witte brokjes en poeder

Bruto : 5,19 gram

Netto : 4,18 gram

SIN : AAKP6438NL

Het bovenstaande goed werd getest met de Ruybal test

positief/negatief : positief op cocaïne


De kleur-reactietest is een indicatie dat het testmateriaal waarschijnlijk cocaïne bevat.

Cocaïne staat vermeld op lijst I van de Opiumwet.


6. Een deskundigenrapport Identificatie van veelvoorkomende drugs afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2017.06.14.177, d.d. 26 juni 2017 opgemaakt door Ing. C.M.M. Diever-Heezen, op de door haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, los gevoegd bij voornoemd dossier, voor zover inhoudende als haar verklaring:


KenmerkOmschrijvingConclusie

AAKC2934NL monster, twintig tabletten (à 0,50 gram) bevat MDMA

tabletdelen en poeder, oranje/beige,

Hylian schild

AAKP6438NL in totaal volgens opgave 4,18 gram, wit bevat cocaïne

poeder en brokjes in twee gripzakjes;

aantal onderzocht: één


Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde


1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 29 maart 2017, opgenomen op pagina 63 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:


Op dinsdag 28 maart 2017 te 21:17 uur werd de doorzoeking geopend onder leiding van de rechter-commissaris. De woning was gelegen op de 2e etage van het pand [adres 1]. Bij de woning behoorden een afzonderlijke keuken en een woon annex woonslaapkamer.

Hoogslaper

Voorts werd in een verhuisdoos boven op de hoogslaper cashgeld aangetroffen. Het totaal aangetroffen geld is door ons, verbalisanten, gezamenlijk geteld. In de verhuisdoos en de DVD-box aangetroffen totaalbedrag

2 x 500 euro = 1000 euro

l x 100 euro = 100 euro

184 x 50 euro = 9200 euro

17 x 20 euro = 340 euro

1. x 10 euro = 10 euro

l x 5 euro = 5 euro

Totaal = 10.655 euro






2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van relaas van Politie Noord-Nederland d.d. 11 mei 2017, opgenomen op pagina 2 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:


Op maandag 24 april 2017 ontving ik van iCOV de historische gegevens van [verdachte]. Uit die gegevens bleek dat [verdachte] geen vermogenscomponenten heeft. Verdachte heeft geen roerende en/of onroerende goederen op naam staan. Tevens heeft verdachte geen bank- en/of spaartegoeden.


3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 30 maart 2017, opgenomen op pagina 83 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige]:


Ik ben werkzaam sinds 1980 bij de Vlooienmarkt in [plaats], in al die jaren ben ik enkele zaterdagen niet aan het werk geweest. Elke zaterdag van de week is daar een vlooienmarkt. Er bestaat maar één vlooienmarkt in [plaats]. Er wordt geen registratie bijgehouden van de standhouders die zich aanmelden. Men kan 's ochtends langskomen en als er ruimte is kan men een standje of kraampje huren. Ik sta bij de deur en ik ga over de indeling van de markt, tevens in ik het geld voor entree. U laat mij een foto zien van een man, ik kan met 100 procent zekerheid zeggen dat ik deze man nog nooit heb gezien. Ik hoor u zeggen dat de man, volgens eigen zeggen, al vanaf zijn 8ste levensjaar, tot heden, op de vlooienmarkt in [plaats] komt om onder andere Pokémon kaartjes te verkopen. Ik kan u garanderen dat het niet waar is wat die man beweert. Zoals ik zojuist verklaard heb, ik ben daar al werkzaam sinds 1980, ik sta hier elke zaterdag, ik in het entreegeld en ik wijs mensen hun plaats. Ik kan met zekerheid zeggen; deze man heb ik nog nooit gezien.

De getoonde foto maakt deel uit van dit proces-verbaal.


4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 29 maart 2017, opgenomen op pagina 107 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:


Mijn verzamelinkomen is ongeveer 700 euro in de maand. Ik betaal daarmee mijn vaste lasten en ik hou dan ook nog wat over. Zorgtoeslag, studiefinanciering en ik krijg betaald bij Fitness Construction. Daar loop ik stage en ben ik daarnaast nog aan het werk, in loondienst.

