Rechtbank Oost-Brabant, 07-11-2018 / C/01/324112 / HA ZA 17-513


ECLI:NL:RBOBR:2018:5391

Inhoudsindicatie
Schade gemeente door betaling voor niet verrichte werkzaamheden. Opmaken van valse facturen. Aansprakelijkheid bestuurder.
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2018-11-07
Publicatiedatum
2018-11-14
Zaaknummer
C/01/324112 / HA ZA 17-513
Procedure
Op tegenspraak
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • OR-Updates.nl 2018-0165
  • JONDR 2018/1266
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch



zaaknummer / rolnummer: C/01/324112 / HA ZA 17-513


Vonnis van 7 november 2018


in de zaak van


1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

2. de vereniging

DIVOSA, DE LANDELIJKE VERENIGING VAN LEIDINGGEVENDEN VAN GEMEENTELIJKE DIENSTEN OP HET TERREIN VAN WERK, INKOMEN EN ZORG,

zetelend te Utrecht,

eiseressen,

advocaat mr. B.D. van der Ven te Rotterdam,


tegen


1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WERKLAND B.V.,

gevestigd te Cuijk,

gedaagde,

advocaat mr. Chr. Nome te Nijmegen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] .,

gevestigd te Cuijk,

gedaagde,

advocaat mr. Chr. Nome te Nijmegen,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] ,

gevestigd te Cuijk,

gedaagde,

advocaat mr. Chr. Nome te Nijmegen,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. Chr. Nome te Nijmegen,

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats] ,

procedure geschorst in verband met faillissement.


Partijen zullen hierna de gemeente Rotterdam, Divosa, Werkland, [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] genoemd worden.

De gemeente Rotterdam en Divosa zullen gezamenlijk worden aangeduid als de Gemeente Rotterdam c.s. (enkelvoud vrouwelijk).

Werkland, [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] zullen gezamenlijk worden aangeduid als [gedaagden sub 1 tot en met 4] (enkelvoud mannelijk).

[gedaagden sub 1 tot en met 4] en [gedaagde sub 5] zullen gezamenlijk worden aangeduid als gedaagden.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het tussenvonnis van 29 november 2017
  • - akte van de Gemeente Rotterdam c.s. van 11 juni 2018 met producties;
  • - een door de Gemeente Rotterdam c.s. op 12 juni 2018 binnengekomen productie;
  • - door [gedaagden sub 1 tot en met 4] op 18 juni 2018 binnengekomen producties;
  • - het proces-verbaal van comparitie van 26 juni 2018.

1.2.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat, nu [gedaagde sub 5] op 10 oktober 2017 in staat van faillissement is verklaard, de procedure tussen de Gemeente Rotterdam c.s. en [gedaagde sub 5] in de hoofdzaak en in het incident ingevolge het bepaalde in artikel 29 Faillissementswet is geschorst. De rechtbank zal hierna slechts het geschil tussen de Gemeente Rotterdam c.s. en [gedaagden sub 1 tot en met 4] beoordelen.


1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

De gemeente Rotterdam ontplooit diverse initiatieven op het gebied van de bestrijding van (jeugd)werkloosheid. De hiervoor beschikbare financiële middelen worden beheerd door het cluster ‘Werk en Inkomen’, voorheen genaamd Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SoZaWe). Een afdeling van SoZaWe was de afdeling DAAD. DAAD is een servicepunt voor Rotterdamse werkgevers.


2.2.

Divosa is de Nederlandse vereniging voor gemeentelijke managers op het terrein van participatie, werk en inkomen. Divosa ontplooit namens alle gemeenten in Nederland initiatieven op deze terreinen met het oog op het terugdringen van werkloosheid. Divosa neemt daarmee een deel van de taken van alle individuele gemeenten op zich en kan financiële middelen besteden aan deze taakuitvoering.


2.3.

[gedaagde sub 5] was van 15 juni 2004 tot 1 augustus 2011 als ambtenaar bij de gemeente Rotterdam aangesteld.


2.4.

[gedaagde sub 5] bekleedde van 1 november 2008 tot het einde van zijn aanstelling twee functies, namelijk projectmanager regionaal arbeidsmarktbeleid en programmadirecteur ketensamenwerking G4.


2.5.

[gedaagde sub 5] was vanuit zijn functie als ambtenaar tot 1 januari 2011 als kernteamlid verbonden aan het Algemeen Keten Overleg (hierna: AKO) voor de G4-gemeenten (de grootste vier gemeenten van Nederland). Het AKO had tot doel de ketensamenwerking te bevorderen en bestond uit drie partijen: de Vereniging Nederlandse Gemeenten, het UWV en Divosa.


2.6.

[gedaagde sub 5] kon zowel voor Divosa als de gemeente Rotterdam facturen goedkeuren.


2.7.

[naam algemeen directeur Divosa] (hierna: [naam algemeen directeur Divosa] ) was ten tijde van belang algemeen directeur van Divosa.


2.8.

Volgens het uittreksel in het handelsregister van de Kamer van Koophandel zijn de activiteiten van Werkland:


ʺSBI-code: 70221 – Organisatie-adviesbureaus

Het verlenen van een breed pakket aan diensten op het terrein van personeelsvoorziening, met name arbeidsintegratie, outplacement, werving en selectie, (electronische) vacaturebank, bemiddeling, detachering, uitzending en advisering.ʺ


2.9.

Volgens het uittreksel in het handelsregister van de Kamer van Koophandel zijn de activiteiten van [gedaagde sub 2] :


ʺSBI-code: 70221 – Organisatie-adviesbureaus

Organisatieadviesbureau alsmede interim- management en adviseringʺ


2.10.

[gedaagde sub 3] houdt alle aandelen en is enig bestuurder van Werkland en [gedaagde sub 2] .


2.11.

[gedaagde sub 4] is enig bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde sub 3] .


2.12.

Op 2 juni 2009 is op briefpapier van [gedaagde sub 2] een factuur (hierna factuur 1) met de volgende omschrijving aan Divosa, ter attentie van [naam algemeen directeur Divosa] , gestuurd:


ʺIn verband met de organisatie en uitvoering van de werkconferentie “Welfare-to-Work” voor de werkpleinen van de G4, van 13 t/m 15 mei in Rotterdam brengen wij u o.v.v. ID nummer 159, conform afspraak, in rekening een bedrag van € 37.000,- + € 7.030,- (19% BTW) = € 44.030,-.


