Rechtbank Overijssel, 05-01-2015 / AWB 14/3056


ECLI:NL:RBOVE:2015:1

Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel schorst de vergunning voor een bomenkap in Olst. De voorzieningenrechter concludeert dat de vergunning niet berust op een deugdelijke motivering. Op grond hiervan ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de vergunning te schorsen tot zes weken na de beslissing van B&W Olst-Wijhe op het bezwaar van de omwonende verzoekers.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-01-05
Publicatiedatum
2015-01-05
Zaaknummer
AWB 14/3056
Procedure
Voorlopige voorziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JNA 2015/1
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 14/3056


uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen


[verzoeker 1],

[verzoeker 2],

[verzoeker 3],

[verzoeker 4],

[verzoeker 5],

[verzoeker 6],

[verzoeker 7],

[verzoeker 8],

[verzoeker 9],

[verzoeker 10] ,

allen wonend te Olst, verzoekers,


en


het college van burgemeester en wethouders van Olst - Wijhe, verweerder,

gemachtigde: P. Terhorst.


Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde partij], wonend te Olst.



Procesverloop


Bij besluit van 13 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder derde-partij een omgevingsvergunning (verder: vergunning) verleend voor de activiteit vellen van een houtopstand op zijn adres [adres 1] te Olst. Dit besluit is op 3 december 2014 gepubliceerd in de IJsselberichten. Verzoekers hebben tegen de vergunning op 3 december 2014 bezwaar gemaakt.


Gelijktijdig hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Als gevolg hiervan is de werking van de vergunning geschorst.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2014. Verzoekers zijn in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Derde-partij is niet verschenen.



Overwegingen


1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.


2. De te kappen bomen zijn onderdeel van een bomenrij die grenst aan de achtertuinen van de bewoners op de oneven nummers van de [adres 2]. De bomenrij is in 2010 tijdens de ontwikkeling van het uitwerkingssplan IJsselstreek in overleg met de projectontwikkelaar [naam] en de kopers van de percelen aan de [adres 1] gehandhaafd. Verzoekers hebben naar aanleiding daarvan afgezien van een procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Verweerder heeft deze bomenrij in genoemd plan niet als zodanig afzonderlijk bestemd, maar begrepen onder de bestemming Tuinen.


Op 13 augustus 2014 heeft derde-partij verweerder verzocht hem een omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteit het kappen (hierna: de vergunning) van de voornoemde bomen op het perceel [adres 1] te Olst. Op dit perceel bevinden zich 11 bomen, waarvan derde-partij drie op het voorerf en 4 op het zijerf wenst te verwijderen. Het betreft twee Essen en vijf Esdoorns met een stamdoorsnede op 130cm hoogte boven het maaiveld van circa 25cm. De overige vier bomen zijn geen onderwerp van de aangevraagde vergunning. Als reden voor de activiteit heeft derde-partij opgegeven dat de te verwijderen bomen overlast veroorzaken doordat zij te dicht op zijn woning staan.


Verweerder heeft op de aanvraag de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing verklaard.


Op 3 september 2014 hebben verzoekers, althans een deel van hen, met anderen een zienswijze bij verweerder ingediend. Op 20 oktober 2014 heeft één van de bewoners van de [adres 2] verweerder verzocht hem tijdig op de hoogte te brengen van de verlening van de vergunning, teneinde een voorlopige voorziening te kunnen aanvragen. Voorts is verweerder er op gewezen dat de bomenrij door vele vleermuizen wordt gebruikt en dat op grond van de Flora- en Faunawet (FFw) voor de kap daarvan vooraf een Verklaring van geen bedenkingen (Vvgb) vereist is.


Verweerder is op 16 september 2014 geadviseerd de vergunning te verlenen. In diens vergadering van 7 oktober 2014 heeft verweerder dat advies opgevolgd. Op 13 november 2014 heeft verweerder vervolgens de vergunning aan derde-partij bekendgemaakt. In de vergunning is het voorschrift opgenomen, dat derde-partij rekening dient te houden met de FFw – kort samengevat – in die zin dat de op grond daarvan beschermde dieren en planten niet mogen worden verstoord respectievelijk vernield. De vergunning is op 3 december 2014 gepubliceerd in de IJsselberichten.


Verzoekers hebben de voorzieningenrechter bij hun verzoekschrift van 3 december 2014, onder verwijzing naar de gronden van hun gelijktijdig bij verweerder ingediende bezwaarschrift, verzocht de vergunning te schorsen tot op hun bezwaar is beslist.


3. Verzoekers stellen in hun verzoekschrift vooraleerst, dat verweerder in de procedure tot het verlenen van de vergunning procedurefouten heeft gemaakt en derhalve op onzorgvuldige wijze daartoe heeft besloten, als gevolg waarvan de vergunning in bezwaar niet in stand zal kunnen blijven. Verzoekers voeren in dit verband aan, dat verweerder hen – ondanks hun herhaaldelijk verzoek daartoe – niet tijdig heeft geïnformeerd over het verlenen van de vergunning, de publicatie niet op juiste wijze heeft plaats gevonden en dat hun zienswijze niet in de besluitvorming is betrokken.


Dit betoog slaagt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet.