Ik kan daar van rondkomen.


Ten aanzien van het onder 4 tweede cumulatief ten laste gelegde


1. De door verdachte op de terechtzitting van 7 juli 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

De hennep die op 28 maart 2017 in mijn huis aan [adres 1] te Groningen is aangetroffen is van mij.


2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming d.d. 29 maart 2017, opgenomen op pagina 17 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:


Inbeslagneming

Plaats : [adres 1]

Datum en tijd : 28 maart 2017 te 21:20 uur

Omstandigheden : Tijdens de doorzoeking in de woning lagen op meerdere plekken verdovende middelen, verpakt in afzonderlijke zakken en/of dozen.


Beslagene

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [voornaam]

Geboren : [geboortedatum]

Geboorteplaats : [geboorteplaats]

Adres : [adres 1]

Postcode plaats : [adres 1]


Volgnummer 15

Goednummer : PL0100-2017079301-856778

Categorie omschrijving : Medicamenten/hulpmiddelen

Object : Verdovende middelen

Aantal/ eenheid : 325 g

Bijzonderheden : hennep, bruto gewogen 325 gram


3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 30 maart 2017, opgenomen op pagina 41 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:


Op woensdag 29 maart 2017, was ik, [verbalisant], belast met het onderzoek naar de aangetroffen verdovende middelen in de woning van [verdachte]. De verdovende middelen werden door een medewerker van de Forensische Opsporing Noord-Nederland getest in het laboratorium aan het politiebureau Balkengracht te Assen, waarbij ik, verbalisant, waarnam. Dit proces-verbaal dient ter verduidelijking en als voorlopige uitslag van de verdovende middelen die reeds getest zijn.

Goednummer : 856778

KVI volgnummer : 13-15

Omschrijving : Groen/ bruine plantdelen in grote gripzak (toppen)

Netto gewicht : 314,59 gram

Voorlopige uitslag : hennep


Ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat op grond van de goednummers en de SIN nummers zoals opgenomen in bovengenoemde bewijsmiddelen kan worden geconcludeerd dat er 3772,08 gram MDMA en 4,76 gram cocaïne onder verdachte in beslag is genomen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het onder 1 subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.


Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste jurisprudentie kan witwassen worden bewezen indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Wanneer uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, dan mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. De door verdachte te geven verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Het ligt dan vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld.


Uit het dossier kunnen de volgende feiten en omstandigheden worden afgeleid:

- tijdens de doorzoeking op 28 maart 2017 is door de politie in de woning van verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aangetroffen en een grote hoeveelheid drugs en cash geld, te weten € 10.655,- in grotendeels coupures van € 50,-. Het geld is aangetroffen in een verhuisdoos en een DVD-box;

- Verdachte is student.


Uit bovengenoemde feiten en omstandigheden, in combinatie met het feit dat verdachte gedurende de ten laste gelegde periode alleen een inkomen heeft genoten van 700 euro per maand waar hij van moest rondkomen, terwijl uit de door iCOV verstrekte gegevens volgt dat hij verder geen vermogenscomponenten heeft, geen roerende en/of onroerende goederen op naam heeft staan en geen bank- en/of spaartegoeden heeft, vloeit een vermoeden voort dat het in de tenlastelegging opgenomen geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Van verdachte mag derhalve worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring geeft omtrent de herkomst hiervan.


Verdachte heeft verklaard dat hij een maandelijks inkomen heeft van € 700,- en dat hij van dit bedrag moet rondkomen. Verdachte heeft verklaard dat het door de politie aangetroffen geldbedrag van € 10.655,- van hemzelf is. Het geld zou verdachte grotendeels hebben verdiend door jarenlang tradingkaarten op de vlooienmarkt te verkopen. De rechtbank overweegt dat de door verdachte gegeven verklaring enigszins verifieerbaar is. Echter is verdachtes verklaring, voor zover geverifieerd, niet aannemelijk geworden nu zijn verklaring wordt weerlegd door de getuigenverklaring van [getuige].