(…)


Hoogachtend


Dick Vinkʺ


Deze factuur is op 3 juni 2009 voor akkoord getekend door [gedaagde sub 5] . Daarna en voordat de factuur op 9 juli 2009 is voldaan, is de factuur door [naam algemeen directeur Divosa] geparafeerd.


2.13.

Op 2 juni 2009 is op briefpapier van Werkland een factuur (hierna: factuur 2) met de volgende omschrijving aan Divosa, ter attentie van [naam algemeen directeur Divosa] , gestuurd:


ʺIn verband met de productie en verspreiding van een film met best practices en tips over de werkgeversbenadering voor de werkpleinen in de G4 brengen wij u o.v.v. ID nummer 159, conform afspraak, in rekening een bedrag van € 35.000,- + € 6.650,- (19% BTW) =

€ 41.650,-.


(…)


Hoogachtend,



[gedaagde sub 4]


Deze factuur is op 3 juni 2009 voor akkoord getekend door [gedaagde sub 5] . Daarna en voordat de factuur op 26 juni 2009 is voldaan, is de factuur door [naam algemeen directeur Divosa] geparafeerd.


2.14.

Op 24 augustus 2009 is op briefpapier van Werkland een factuur (hierna: factuur 3) met de volgende omschrijving naar Divosa gestuurd:


ʺIn verband met de advisering en ondersteuning t.b.v. werkpleinvorming werkpleinen in de G4 over de periode 1-10-2008 t/m 31-3-2009 brengen wij u in rekening 48 dagen ad

€ 1.300,- = € 62.400,- + € 11.856,- (19% BTW) = € 74.256,-.


(…)


Hoogachtend



[gedaagde sub 4]


Deze factuur is op 27 augustus 2009 voor akkoord getekend door [gedaagde sub 5] . Daarna en voordat de factuur op 10 september 2009 is voldaan, is de factuur door [naam algemeen directeur Divosa] geparafeerd.


2.15.

Op 27 oktober 2009 is op briefpapier van Werkland een factuur (hierna: factuur 4) met de volgende omschrijving naar Divosa gestuurd:


ʺIn verband met de advisering en ondersteuning t.b.v. werkpleinvorming werkpleinen in de G4 over de periode 1-4-2009 t/m 30-9-2009 brengen wij u in rekening 48 dagen ad

€ 1.300,- = € 62.400,- + € 11.856,- (19% BTW) = € 74.256,-.


(…)


Hoogachtend



[gedaagde sub 4]

Deze factuur is op 28 oktober 2009 voor akkoord getekend door [gedaagde sub 5] . Daarna en voordat de factuur op 13 november 2009 is voldaan, is de factuur door [naam algemeen directeur Divosa] geparafeerd.


2.16.

Op 19 november 2009 is op briefpapier van Werkland een factuur (hierna factuur 5) aan het AKO kernteam/Divosa gestuurd met de volgende omschrijving:


ʺIn opdracht van het Programmabureau G4, in de persoon van de heer [gedaagde sub 5]

, zijn de afgelopen maanden vier voorbeeldfilms m.b.t. de aanpak van

de Jeugdwerkloosheid in de regio Rotterdam-Rijnmond gemaakt. Wij hebben

deze opdracht, zoals afgesproken, in samenwerking met de Media Werkplaats

Rotterdam, opgepakt en uitgevoerd.


De films worden in de 04 werkpleinen (en daarbuiten) als voorbeeld voor de

ketensamenwerking ingezet en bieden ondersteuning bij de werkpleinvorming

in de G4 en de regionale aanpak van de jeugdwerkloosheid in G4-verband. De

films zijn recentelijk aan het programmabureau G4 opgeleverd en zullen bin-

nenkort aan de werkpleinen in de G4 en de regionale partners ter ondersteuning

worden toegezonden.


Conform afspraak wordt € 35.000,- (ex 19% BTW) per film in rekening ge-

bracht te weten de productie, coördinatie- en verspreidingskosten van de films:

1- 1-Werkmakelaar Gemeente Schiedam

2- Regionale Accountmanagers Daad en UWV

3- Project Zomertuinen ROC en gemeente Spijkenisse

4- Project woonfoyer ROC’s Zadkine en Albeda Sandelingheplein


Volledigheidshalve meld ik u daarbij dat hiermee alle kosten met betrekking

tot productie, coördinatie en distributie van deze films, inclusief de kosten van

de Media Werkplaats, zijn inbegrepen.


In verband hiermee brengen wij u in rekening een bedrag van 4 x € 35.000,- = € 140.000,- + € 26.600,- (19% BTW) = € 166.600,-.


(…)


Hoogachtend


[gedaagde sub 4]


Deze factuur is op 23 november 2009 voor akkoord getekend door [gedaagde sub 5] . Daarna en voordat de factuur op 11 december 2009 is voldaan, is de factuur door [naam algemeen directeur Divosa] geparafeerd.


2.17.

Op 19 november 2009 is op briefpapier van Werkland een factuur (hierna: factuur 6) aan de projectdirecteur Regionaal Arbeidsmarktbeleid en Aanpak Jeugdwerkloosheid, [gedaagde sub 5] , gestuurd met de volgende omschrijving:


ʺGeachte heer [gedaagde sub 5] /beste [gedaagde sub 5]


In uw opdracht zijn 4 voorbeeldfilms met betrekking tot de aanpak van de

Jeugdwerkloosheid in de regio Rotterdam-Rijnmond gemaakt. Deze films

zijn recentelijk opgeleverd. Afgesproken is dat Werkland BV de opdrachtverlening

namens u heeft overgenomen en heeft doorgezet aan de Media

Werkplaats Rotterdam en in de vervaardiging van deze vier films een co-

ordinerende rol heeft vervuld.


Zoals afgesproken wordt € 10.000,- per film in rekening gebracht zijnde

de productie- en coördinatiekosten ten behoeve van de films met als titel:

1- 1-Werkmakelaar Gemeente Schiedam

2- Regionale Accountmanagers Daad en UWV

3- Project Zomertuinen ROC en gemeente Spijkenisse

4- Project woonfoyer ROC’s Zadkine en Albeda Sandelingheplein


In verband met de productie en coördinatie van deze vier films ten behoeve van de ‘Regionale aanpak Jeugdwerkloosheid’ brengen wij u in rekening een bedrag van 4 x € 10.000,- = € 40.000,- + € 7.600,- (19% BTW) = € 47.600,-.