Vast staat immers dat verzoekers tijdig bij verweerder bezwaar hebben kunnen maken tegen de vergunning. Voorts staat ook vast dat verzoekers, ondanks dat zij daartoe door verweerder niet expliciet in de gelegenheid zijn gesteld, zelfstandig bij verweerder hun zienswijze kenbaar hebben gemaakt. Los van de vraag of verweerder daarin nalatig heeft gehandeld, moet derhalve worden geoordeeld dat verzoekers in hun processuele belangen niet zijn geschaad. De voorzieningenrechter ziet hierin dan ook geen grond om de vergunning te schorsen.


4. Ingevolge artikel 4:11, eerste lid van de Algemene Plaatselijke Verordening Olst-Wijhe (APV) (zoals deze vanaf 1 januari 2014 geldt) is het verboden om zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstanden te vellen of te doen vellen. Ingevolge het derde lid van dit artikel kan de vergunning in elk geval worden geweigerd op grond van:

de natuurwaarde van de houtopstand;

de landschappelijke waarde van de houtopstand;

de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

e beeldbepalende waarde van de houtopstand;

de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.


Verzoekers stellen – kort samengevat – dat verweerder de vergunning onjuist en ontoereikend heeft gemotiveerd dat geen van de voornoemde weigeringsgronden op de activiteit van toepassing is, omdat:

  • - ad a: in 2010 bij het handhaven van de bomenrij in een quickscan reeds is vastgesteld, dat deze door diverse vleermuissoorten wordt gebruikt als foerageergebied, en dat deze bomenrij als laanstructuur en door het vellen van houtopstand elders in de gemeente Olst-Wijhe voor de vleermuizen noodzakelijk is om voedsel te kunnen vinden;
  • - ad b, c en d: de bomenrij de wijk waarin zij wonen groen en aantrekkelijk maakt en de leefbaarheid daarvan ten goede komt;
  • - ad f: geen sprake is van een situatie waarin de leefbaarheid van de bomenrij geen waarde meer heeft. Het argument dat de bomen te dicht op de gevel van de woning van derde-partij staan en dat de bomen daardoor niet meer volledig kunnen uitgroeien achten verzoekers onjuist.

De vergunning zou volgens hen voorts in strijd zijn met de voorschriften als gesteld in de FFw en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).


Verweerder heeft de vergunning geheel doen steunen op het advies van 16 september 2014. Op basis daarvan heeft verweerder overwogen dat de bomen niet een beeldbepalende waarde vertegenwoordigen en daarom mogen worden gekapt.


Met verzoekers oordeelt de voorzieningenrechter – de gedingstukken en het verhandelde ter zitting mede in acht genomen – dat de vergunning onvoldoende is gemotiveerd. Uit het advies blijkt niet welke criteria verweerder aan zijn conclusies ten grondslag heeft gelegd noch of daartoe onderzoek is verricht noch of de andere weigeringsgronden in de weg staan aan het kappen van de bomen. Meer concreet moet worden geoordeeld, dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt op grond waarvan verweerder in afwijking van de eerder verrichte quickscan, waarvan het bestaan en de conclusies niet worden betwist, thans tot de conclusie heeft kunnen komen dat de bomen niet meer van belang zouden zijn voor de habitat van vleermuizen noch dat daardoor de natuurwaarde van de houtopstand anders dan voorheen niet meer aan het verlenen van een vergunning in de weg zou staan. Verder wordt in het advies niet duidelijk gemaakt op grond waarvan onvoldoende ruimte beschikbaar zou zijn om de bomen te laten groeien tot volwassen exemplaren noch waarom als gevolg daarvan en in welke mate de waarde voor de leefbaarheid van de bomen wordt aangetast. De vraag of landschappelijke waarde, de waarde voor stads- en dorpsschoon of cultuurhistorische aspecten aan het verlenen van de vergunning in de weg staan heeft verweerder zich verder in het geheel niet gesteld.


Voorts volgt uit de verleende vergunning dat verweerder niet heeft getoetst aan de voorschriften van de FFw, omdat verweerder – als ter zitting aangegeven – zich daartoe niet bevoegd acht. Niettemin meent verweerder derde-partij uit hoofde van de FFw wel een voorschrift op te kunnen leggen. Uit het voorschrift blijkt niet aan welke verplichtingen derde-partij zich als gevolg daarvan concreet dient te houden noch welke sanctie hij moet vrezen als hij zich niet aan het voorschrift houdt.


De voorzieningenrechter concludeert dan ook, dat de vergunning niet berust op een deugdelijke motivering en naar verwachting als zodanig in bezwaar hierom niet in stand zal blijven. Op grond hiervan ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de vergunning te schorsen tot zes weken na verweerders beslissing op het bezwaar van verzoekers.


5. Verzoekers voeren voorts nog aan dat verweerder de vergunningaanvraag niet onbevooroordeeld heeft behandeld. De voorzieningenrechter heeft vooralsnog voor dat oordeel geen aanknopingspunten gevonden.


6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de vergunning wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.


Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.


De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op:

- reis- en verblijfkosten van de ter zitting aanwezige verzoekers,

te weten 2 x € 12,60 = € 25,20;

- verletkosten van een van de ter zitting aanwezige verzoekers € 43,08.


De overige door verzoekers genoemde kosten, te weten kosten voor kinderopvang, komen niet voor vergoeding in aanmerking.



Beslissing


De voorzieningenrechter:

  • - schorst de vergunning tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
  • - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,00 aan verzoekers te vergoeden;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 68,28.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.K. Witteveen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2015.



griffier voorzieningenrechter


Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.