Nu verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven omtrent de herkomst van het contante geldbedrag, is geen andere conclusie mogelijk dan dat het in de tenlastelegging opgenomen geldbedrag middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig is. Verdachte heeft zich derhalve schuldig gemaakt aan het onder 3 ten laste gelegde witwassen.


Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat op grond van de bewijsmiddelen in het dossier de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een ander dan wel anderen niet is bewezen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het medeplegen.


Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 eerste cumulatief ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:


1. subsidiair


hij in de periode van 1 november 2016 tot en met 28 maart 2017 te Groningen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen gelegenheid heeft getracht te verschaffen, hebbende verdachte zijn kamer/woning beschikbaar gesteld voor de opslag van die MDMA;


2.


hij op 28 maart 2017 te Groningen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3772,08 gram van een materiaal bevattende MDMA en ongeveer 4,76 gram van een materiaal bevattende

cocaïne, zijnde MDMA en cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;


3.


hij in de periode van 1 november 2016 tot en met 28 maart 2017 te Groningen, een voorwerp, te weten geld (ongeveer 10.655,- euro), voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;


4 tweede cumulatief ten laste gelegde


hij op 28 maart 2017 te Groningen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 314,59 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.


Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.


Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.


Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:


Ten aanzien van 1 subsidiair en 2 de eendaadse samenloop van

medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, door een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2

onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

3. witwassen;

4 tweede cumulatief ten laste gelegde opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.


Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.


Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.


Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 tweede cumulatief ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek en een proeftijd van drie jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd in het rapport van de reclassering d.d. 23 juni 2017. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van een geldboete van € 11.065,- gevorderd. Bij de formulering van de strafeis heeft de officier van justitie het ad informandum gevoegde feit meegenomen.


Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat het ad informandum gevoegde feit bij de strafbepaling kan worden meegenomen nu verdachte dit feit heeft erkend. De raadsman heeft grotendeels tot vrijspraak van de aan verdachte ten laste gelegde feiten geconcludeerd. Zo de rechtbank toch tot een veroordeling komt, verzoekt de raadsman de rechtbank om bij het bepalen van de strafmaat zoveel mogelijk aan te sluiten bij het rapport van de reclassering d.d. 23 juni 2017. Verdachte heeft aangegeven dat hij bereid is om zich aan bijzondere voorwaarden te houden. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om er rekening mee te houden dat verdachte graag zo snel mogelijk weer zijn studie wil oppakken.


Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.


Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het door verdachte erkende ad informandum gevoegde feit, zoals dit op de dagvaarding is vermeld en welk feit hiermee is afgedaan.


De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


Verdachte heeft zijn woning beschikbaar gesteld aan een ander voor de opslag van een grote hoeveelheid MDMA. Daarnaast heeft verdachte een hoeveelheid cocaïne en hennep aanwezig gehad. De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat drugs ernstige schade berokkenen aan de gebruikers daarvan en het gebruik ervan kan leiden tot ernstige verslavingsproblematiek. Bovendien gaat het gebruik van (en de handel in) drugs vaak gepaard met andere vormen van (gewelds- en vermogens-) criminaliteit.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Het voorhanden hebben van dergelijke voorwerpen is verboden, omdat ze voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.

Ten slotte heeft verdachte een geldbedrag van € 10.655,- voorhanden gehad terwijl hij wist dat het geldbedrag geheel of gedeeltelijk afkomstig was uit enig misdrijf. De rechtbank overweegt dat door witwassen het financiële en economische verkeer wordt aangetast. Dit heeft eveneens een ontwrichtende werking op de maatschappij.


De rechtbank heeft voorts in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 7 juni 2017, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor andersoortige strafbare feiten.