(…)


Hoogachtend,


[gedaagde sub 4]


Deze factuur is op 23 november 2009 voor akkoord getekend door [gedaagde sub 5] . De factuur is voldaan op 24 december 2009.


2.18.

De gemeente Rotterdam heeft in oktober 2012 aan KPMG Advisory N.V. (hierna: KPMG) opdracht gegeven om onderzoek in te stellen naar de bestedingen door SoZaWe en DAAD. Dit heeft geleid tot het rapport van KPMG van 24 april 2013 genaamd ‘Feitenonderzoek Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid’(hierna: KPMG-rapport I).


2.19.

Daarna, in 2013, heeft de gemeente Rotterdam KPMG opdracht gegeven onderzoek te verrichten naar de feitelijke gang van zaken met betrekking tot mogelijke onregelmatigheden in relatie tot [gedaagde sub 5] en aan hem gelieerde (rechts)personen. Dit heeft geleid tot het rapport van KPMG van 17 juli 2015 (hierna: KPMG-rapport II).


2.20.

Op verzoek van de Gemeente Rotterdam c.s. heeft op 30 november 2016 en 13 maart 2017 een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. Daarbij zijn de volgende personen als getuige gehoord:

  • - [gedaagde sub 5] ;
  • - [gedaagde sub 4] ;
  • - [naam filmmaker] (hierna: [naam filmmaker] ), filmmaker.


3Het geschil

3.1.

De Gemeente Rotterdam c.s. vordert :


bij vonnis, steeds voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Divosa:

(a) van een bedrag van EUR 55.270,09, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

2. Werkland, [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Divosa:

(a) van een bedrag van EUR 384.561,76, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

3. Werkland, [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de Gemeente Rotterdam:

(a) van een bedrag van EUR 58.684,66, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

4 [gedaagde sub 4] te bevelen om een afschrift van de in randnummer 139(i), 139(ii), l39(iii), 139(iv) en 139(v) genoemde bescheiden te verstrekken, binnen tien dagen na het in dit incident gewezen vonnis, althans binnen een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen termijn. Zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van EUR 2.000 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde sub 4] daarmee geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

5. [gedaagde sub 5] te bevelen om een afschrift van de in randnummer 139(i) en 139(iii)

genoemde bescheiden te verstrekken, binnen tien dagen na het in dit incident gewezen vonnis, althans binnen een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen termijn. Zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van EUR 2.000 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde sub 5] daarmee geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft, althans een door uw rechtbank in goede Justitie te bepalen bedrag; en

6. [gedaagde sub 2] , Werkland, [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de Gemeente Rotterdam en Divosa:

(a) aan buitengerechtelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid een bedrag van EUR 130.000;

(b) de kosten van deze procedure met bepaling dat, als deze kosten niet binnen

veertien dagen na de dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden

voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis wettelijke rente is verschuldigd; en

(c) aan nakosten een bedrag van EUR 131 zonder betekening, verhoogd met een

bedrag van EUR 68 in geval van betekening, met bepaling dat, als deze kosten niet binnen veertien dagen na de dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis wettelijke rente is verschuldigd.


3.2.

De Gemeente Rotterdam c.s. legt aan haar vorderingen zowel onrechtmatige daad als onverschuldigde betaling ten grondslag. [gedaagden sub 1 tot en met 4] heeft valse facturen verzonden naar de Gemeente Rotterdam c.s.. De facturen zijn vals omdat de daarop vermelde werkzaamheden niet zijn verricht. Ondanks dat [gedaagde sub 5] heeft geweten dat de facturen vals waren, heeft hij als budgethouder namens Divosa respectievelijk de gemeente Rotterdam de facturen toch geaccordeerd en de gelden laten uitbetalen. [gedaagde sub 4] is aansprakelijk, omdat hem een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken. Voor factuur 1, de enige factuur die [gedaagde sub 2] heeft gestuurd, zijn [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] hoofdelijk aansprakelijk voor een bedrag, inclusief wettelijke rente tot en met 28 juli 2017, van € 55.270,09. Voor de facturen 2 tot en met 5, facturen die Werkland aan Divosa heeft verzonden, zijn Werkland, [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] hoofdelijk aansprakelijk voor een totaalbedrag, inclusief wettelijke rente tot en met 28 juli 2017, van € 384.561,76. Voor factuur 6, de factuur die Werkland aan de gemeente Rotterdam heeft verzonden, zijn Werkland, [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] hoofdelijk aansprakelijk voor een bedrag, inclusief wettelijke rente tot en met 28 juli 2017, van € 54.684,66. Daarnaast heeft de Gemeente Rotterdam c.s. op basis van de desbetreffende facturen zonder rechtsgrond betalingen van in totaal € 448.392,-- verricht.


3.3.

[gedaagden sub 1 tot en met 4] voert de volgende verweren. . Allereerst zijn de vorderingen verjaard. Voorts heeft [gedaagden sub 1 tot en met 4] betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld of dat sprake is van onverschuldigde betaling. [gedaagde sub 4] is in dit geval niet als bestuurder of persoonlijk aansprakelijk. Verder is sprake van eigen schuld aan de zijde van Gemeente Rotterdam c.s.


3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling

4.1.

De eerste drie vorderingen, zoals hiervoor geciteerd onder de punten 1 tot en met 3 onder overweging 3.1, betreffen de bij facturen 1 tot en met 6 in rekening gebrachte bedragen, vermeerderd met wettelijke rente. De eerste vordering heeft betrekking op factuur 1, de tweede vordering op de facturen 2 tot en met 5, en de derde vordering op factuur 6.


Verjaring


4.2.

[gedaagden sub 1 tot en met 4] voert als meest verstrekkend verweer dat de vorderingen zijn verjaard. Volgens [gedaagden sub 1 tot en met 4] is de verjaringstermijn van vijf jaar op het moment van de betekening van deze dagvaarding op 28 juli 2017 verstreken. De Gemeente Rotterdam c.s. is immers vanaf het moment dat zij in 2009 de facturen (achtereenvolgens) heeft geaccordeerd en uitbetaald bekend met de desbetreffende betalingsverzoeken en de accorderingen van [gedaagde sub 5] . In ieder geval moet de Gemeente Rotterdam c.s. begin 2012 met een en ander bekend zijn geworden, gelet op het feit dat zij uiteindelijk in oktober 2012 aan KPMG opdracht heeft gegeven voor de eerste rapportage (KPMG-rapport I). Ter zitting heeft [gedaagden sub 1 tot en met 4] er nog op gewezen dat de Gemeente Rotterdam c.s. op enig moment vóór 22 juli 2014 met een en ander bekend is geworden gelet op haar sommatiebrief van die datum.


