Rechtbank Overijssel, 28-01-2015 / C/08/121589 / HA ZA 11-531


ECLI:NL:RBOVE:2015:1012

Inhoudsindicatie
Verdeling nalatenschap. Geen boedelbeschrijving. De omvan en de waarde van de boedel zijn nog steeds onduidelijk. De rechtbank kan niet tot verdeling van de erfenissen overgaan, zolang zij de samenstelling daarvan niet kent. Partijen twisten nog steeds over de omvang en de waarde van (bestanddelen van) de nalatenschap, hoewel zij inmiddels sinds het uitbrengen van de dagvaarding meer dan 3,5 jaar de gelegenheid hebben gehad om een boedelbeschrijving op te (laten) maken en in het geding te brengen. De rechtbank wijst partijen er uitdrukkelijk op dat deze proceshouding aanleiding kan geven tot een afwijzende beslissing van de rechtbank op alle ingestelde vorderingen. Het beginsel dat niemand kan worden genoodzaakt om in een onverdeelde boedel te blijven, brengt immers niet mee dat de rechter onder alle omstandigheden verplicht is tot het gelasten of vaststellen van (de wijze van) de verdeling. Het staat de rechter vrij dat verzoek af te wijzen, als partijen nalaten de rechter voldoende gegevens te verschaffen om het verzoek te kunnen beoordelen. Het opmaken van een boedelbeschrijving is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de erven. De rechtbank zal partijen tezamen een laatste gelegenheid geven om bij akte na tussenvonnis alsnog met een behoorlijk onderbouwde boedelbeschrijving te komen.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-01-28
Publicatiedatum
2015-02-25
Zaaknummer
C/08/121589 / HA ZA 11-531
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ERF-Updates.nl 2015-0134
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer / rolnummer: C/08/121589 / HA ZA 11-531

datum vonnis: 28 januari 2015


Vonnis in de zaak van:


[A] ,

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

verder te noemen [A],

advocaat mr. M.C. Leenhouts te Zoetermeer,


tegen


1 [B],

wonende te [woonplaats]

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

verder te noemen [B],

advocaat mr. U. Ugur te Hengelo,

2. [C],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

verder te noemen [C],

advocaat mr. C. Boussidi te Zwolle,

3. [D],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

verder te noemen [D],

zonder advocaat,

4. [E],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

verder te noemen [E],

advocaat mr. U. Ugur te Hengelo.


1Het procesverloop

1.1.

In deze zaak is op 22 augustus 2012 en 26 september 2012 een tussenvonnis gewezen, waarbij partijen werden veroordeeld om met elkaar over te gaan tot de verdeling van de nalatenschappen van hun ouders. De rechtbank benoemde notaris mr. J. Hofsteenge, notaris te Enschede, tot de notaris, voor wie de werkzaamheden van die verdeling en de afwikkeling daarvan zouden dienen plaats te hebben, een en ander ingevolge de artikelen 677 e.v. Rv..


1.2.

Op 7 november 2014 heeft de notaris bericht het dossier zullen te sluiten op grond, dat hij geen mogelijkheden meer zag om zijn werkzaamheden met succes af te ronden, en omdat geen van de partijen nog bereid was een voorschotnota te betalen. De notaris heeft geen boedelbeschrijving opgemaakt.


1.3.

Na de tussenvonnissen zijn de volgende stukken aan het dossier toegevoegd:

- een akte aan de zijde van [C] d.d. 29 mei 2013 met een tweetal producties;

- een antwoordakte aan de zijde van [A] d.d. 26 juni 2013 met daaraan gehecht één productie;

- een antwoordakte aan de zijde van [B] en [E] d.d. 7 augustus 2013 met daarbij één productie;

- een akte uitlating productie aan de zijde van [A] d.d. 21 augustus 2013;

- een akte uitlating productie aan de zijde van [C] d.d. 21 augustus 2013;

- een akte tevens inhoudende een wijziging van eis aan de zijde van [A] d.d. 18 juni 2014 met een tweetal producties;

- een antwoordakte aan de zijde van [B] en [E] d.d. 16 juli 2014 met een tweetal producties;

- een antwoordakte aan de zijde van [C] d.d. 16 juli 2014;

- een akte uitlating productie tevens inhoudende wijziging van eis in conventie aan de zijde van [A] d.d. 30 juli 2014 met daarbij een tweetal producties;

- een antwoordakte aan de zijde van [C] d.d. 20 augustus 2014;

- een antwoordakte tevens inhoudende wijziging van eis in reconventie aan de zijde van [B] en [E] d.d. 10 september 2014;

- een antwoordakte aan de zijde van [A] d.d. 8 oktober 2014 met één productie;

- een antwoordakte aan de zijde van [C] d.d. 8 oktober 2014;

- een akte uitlating productie aan de zijde van [C] d.d. 5 november 2014.