Blijkens het rapport van de reclassering d.d. 23 juni 2017 is verdachte tegenover de reclassering onvoldoende open geweest over de redenen van zijn keuzes ten aanzien van de ten laste gelegde feiten. Dit zorgt ervoor dat de kans op recidive aanwezig blijft. De reclassering heeft geadviseerd om aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Een voorwaardelijk strafdeel met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling bij de Forensische Psychiatrie, ziet de reclassering als mogelijkheid voor afdoening, zodat gewerkt kan worden aan de mogelijk onderliggende problematiek. Binnen een ambulante behandeling kan het delictscenario aan bod komen, zodat betrokkene verantwoordelijkheid leert te nemen voor zijn gedrag en daarbij ook voor de gevolgen van zijn gedrag. Ondanks dat verdachte tijdens het eerder opgelegde toezicht gerecidiveerd is en hierdoor heeft laten zien dat een voorwaardelijke gevangenisstraf hem onvoldoende gemotiveerd heeft om niet te recidiveren, schat de reclassering in dat een mogelijk groter strafdeel wel recidive verminderend kan werken, mede omdat verdachte nu voor het eerst gedetineerd is geraakt en weet wat de gevolgen van zijn gedrag kunnen zijn. Tot slot is naar voren gekomen dat verdachte gemotiveerd is om zijn opleiding af te ronden.


Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de reclassering is geadviseerd, een passende reactie vormt. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zal de rechtbank als bijzondere voorwaarden de meldplicht en een ambulante behandelverplichting koppelen om te bewerkstelligen dat verdachte zich in de toekomst zal onthouden van het plegen van strafbare feiten. De rechtbank zal niet als bijzondere voorwaarde de eveneens geadviseerde agressieregulatie training opleggen, nu deze gedragsinterventie al is gekoppeld als bijzondere voorwaarde aan een eerder opgelegde voorwaardelijke straf. De rechtbank zal een korter onvoorwaardelijk strafdeel opleggen aan verdachte dan door de officier van justitie is geëist, nu het de eerste keer is dat verdachte wegens Opiumdelicten met justitie in aanraking is gekomen en de rechtbank het van belang acht dat verdachte zijn opleiding in september kan hervatten.


Inbeslaggenomen goederen


De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten 1 laptop (merk Lenovo, kleur zwart), 1 horloge (merk Michael Kors [type], goudkleurig), 2 zegelringen (kleur goud) moeten worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.


De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een geldbedrag van € 10.655,- en een geldbedrag van € 170,- vatbaar voor verbeurdverklaring nu de voorwerpen toebehoren aan verdachte en de geldbedragen voorwerpen betreffen met betrekking tot welke het feit is begaan.


Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 2 december 2016, gewezen door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 17 december 2016.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 7 juni 2016 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De hiervoor onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 tweede cumulatief bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.


De rechtbank is van oordeel dat, nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, in beginsel tenuitvoerlegging dient te worden gelast van de niet ten uitvoer gelegde straf. De rechtbank acht echter termen aanwezig thans te volstaan met verlenging van de proeftijd met één jaar, nu veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan een andersoortig delict en de rechtbank het van belang acht dat veroordeelde in september zijn studie kan hervatten en zal deelnemen aan de agressieregulatie training, welke training als voorwaarde is verbonden aan de hier aan de orde zijnde voorwaardelijke straf.


Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 47, 55, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 10a en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.



Uitspraak


De rechtbank


Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en 4 eerste cumulatief is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.


Verklaart het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 tweede cumulatief ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.


Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.


Veroordeelt verdachte tot:


Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 7 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.


Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.


Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.


Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich binnen twee weken na zijn detentie meldt bij reclassering Leger des Heils, Damsterdiep 271 te Groningen. Hierna moet veroordeelde zich gedurende de proeftijd melden bij de reclassering, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- dat de veroordeelde wordt verplicht om zich te laten onderzoeken en eventueel een behandelaanbod te ondergaan bij de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord-Nederland (AFPN) te Groningen of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van dit onderzoek door of namens de instelling/ behandelaar zullen worden gegeven.


Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Gelast de teruggave van 1 laptop (merk Lenovo, kleur zwart), 1 horloge (merk Michael Kors [type], goudkleurig) en 2 zegelringen (kleur goud) aan veroordeelde.


Verklaart verbeurd de in beslag genomen geldbedragen van € 10.655,- en € 170,-.


Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/172197-16:

Verlengt de in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen d.d. 2 december 2016 vastgestelde proeftijd met één jaar.


Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mr. F.J. Agema en

mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. A.C. Fennema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juli 2017.


Mr. E.P. van Sloten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.



1 Opgenomen op pagina 77 e.v. van voornoemd dossier.
2 Opgenomen op pagina 85 van voornoemd dossier: foto van verdachte.