4.3.

De Gemeente Rotterdam c.s. betwist dat in dit geval de verjaringstermijn in 2009 dan wel begin 2012 is gaan lopen. Als zij in 2009 ermee bekend zou zijn geworden dat de facturen vals waren, dan zou zij de uitbetaling van de facturen destijds wel hebben tegengehouden. Voorts was de door haar in 2012 aan KPMG verstrekte opdracht een feitenonderzoek dat was gericht op onregelmatigheden met door de gemeente Rotterdam verstrekte subsidiegelden en de rol van [gedaagde sub 5] hierin. KPMG heeft in het kader van het onderzoek Werkland op 6 december 2012 verzocht om haar administratie aan te leveren. Dit heeft Werkland/ [gedaagde sub 4] op 23 januari 2013 geweigerd. De Gemeente Rotterdam c.s. had de onderhavige facturen toen nog niet gevonden. Verder was de Gemeente Rotterdam c.s. op het moment dat zij de sommatiebrief van 22 juli 2014 stuurde nog niet bekend met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Deze brief was slechts bedoeld om aan [gedaagde sub 4] een toelichting een toelichting te ontlokken over de werkzaamheden die hij volgens de facturen zou hebben verricht. Pas op 10 juni 2015, de datum waarop de Gemeente Rotterdam c.s. een conceptversie van het KPMG-rapport II heeft ontvangen, is de verjaringstermijn aangevangen.


4.4.

De rechtbank overweegt als volgt.


4.5.

Op grond van artikel 3:309 BW, voor zover hier van belang, verjaart een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden. Het criterium "bekend is geworden" moet subjectief worden opgevat. Het is aan degene die zich op voormelde verjaringstermijn beroept, te stellen en zonodig te bewijzen dat de schuldeiser daadwerkelijk bekend was met het bestaan van zijn vordering en de persoon van de ontvanger (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK3696).


4.6.

Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW, voor zover hier van belang, verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Het criterium “bekend is geworden” moet subjectief worden opgevat. Het is aan degene die zich op voormelde verjaringstermijn beroept, te stellen en zonodig te bewijzen dat de benadeelde daadwerkelijk bekend was met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0900).


4.7.

De dagvaarding dateert van 28 juli 2017. Voor een geslaagd beroep op verjaring moet [gedaagde sub 4] dus stellen en zo nodig bewijzen dat de vorderingen reeds voor 28 juli 2012 (dat is vijf jaar vóór de betekening van de dagvaarding) verjaard zijn. [gedaagden sub 1 tot en met 4] heeft niet meer gesteld dan dat de Gemeente Rotterdam c.s. vanaf het moment dat zij in 2009 de facturen (achtereenvolgens) heeft geaccordeerd en uitbetaald bekend was met de desbetreffende betalingsverzoeken en de accorderingen van [gedaagde sub 5] . Op grond van de argumenten die de gemeente heeft aangevoerd, is deze stelling echter onvoldoende om de conclusie te dragen dat de vordering voor 28 juli 2012, verjaard is. Dat de gemeente die facturen accordeerde en uitbetaalde hoeft immers geenszins te betekenen dat de gemeente wist dat zij dat onverschuldigd deed dan wel dat zij daardoor schade had geleden; het wijst veeleer op het tegenovergestelde daarvan.

Ook het enkele feit dat de gemeente Rotterdam in 2012 bij KPMG een onderzoek heeft laten instellen, betekent zonder nadere toelichting, die ontbreekt, nog niet dat bij de Gemeente Rotterdam c.s. op dat moment daadwerkelijk bekendheid is ontstaan met een en ander. Het instellen van onderzoek wijst er juist op dat die bekendheid er toen nog niet was.


4.8.

Uit het voorgaande volgt dat het verjaringsverweer van [gedaagden sub 1 tot en met 4] faalt. De stuitingsbrief van 22 juli 2014 en de gevolgtrekkingen die partijen daaraan ontlenen, hoeven dan ook niet te worden behandeld.


4.9.

De Gemeente Rotterdam c.s. heeft per factuur besproken dat en waarom jegens haar onrechtmatig is gehandeld dan wel dat sprake is van onverschuldigde betaling. [gedaagden sub 1 tot en met 4] heeft in reactie hierop ook per factuur verweer gevoerd. De rechtbank zal hetgeen partijen over en weer per factuur hebben gesteld, hierna bespreken. Daarbij zal alleen de aansprakelijkheid aan de orde zijn van de vennootschap namens wie de desbetreffende facturen zijn opgesteld en verzonden. Voor factuur 1 is dat [gedaagde sub 2] en voor de overige facturen is dat Werkland. Daarna zal de rechtbank ingaan op het standpunt van de Gemeente Rotterdam c.s. dat [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 2] (ook) aansprakelijk zijn voor de door de Gemeente Rotterdam c.s. geleden schade.


Factuur 1


4.10.

De Gemeente Rotterdam c.s. stelt zich op het standpunt dat factuur 1 vals is, althans dat die factuur onverschuldigd is betaald. Het in rekening gebracht bedrag van

€ 44.030,-- is niet gebaseerd op een overeenkomst (van opdracht). Daarnaast blijkt uit de factuur dat de conferentie drie dagen heeft geduurd, terwijl de conferentie daadwerkelijk maar twee dagen heeft geduurd. Dit blijkt uit een folder op de website van [gedaagden sub 1 tot en met 4] Voorts heeft [gedaagde sub 4] tijdens het voorlopige getuigenverhoor geweigerd vragen over de factuur te beantwoorden.


4.11.