- een akte uitlating productie aan de zijde van [B] en [E] d.d. 19 november 2014.


1.4.

De rechtbank heeft verdere verzoeken tot het indienen van akten afgewezen. De datum voor de uitspraak is, na aanhouding, vastgesteld op vandaag.



2De vorderingen

in conventie en reconventie

2.1.

De rechtbank verwijst voor de vaststaande feiten en de standpunten van partijen naar het tussenvonnis van 22 augustus 2012. Kort samengevat komt de zaak op het volgende neer. De vader van partijen is [2005] in [plaats 1] overleden. [2006] is, ook in [plaats 1], de moeder van partijen overleden. Beide ouders hebben geen testament achtergelaten. Partijen hebben beide nalatenschappen zuiver aanvaard. Tot de nalatenschap behoort onder meer een woning in [plaats 1] aan de [adres] (hierna: de woning).


2.2.

In conventie vordert [A] – na eiswijziging – dat de woning aan hem wordt toebedeeld tegen een waarde van € 56.000,-. Daarnaast vordert [A] dat [B] wordt veroordeeld tot het overleggen van bankafschriften en het afleggen van rekening en verantwoording met betrekking tot een drietal tot de nalatenschap behorende bankrekeningen, op straffe van een dwangsom. Tot slot vordert [A] dat de saldi van deze drie bankrekeningen gelijkelijk over partijen wordt verdeeld. Dit alles onder veroordeling van [B] in de proceskosten.


2.3.

In reconventie vorderen [B] en [E] – na eiswijziging – dat de waarde van de woning in verhuurde staat wordt vastgesteld op € 56.000,- en dat deze woning aan [B] dan wel [E] wordt toebedeeld, althans de verdeling van de nalatenschap. Daarbij vorderen [B] en [E] dat [A], [C] en [D] worden veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan de toebedeling van de woning, op straffe van een dwangsom. Indien de woning aan [A] wordt toebedeeld, vorderen [B] en [E] dat er een meerwaardeclausule geldt inhoudende dat indien [A] binnen 10 jaar overgaat tot verkoop van de woning, hij de woning eerst dient aan te bieden aan partijen en – indien de woning aan een derde wordt verkocht – de meerwaarde tussen partijen moet worden verdeeld. Tot slot vorderen [B] en [E] dat [A] in de proceskosten wordt veroordeeld.


3De verdere beoordeling


3.1.

Hoewel in conventie aanvankelijk de verdeling van de gehele nalatenschap werd gevorderd, heeft [A] zijn eis gewijzigd in die zin dat hij nu enkel de verdeling van de woning en van een drietal bankrekeningen behorende tot de nalatenschap vordert. Op grond van artikel 3:179 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan, in het geval verdeling van een gemeenschappelijk goed wordt gevorderd, ieder der deelgenoten de verdeling van de gehele gemeenschap verlangen. Omdat [B] en [E] in reconventie de verdeling van de gehele nalatenschap hebben gevorderd, dient de rechtbank de verdeling van de gehele nalatenschap te beoordelen.


3.2.

Alleen als daarvoor gewichtige redenen aanwezig zijn kan de rechtbank zich beperken tot de woning en de bankrekeningen, ook al zouden deze goederen niet de volledige nalatenschap vormen. Zulke gewichtige redenen zijn echter niet gesteld.

3.3.

Tussen partijen bestaat geen discussie over ieders aandeel in de nalatenschap. Omdat zowel de vader als de moeder bij het overlijden geen testament hebben achtergelaten zijn de regels van de wettelijke verdeling op beide nalatenschappen van toepassing. Dat betekent dat ingevolge artikel 4:13 lid 2 BW moeder de goederen uit de nalatenschap van vader verkreeg bij het overlijden van vader. Partijen verkregen ieder een niet-opeisbare vordering op moeder (4:13 lid 3 BW). Bij het overlijden van moeder hebben partijen – nu zij allen de nalatenschap van moeder hebben aanvaard - ieder voor gelijke delen geërfd (4:10 BW juncto 4:11 BW). Zij delen nu ieder voor gelijke delen in de nalatenschappen van beide ouders.