[gedaagden sub 1 tot en met 4] betwist dat factuur 1 vals is. [gedaagde sub 4] heeft in samenwerking met de Gemeente Rotterdam c.s. een congres georganiseerd. De conferentie duurde niet twee , maar drie dagen. Dit blijkt uit het 3-daags programma van de conferentie en uit de speech van de wethouder van de gemeente Rotterdam (de heer [naam wethouder] ) van 13 mei 2009. De voorbereidingen en organisatie van de conferentie was in handen van een werkgroep bestaande uit [gedaagde sub 5] , de heer [naam hoofd] (Hoofd Sociaal Wetenschappelijke Afdeling SoZaWe), mevrouw [naam medewerkster SoZaWe 1] , mevrouw [naam medewerkster SoZaWe 2] (beiden medewerkster SoZaWe), de heer [naam plaatsvervangend directeur Divosa] (plaatsvervangend Directeur Divosa) en [gedaagde sub 2] . Om praktische redenen is de financiële afwikkeling van de conferentie via [gedaagde sub 2] gegaan. Een en ander is in de werkgroep aan de orde gekomen. [gedaagde sub 4] heeft van de Gemeente Rotterdam c.s., in de persoon van [gedaagde sub 5] , opdracht gekregen om de kosten in rekening te brengen als bijdrage in de kosten van de conferentie. De betaling van de factuur is door [naam algemeen directeur Divosa] en [gedaagde sub 5] geaccordeerd. De hiervoor in rekening gebrachte kosten zijn niet buitenmatig, gelet op de aanzienlijke voorbereiding die het congres heeft gevergd en de omvang van het congres.


4.12.

Ter zitting heeft de Gemeente Rotterdam c.s. aangevoerd dat uit de door [gedaagden sub 1 tot en met 4] overgelegde stukken niet meer kan worden afgeleid dan dat [gedaagde sub 4] op de conferentie een uur als moderator is opgetreden en een uur als panellid. Dit zijn geen werkzaamheden die een factuur van € 44.030,-- kunnen verklaren, aldus de Gemeente Rotterdam c.s.


4.13.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Gemeente Rotterdam c.s. ten aanzien van factuur 1 voldoende gesteld dat [gedaagde sub 2] geen zodanige prestatie heeft geleverd dat die het in rekening gebrachte bedrag van € 44.030,-- rechtvaardigt. [gedaagde sub 2] heeft een factuur opgesteld en verstuurd om een substantieel bedrag aan subsidiegelden te incasseren. [gedaagde sub 2] is in die factuur over de in rekening gebrachte werkzaamheden weinig concreet geweest. In dat licht is het aan [gedaagde sub 2] om deugdelijk gemotiveerd te onderbouwen welke werkzaamheden zij voor de ontvangen subsidiegelden heeft verricht. Ter zitting heeft [gedaagde sub 4] toegelicht dat factuur 1 alleen (on)kosten betreft van de conferentie die [gedaagde sub 2] (vooraf) heeft betaald. De kosten betreffen volgens [gedaagde sub 4] vooral de ruimte voor de conferentie, de verzorging, overnachting en de reizen van de (internationale) gasten. Voorts is dat wat [gedaagde sub 2] met deze factuur in rekening heeft gebracht vergelijkbaar met de verschotten die een advocaat zijn cliënt in rekening brengt, aldus [gedaagde sub 4] . [gedaagden sub 1 tot en met 4] heeft deze toelichting echter niet met bescheiden onderbouwd, terwijl dat wel van hem verwacht mag worden. Hij zal daarom in de gelegenheid worden gesteld dit alsnog te doen. Hij zal daarbij niet mogen volstaan met uitsluitend overleggen van bescheiden, maar zal ook gemotiveerd moeten uitleggen waarom en in welk opzicht deze bescheiden zijn verweer onderbouwen.De zaak wordt daarvoor naar de rol verwezen. De Gemeente Rotterdam c.s. mag daarop vervolgens reageren op de rol van zes weken later.


Factuur 2


4.14.

De Gemeente Rotterdam c.s. stelt dat (ook) factuur 2 vals is, althans dat die factuur onverschuldigd is betaald. Werkland brengt met de factuur kosten in rekening voor de “productie en verspreiding” van een film. De film is echter geproduceerd door Media Werkplaats Rotterdam (MWR). Dat blijkt uit het KPMG-rapport II en de verklaring van [naam filmmaker] . Ook blijkt uit nergens dat Werkland de film heeft verspreid. Deze factuur lijkt op een factuur van tussenstation R-Time. R-Time declareerde hiermee twee films, terwijl niet R-Time maar MWR die films heeft gemaakt. [gedaagde sub 5] blijkt de inhoud van die factuur te hebben geïnstrueerd. In dit geval heeft MWR heeft voor deze film op 17 juni 2009 een factuur gestuurd aan Werkland voor een bedrag van € 16.670,--. De Gemeente Rotterdam c.s. is bereid om haar (derde) vordering met dat bedrag te verminderen.


4.15.

[gedaagden sub 1 tot en met 4] betwist dat factuur 2 vals is. Hij voert daartoe het volgende aan. [gedaagde sub 5] heeft namens Divosa aan Werkland een mondelinge opdracht gegeven voor de desbetreffende film. Dit is gedaan met medeweten van de heer [naam toenmalig coördinator Divosa] (toenmalig coördinator van Divosa) en [naam algemeen directeur Divosa] . Werkland heeft conform de opdracht de film geproduceerd in de ruime betekenis van het woord. Werkland heeft in overleg met Divosa de technische vervaardiging van de film door MWR laten uitvoeren. Werkland heeft vanaf het begin een actieve rol gespeeld bij de totstandkoming van de films. De contacten vanuit Werkland met MWR zijn gelopen via mevrouw [naam coördinator] (coördinator) en de heer [naam regisseur] (regisseur). Dat blijkt uit twee e-mails van [naam regisseur] van 17 en 23 april 2009 aan [gedaagde sub 2] / [gedaagde sub 4] . Uit die e-mails blijkt ook de directe betrokkenheid van [naam toenmalig coördinator Divosa] bij de totstandkoming van de film. Werkland heeft de coördinatie van de film gedaan en heeft hierover uitvoerig inhoudelijk overleg gevoerd met alle betrokken partijen. De hoogte van het in rekening gebrachte geldbedrag is doorgenomen en besproken met [gedaagde sub 5] . Dat de facturen van R-Time onrechtmatig zijn geweest betekent niet dat de facturen van [gedaagden sub 1 tot en met 4] vals zijn. De Gemeente Rotterdam c.s. erkent zelf dat MWR door [gedaagden sub 1 tot en met 4] is betaald voor de productie van films.


4.16.

De rechtbank overweegt allereerst dat [gedaagden sub 1 tot en met 4] een bedrag van € 16.670,-- voldoende heeft verantwoord. Tussen partijen staat immers vast dat MWR de desbetreffende film heeft vervaardigd, dat MWR hiervoor een factuur voor een bedrag van € 16.670,-- heeft verzonden naar Werkland, en dat Werkland die factuur heeft voldaan. In zoverre komt het gevorderde niet voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank is voorts van oordeel dat de Gemeente Rotterdam c.s. voor het resterende met factuur 2 in rekening gebrachte bedrag van € 24.980,-- voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat Werkland geen prestatie heeft geleverd die de betaling van dat bedrag rechtvaardigt. Werkland heeft een factuur opgesteld en verstuurd om een substantieel bedrag aan subsidiegelden te incasseren. Werkland is in die factuur over de in rekening gebrachte werkzaamheden weinig concreet geweest. Werkland rept namelijk slechts over ‘de productie en verspreiding’ van een film. Wat de ‘verspreiding’ betreft heeft [gedaagde sub 4] ter zitting erkend dat Werkland niet meer heeft gedaan dan een kopie van de film te sturen naar de G4-gemeenten. Wat betreft de ‘productie’ staat vast dat MWR de film heeft vervaardigd.

In dat licht is het aan Werkland om deugdelijk gemotiveerd te onderbouwen dat zij heeft bijgedragen aan de productie van de film. [gedaagden sub 1 tot en met 4] heeft een begin van een onderbouwing geleverd door in het in geding te brengen een e-mail van [naam regisseur] van MWR gericht aan [gedaagde sub 4] van 23 april 2009, waarin over de film het volgende staat:


ʺIk heb je vanmiddag een paar keer proberen te bellen betreffende de AKO film. We moeten denk ik even overleggen wie we nog willen interviewen aangezien we (willen we de overige personen van de lijst nog interviewen) het productiebudget met meer dan 10% gaan overschrijden. De interviews met [naam 1] en [naam 2] zijn i.i.g. ingepland. Kun jij mij laten weten wanneer we het hier over kunnen hebben. ʺ


[gedaagde sub 4] heeft verder ter zitting toegelicht dat hij samen met de gemeente Rotterdam tot het idee is gekomen om films te maken, dat hij daarover een plan van aanpak heeft geschreven, dat hij met cameramensen en technici van MWR overleg heeft gevoerd hoe de film vorm te geven en dat hij heeft nagedacht over de thema’s. Ook deze toelichting is verder niet met bescheiden onderbouwd. Met inachtneming van hetgeen in r.o. 4.13 is overwogen, zal de zaak (ook) daarvoor naar de rol worden verwezen.


Facturen 3 en 4


4.17.

De Gemeente Rotterdam c.s. stelt dat de facturen 3 en 4 door Werkland valselijk zijn opgemaakt. [gedaagde sub 5] en zijn medeplichtigen maakten er een gewoonte van om valse facturen te sturen voor de beweerdelijke ‘advisering en ondersteuning’ rondom de werkpleinen. De facturen 3 en 4 stemmen in zeer grote mate overeen met de andere valse facturen die Divosa heeft ontvangen. Ter illustratie wijst de Gemeente Rotterdam c.s. op de factuur die Divosa van tussenstation R-time ontving op 4 december 2009. Het staat vast dat R-Time de desbetreffende “adviserings- en ondersteuningswerkzaamheden” nooit heeft verricht. [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] hebben nooit toelichting willen geven over de prestaties die Werkland voor het totaalbedrag van € 148.512,-- zou hebben verricht.

Daarnaast lagen aan de twee betalingen van € 74.256,-- geen overeenkomsten, opdrachten, subsidiebesluiten of andere verbintenissen ten grondslag die de betalingen rechtvaardigden, zodat het bedrag van totaal € 148.572,-- in ieder geval onverschuldigd is betaald.


4.18.

[gedaagden sub 1 tot en met 4] heeft daartegen het volgende aangevoerd. [gedaagde sub 4] heeft van medio 2008 tot eind 2009 verschillende additionele werkzaamheden verricht. Naast een algemene adviesrol op afroep betreft het werkzaamheden in de voor- en nabereiding van de G4-studiereis naar de Verenigde Staten, werkzaamheden met betrekking tot het project ‘Fit4Work’ en werkzaamheden voor het pilotproject ‘Tarwewijk’. Met [gedaagde sub 5] is afgesproken dat, naast de lopende opdrachten van [gedaagde sub 2] en Werkland, extra inzet en meerwerk over de periode 1 oktober 2008 t/m 30 september 2009 in rekening gebracht kon worden. Het gaat om 96 dagen met een dagtarief van € 1.300,-- (exclusief btw), in totaal € 124.800,- (excl. BTW), aldus [gedaagden sub 1 tot en met 4]


4.19.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Gemeente Rotterdam c.s. voldoende gemotiveerd gesteld dat Werkland voor facturen 3 en 4 geen prestaties heeft verricht. Werkland heeft namelijk facturen verstuurd, beide ter verkrijging van het substantiële bedrag van € 74.256,-- aan subsidiegelden. Werkland is in die facturen over de in rekening gebrachte werkzaamheden weinig concreet geweest. In dat licht is het aan Werkland om zo gemotiveerd en onderbouwd mogelijk te onderbouwen welke werkzaamheden zij voor de ontvangen subsidiegelden heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank is de door [gedaagden sub 1 tot en met 4] in diens conclusie van antwoord gegeven toelichting vaag. De rechtbank wijst met name op de passage ‘Met [gedaagde sub 5] is afgesproken dat, naast de lopende opdrachten van [gedaagde sub 2] . en Werkland B.V., extra inzet en meerwerk over de periode 1 oktober 2008 t/m 30 september 2009 in rekening gebracht kon worden.’ Nog daargelaten dat deze passage inhoudelijk op gespannen voet staat met de omschrijving in de facturen, ontbreekt met name inzicht in welke werkzaamheden van Werkland (en [gedaagde sub 2] ) vallen onder ‘de lopende opdrachten’ en welke onder ‘extra inzet en meerwerk’. Daar komt bij dat uit de verklaringen van [gedaagde sub 4] ter zitting blijkt dat hij niet voorafgaande aan de desbetreffende werkzaamheden met [gedaagde sub 5] heeft afgesproken dat deze in aanmerking komen voor (AKO-)subsidie. De afspraak om te factureren is volgens [gedaagde sub 4] pas gemaakt nadat de werkzaamheden waren verricht. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, ligt het bepaald niet voor de hand dat een opdrachtnemer gedurende een periode van een jaar zonder een vergoeding overeen te komen 96 dagen aan ‘extra inzet en meerwerk’ verricht en daarna nog een vergoeding middels een subsidie kan bedingen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat [gedaagden sub 1 tot en met 4] onvoldoende heeft betwist dat Werkland voor facturen 3 en 4 geen prestaties heeft verricht en deze facturen dus vals zijn.