3.4.

In geschil zijn de samenstelling van de te verdelen boedel en de waarde van de verschillende bestanddelen daarvan, en de vraag aan wie de woning moet worden toebedeeld. In het tussenvonnis van 22 augustus 2012 heeft de rechtbank de zaak ex. artikel 677 van het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aangehouden om te bezien of een notaris partijen met betrekking tot de verdeling van de nalatenschap kon verenigen. Aan de notaris is tevens opgedragen een boedelbeschrijving op te maken.


3.5.

De notaris heeft vervolgens ruim 2 jaar lang geprobeerd om partijen tot elkaar te brengen. In een bericht van 7 november 2014 heeft de notaris laten weten het dossier te sluiten omdat hij geen mogelijkheden meer zag om zijn werkzaamheden met succes af te ronden en omdat geen van de partijen nog bereid was een voorschotnota te betalen. De notaris heeft geen boedelbeschrijving opgemaakt. Wel is de woning inmiddels getaxeerd op € 74.000,- in onverhuurde, en op € 56.000,- in verhuurde staat.


3.6.

De omvang en de waarde van de boedel zijn nog steeds onduidelijk. De rechtbank kan niet tot verdeling van de erfenissen overgaan, zolang zij de samenstelling daarvan niet kent. Partijen twisten nog steeds over de omvang en de waarde van (bestanddelen van) de nalatenschap, hoewel zij inmiddels sinds het uitbrengen van de dagvaarding meer dan 3,5 jaar de gelegenheid hebben gehad om een boedelbeschrijving op te (laten) maken en in het geding te brengen.


3.7.

De rechtbank wijst partijen er uitdrukkelijk op dat deze proceshouding aanleiding kan geven tot een afwijzende beslissing van de rechtbank op alle ingestelde vorderingen. Het beginsel dat niemand kan worden genoodzaakt om in een onverdeelde boedel te blijven, brengt immers niet mee dat de rechter onder alle omstandigheden verplicht is tot het gelasten of vaststellen van (de wijze van) de verdeling. Het staat de rechter vrij dat verzoek af te wijzen, als partijen nalaten de rechter voldoende gegevens te verschaffen om het verzoek te kunnen beoordelen (zie rechtsoverweging 3.3.2. van de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2036).


3.8.

Het opmaken van een boedelbeschrijving is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de erven. De rechtbank zal partijen tezamen een laatste gelegenheid geven om bij akte na tussenvonnis alsnog met een behoorlijk onderbouwde boedelbeschrijving te komen. Daarbij kan worden volstaan met een beschrijving van de activa en passiva.


3.9.

Indien aan één of meer bestanddelen van de boedel een waardebepaling of taxatie wordt toegekend, dient deze zoveel mogelijk te worden onderbouwd. De rechtbank verlangt een opgave van de aanwezige bankrekeningen, met de bankrekeningnummers en de tenaamstelling daarvan, evenals de actuele saldi op die bankrekeningen en de saldomutaties sedert het overlijden van moeder op 7 oktober 2006. Deze opgave dient vergezeld te gaan door overlegging van de bijbehorende bankafschriften.


3.10.

Indien één of meer partijen nalatig blijven om deze informatie te verstrekken, kan de rechtbank daaraan de voor hen nadelige gevolgen verbinden die zij geraden en gepast acht. In dat geval kan de rechtbank iedere in dit geding ingestelde vordering afwijzen op grond, dat deze onvoldoende is of zijn onderbouwd.

3.11.

Gelet op de nog te verrichten werkzaamheden zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de rolzitting van 6 mei 2015 voor een akte na tussenvonnis zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.8. Een uitstel zal op 6 mei 2015 als hoofdregel niet meer worden verleend.


3.12.

De rechtbank wijst partijen er nog op dat zij, indien partijen niet onderling tot overeenstemming komen aan wie de woning zal worden toebedeeld, de verkoop van de woning kan bevelen om verdeling van de opbrengst tussen partijen mogelijk te maken.


4De beslissing

In conventie en reconventie

De rechtbank:


I. verwijst de procedure naar de rolzitting van woensdag 6 mei 2015 voor het nemen van de akte door partijen gezamenlijk, zoals hiervoor bedoeld en bepaald in rechtsoverwegingen 3.8. tot en met 3.11.;


II. houdt verder iedere beslissing aan.



Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Hangelbroek en op woensdag 28 januari 2015 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.