Facturen 5 en 6


4.20.

De Gemeente Rotterdam c.s. stelt dat de facturen 5 en 6 vals zijn, althans onverschuldigd zijn betaald. Werkland brengt met deze facturen kosten in rekening voor de “productie, coördinatie en verspreiding” van vier films. Deze films zijn echter geproduceerd door MWR en dus niet door Werkland. Dat blijkt uit het KPMG-rapport II en de verklaring van [naam filmmaker] . Het coördineren van de productie van films behoort niet tot de bedrijfsmatige bezigheden van Werkland. Ook is het niet duidelijk wat met de verspreiding van films wordt bedoeld. [gedaagden sub 1 tot en met 4] heeft geen informatie verstrekt over de coördinatie- en verspreidingswerkzaamheden die Werkland zou hebben verricht voor het bedrag van

€ 184.175,48. Verder betreffen de facturen 5 en 6 een dubbele facturering. Zij betreffen beide de productie, coördinatie en distributie van dezelfde vier films, terwijl op factuur 5 staat vermeld dat alle kosten met betrekking tot de productie, coördinatie en distributie van deze films zijn gedekt.


4.21.

[gedaagden sub 1 tot en met 4] betwist dat de facturen 5 en 6 vals zijn. Het betreft twee facturen waarbij complementair de kosten van productie, coördinatie en verspreiding van vier films bij Divosa en de gemeente Rotterdam in rekening zijn gebracht. In de periode april tot en met november 2009 heeft Werkland in opdracht van het AKO Kernteam zes films geproduceerd ten behoeve van de ontwikkeling van de werkpleinen. Het betrof zes samenhangende films die een beeld schetsen van (innovatieve) ontwikkelingen waarmee een aantal werkpleinen het voortouw hebben genomen en die daarmee als voorbeeld en stimulans (best practice) voor de andere werkpleinen konden dienen. De opdracht voor de productie van de films is aan Werkland gegeven vanwege het feit dat [gedaagde sub 4] vanaf het begin een actieve rol heeft gespeeld in de ontwikkeling en verspreiding van het gedachtegoed van de nieuw te vormen werkpleinen. Voor de films werd een vaste prijs van € 35.000,- (excl. 19% BTW) per film afgesproken. De werkzaamheden van Werkland met betrekking tot de productie van de zes films bestonden met name uit de actieve coördinatie en (logistieke en financiële) aansturing van het project, meer specifiek het bedenken c.q. bepalen van de relevante thema’s en de benodigde voorbereidende werkzaamheden. Daartoe onderhield Werkland intensief contact met het AKO Kernteam, verschillende werkpleinen en de heer [naam regisseur] en mevrouw [naam coördinator] , toenmalige medewerkers van de MWR. De feitelijke verspreiding van de films (in de brede zin van het woord) werd, zo bleek in het verloop van het project, een gezamenlijke opgave van het AKO Kernteam, en door de medewerksters van [gedaagde sub 5] zelf verzorgd. De facturen vloeien voort uit een mondelinge opdracht van de Gemeente Rotterdam c.s., in de persoon van [gedaagde sub 5] . De facturen zelf zijn besproken met [gedaagde sub 5] en door hem goedgekeurd.


4.22.

De rechtbank stelt allereerst vast dat [gedaagden sub 1 tot en met 4] ten aanzien van de factuur 5 een bedrag van € 30.025,-- (inclusief btw) voldoende heeft verantwoord. Tussen partijen is immers niet in geschil dat MWR de 4 films heeft vervaardigd, dat MWR hiervoor naar Werkland een factuur heeft gestuurd van € 30.025,-- (inclusief btw) en dat Werkland die factuur heeft voldaan. In zoverre komt het gevorderde niet voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank is voorts van oordeel dat de Gemeente Rotterdam c.s. ten aanzien van het resterende, met factuur 5 gemoeide, bedrag van € 136.575,-- voldoende onderbouwd heeft gesteld dat Werkland geen prestatie heeft geleverd die de betaling van dat bedrag rechtvaardigt. Dat geldt ook voor de met factuur 6 in rekening gebrachte bedrag van € 47.600,--. Daartoe is allereerst van belang dat Werkland deze facturen heeft opgesteld en verstuurd om substantiële bedragen aan subsidiegelden te incasseren. Voorts zijn de omschrijvingen van de facturen weinig concreet. Zo heeft Werkland in de omschrijving van factuur 5 opgenomen dat het gaat om ‘productie-, coördinatie- en verspreidingskosten’ van vier films. In de factuur wordt verder niet geconcretiseerd wat de desbetreffende productie-, coördinatie en verspreidingswerkzaamheden inhouden. Factuur 6 gaat om dezelfde films en daarin heeft Werkland alleen opgenomen dat het gaat om ‘productie- en coördinatiekosten’. Evenmin is in die factuur geconcretiseerd wat die productie- en coördinatiewerkzaamheden inhouden. Wat de ‘verspreiding’ betreft heeft [gedaagde sub 4] ter zitting erkend dat hij niet meer heeft gedaan dan een kopie van de films te sturen naar de G4-gemeenten. Wat betreft ‘productie’ staat vast dat MWR de film heeft vervaardigd.

Bovendien zijn de omschrijvingen in de facturen 5 en 6 niet met elkaar te rijmen. Werkland heeft namelijk in factuur 5 het volgende vermeld: “Volledigheidshalve meld ik u daarbij dat hiermee alle kosten met betrekking tot productie, coördinatie en distributie van deze films, inclusief de kosten van de Media Werkplaats, zijn inbegrepen”. Dat lijkt niet te stroken met hetgeen Werkland in de omschrijving van factuur 6 opgenomen, namelijk dat het gaat om “productie- en coördinatiekosten’, en wel van dezelfde vier films.

In het licht van voorgaande is het aan Werkland om deugdelijk gemotiveerd te onderbouwen welke werkzaamheden zij voor de ontvangen subsidiegelden heeft verricht. Net als bij de factuur 2 heeft [gedaagden sub 1 tot en met 4] bij deze facturen toegelicht dat [gedaagde sub 4] samen met de gemeente Rotterdam tot het idee is gekomen om films te maken, dat [gedaagde sub 4] daarover een plan van aanpak heeft geschreven, dat hij met cameramensen en technici van MWR overleg heeft gevoerd hoe de films vorm te geven en dat hij heeft nagedacht over de thema’s. [gedaagden sub 1 tot en met 4] heeft echter deze toelichting op geen enkele wijze onderbouwd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de in overweging 4.16 besproken e-mail geen betrekking heeft op (één van) de vier films. Bovenal heeft [gedaagde sub 4] ter zitting desgevraagd geen overtuigende verklaring kunnen geven voor het feit dat hij (voor Werkland) in factuur 5 heeft vermeld dat alle kosten van de films zijn inbegrepen, terwijl hij voor dezelfde films ook nog factuur 6 heeft verstuurd. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat [gedaagden sub 1 tot en met 4] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat Werkland voor facturen 5 en 6 geen prestaties heeft verricht en deze facturen dus vals zijn.


4.23.

In de conclusie van antwoord wijst [gedaagden sub 1 tot en met 4] erop dat de Gemeente Rotterdam c.s. aan haar vorderingen, zoals vermeld onder 1 tot en met 3 onder overweging 3.1, geen wanprestatie ten grondslag heeft gelegd. [gedaagden sub 1 tot en met 4] is op grond hiervan kortgezegd de opvatting toegedaan dat hoge eisen moeten worden gesteld aan de stelplicht ter zake van het standpunt dat sprake is van een onrechtmatige daad. De rechtbank deelt die opvatting niet. Bovendien volgt uit hetgeen hiervoor ten aanzien van de facturen 3 tot en met 6 is overwogen dat de Gemeente Rotterdam c.s. in zoverre aan haar stelplicht heeft voldaan.


4.24.

Op grond van het voorgaande neemt de rechtbank als vaststaand aan dat Werkland ten aanzien van de facturen 3 tot en met 6 op grond van een onrechtmatige daad jegens Gemeente Rotterdam c.s. aansprakelijk is voor de door haar geleden schade.


Aansprakelijkheid [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3]


4.25.

De Gemeente Rotterdam c.s. stelt zich ten aanzien van de facturen 3 tot en met 6 op het standpunt dat ook [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] jegens haar aansprakelijk zijn voor de door haar geleden schade.


4.26.

De rechtbank overweegt als volgt.


4.27.

Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen.


Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval (zie de arresten van de Hoge Raad van 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen) en van 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470)


4.28.

Naar het oordeel van de rechtbank kan ten aanzien van de facturen 3 tot en met 6 [gedaagde sub 4] persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Daartoe is het volgende, mede in onderlinge samenhang bezien, redengevend. [gedaagde sub 4] is enig bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde sub 3] , die op haar beurt enig bestuurder en aandeelhouder is van Werkland. Het is uitsluitend [gedaagde sub 4] die namens Werkland feitelijk de werkzaamheden zou hebben verricht. Het is voorts [gedaagde sub 4] die heeft bewerkstelligd dat de facturen 3 tot en met 6 van Werkland zijn opgesteld en verstuurd voor werkzaamheden waarvan hij wist dat die niet of nauwelijks zijn verricht. [gedaagde sub 4] heeft Werkland feitelijk als vehikel gebruikt om op oneigenlijke gronden subsidiegelden te kunnen incasseren. Daarmee is het persoonlijk verwijtbaar handelen van [gedaagde sub 4] gegeven.


4.29.

Voorts is de rechtbank niet gebleken dat (tevens) [gedaagde sub 3] ten aanzien van de facturen 3 tot en met 6 “persoonlijk” een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Weliswaar is zij de directe bestuurder van Werkland, echter gesteld noch gebleken is dat [gedaagde sub 3] daadwerkelijk betrokken is geweest bij het opstellen en verzenden van de facturen, dan wel het incasseren van subsidiegelden.


Eigen schuld


4.30.

Het betoog van [gedaagden sub 1 tot en met 4] dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van de Gemeente Rotterdam c.s. faalt. [gedaagden sub 1 tot en met 4] kan de Gemeente Rotterdam c.s. niet tegenwerpen dat zij niet meteen bij de goedkeuring van de facturen 3 tot en met 6 heeft doorzien dat zij werd misleid en die facturen na accordering door [gedaagde sub 5] in goed vertrouwen heeft betaald.


4.31.

Gelet op het voorgaande dienen Werkland en [gedaagde sub 4] hoofdelijk door de Gemeente Rotterdam c.s. geleden schade, bestaande uit de door haar ten onrechte uitbetaalde bedragen, te vergoeden. De navolgende vorderingen zijn daarom toewijsbaar:

  • - hoofdelijke veroordeling tot betaling van € 74.256,--, gebaseerd op factuur 3;
  • - hoofdelijke veroordeling tot betaling van € 74.256,--, gebaseerd op factuur 4;
  • - hoofdelijke veroordeling tot betaling van € 136.575,--, gebaseerd op factuur 5;
  • - hoofdelijke veroordeling tot betaling van € 47.600,--, gebaseerd op factuur 6.

Rente


4.32.

Tussen partijen is niet in geschil dat de toe te wijzen bedragen moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip waarop de schade is geleden. De rechtbank zal zo beslissen in het eindvonnis.


Vorderingen tot verstrekken bescheiden


4.33.

De Gemeente Rotterdam c.s. heeft in haar dagvaarding laten weten dat haar vorderingen tot het verstrekken van de bescheiden voorwaardelijk zijn, in die zin dat op die vorderingen niet hoeft te worden beslist, indien de vorderingen, zoals vermeld onder punt 1 tot en met 3 onder overweging 3.1, worden toegewezen.


4.34.

De rechtbank zal vooralsnog niet op de vorderingen tot het verstrekken van de bescheiden beslissen, nu die vorderingen, zoals hiervoor onder overweging 4.41 geschetst voorwaardelijk zijn en vooralsnog geen van de vorderingen, zoals vermeld onder punt 1 tot en met 3 onder overweging 3.1, is afgewezen.


Buitengerechtelijke incassokosten


4.35.

De beslissing hierover wordt aangehouden.



5De beslissing

De rechtbank


5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 19 december 2018 voor het nemen van een akte door [gedaagden sub 1 tot en met 4] over hetgeen is vermeld onder 4.13 en 4.16, waarna de wederpartij op de rol van 6 weken daarna een antwoordakte kan nemen,


5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.



Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.B. van Daalen, mr. M.E. Bartels en mr. S.D.M. Michael en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2018.