Rechtbank Overijssel, 04-03-2015 / 3655214 EJ VERZ. 14-287


ECLI:NL:RBOVE:2015:1194

Inhoudsindicatie
Verzoek OR ex art. 36 WOR. Niet ontvankelijk. Geen te vervullen taak als bedoeld in art. 22 WOR.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-03-04
Publicatiedatum
2015-03-11
Zaaknummer
3655214 EJ VERZ. 14-287
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/401
  • AR 2015/956
  • JIN 2015/76 met annotatie van A. Briejer
  • AR-Updates.nl 2015-0239
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Almelo


Zaaknummer : 3655214 EJ VERZ. 14-287


Beschikking van de kantonrechter d.d. 4 maart 2015 in de zaak van:
De Ondernemingsraad Plukon Goor,

gevestigd te Goor,

verzoeker,

hierna te noemen: de ondernemingsraad,

gemachtigde: mr. drs. S.J.A. Jansen, advocaat te Tilburg,


tegen


de besloten vennootschap Plukon Goor BV,

gevestigd te Goor,

verweerster,

hierna te noemen: Plukon Goor of de ondernemer,

gemachtigde: mr. E. van Otterloo, advocaat te Nijmegen.


Het procesverloop


Op 5 december 2014 is ter griffie van dit gerecht binnengekomen een verzoekschrift van de zijde van de OR ex artikel 36 van de Wet op de ondernemingsraden (hierna te noemen WOR).


De ondernemer heeft een verweerschrift ingediend, voorzien van producties.


Op 23 januari 2015 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden.

Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van een pleitnota.


De beschikking is nader bepaald op vandaag.


De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing:


1. De ondernemingsraad heeft de ondernemer tweemaal in kennis gesteld van te maken kosten als bedoeld in art. 22 lid 2 WOR. De eerste kostenmelding d.d. 28 oktober 2014 ziet op advieskosten van een deskundige (De Voort Advocaten/ Mediators) in verband met het onderwerp “de overgang van pensioenrechten in het verleden, hiermee samenhangende veranderingen in de arbeidsvoorwaarde pensioen en de rol van de ondernemingsraad hierin”. De tweede kostenmelding ziet op het inschakelen van de deskundige ten behoeve van het voeren van de onderhavige procedure. De ondernemer heeft tegen beide kostenmeldingen bezwaar gemaakt, op 29 oktober 2014 resp. 13 november 2014.



2. De ondernemingsraad heeft ex art. 36 WOR verzocht:

a. te bepalen voor recht dat de reeds gemaakte en nog te maken kosten door De Voort Advocaten/ Mediators, binnen het gemelde maximum in de eerste kostenmelding d.d. 28 oktober 2014, ten laste komen van de ondernemer;

b. te bepalen voor recht dat de reeds gemaakte en nog te maken kosten door De Voort Advocaten/ Mediators, binnen het gemelde maximum in de tweede kostenmelding d.d. 12 november 2014, ten laste komen van de ondernemer;

c. de ondernemer op te dragen declaraties van De Voort Advocaten/ Mediators welke door de ondernemingsraad worden ingediend op basis van de eerste kostenmelding binnen 14 dagen na ontvangst te betalen, te verhogen met de wettelijke rente voor elke dag dat betaling na genoemde termijn achterwege blijft, op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 500,00 per dag, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag dat de ondernemer niet voldoet aan dit gebod;

d. de ondernemer op te dragen declaraties van De Voort Advocaten/ Mediators welke door de ondernemingsraad worden ingediend op basis van de tweede kostenmelding binnen 14 dagen na ontvangst te betalen, te verhogen met de wettelijke rente voor elke dag dat betaling na genoemde termijn achterwege blijft, op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 500,00 per dag, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag dat de ondernemer niet voldoet aan dit gebod.


3. Het volgende is hiertoe aangevoerd, kort samengevat. Plukon Goor is onderdeel van de Plukon Food Group BV. Dit concern handelt in pluimvee, wild en gevogelte en exploiteert pluimveeslachterijen en koelhuizen. De focus van de vestiging in Goor ligt op het exploiteren van een pluimveeslachterij, alsmede de bewerking en verwerking van pluimveevlees. De werknemers van Plukon Goor hebben de afgelopen 10 tot 15 jaar veel wijzigingen meegemaakt in hun pensioenregeling. Er zijn maar liefst vier verschillende regelingen geweest op het gebied van vervroegd uittreden en prepensioen (VPL) bij zeker drie verschillende uitvoerders. In dezelfde periode zijn er voor het ouderdomspensioen (OP) eveneens diverse uitvoerders geweest en is de van toepassing zijnde regeling een aantal keren ingrijpend gewijzigd. Dit is mede het gevolg geweest van een aantal overnames. Voor de ondernemingsraad is het hele proces rondom de pensioenen en de uitkomst daarvan, onduidelijk. Het is de raad niet duidelijk waarom bepaalde wijzigingen zijn doorgevoerd, waarom het contract met pensioenfonds Campagne is opgezegd, waarom er sprake zou zijn van een nog af te lossen schuld aan pensioenfonds Campagne, waarom er meerkosten bestaan bij het bedrijfstakpensioenfonds VLEP voor het uitvoeren van de VPL en welke nadelige gevolgen hier, mogelijk ten onrechte, voor de werknemers aan verbonden zitten. Eveneens is de rol van de ondernemingsraad zelf onduidelijk. De ondernemingsraad heeft De Voort Advocaten/ Mediators ingeschakeld voor advies en bijstand. Zij heeft de kosten daarvan gemeld d.d. 28 oktober 2014. Na het bezwaar hiertegen van de ondernemer d.d. 29 oktober 2014 heeft de ondernemingsraad op 12 november 2014 een nieuwe kostenmelding gedaan voor het inschakelen van een deskundige ten behoeve van het voeren van de onderhavige procedure. De ondernemingsraad stelt zich op het standpunt dat beide posten ingevolge artikel 22 van de WOR ten laste van de ondernemer behoren te komen.


4. De ondernemer heeft geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van de ondernemingsraad. Zij heeft het volgende aangevoerd, kort samengevat. Het verzoek voldoet niet aan het bepaalde in artikel 22 van de WOR omdat het geen betrekking heeft op een taak van de ondernemingsraad. De ondernemingsraad wil zich laten adviseren en de belangen van haar werknemers behartigen in pensioenaangelegenheden die in het verleden hebben gespeeld. Het betreft geen inschakeling van een deskundige als bedoeld in art. 16 van de WOR, van een voorgenomen besluit ten aanzien van pensioenaangelegenheden is geen sprake. Pensioenaangelegenheden behoren bovendien tot het takenpakket van de GOR, niet van de lokale ondernemingsraden. Via de GOR en de door de GOR op kosten van Plukon Goor ingeschakelde deskundigen is de ondernemingsraad steeds geïnformeerd en geraadpleegd over pensioenaangelegenheden. Bovendien geldt voor wat betreft de VPL kwestie artikel 27 lid van de WOR: de VPL wordt bij cao geregeld. Plukon Goor heeft ook belang bij afwijzing van de verzoeken; als Plukon Goor moet toestaan dat de onderhavige lokale ondernemingsraad zelfstandig een deskundige kan inschakelen over pensioenaangelegenheden dan heeft dat niet alleen dubbele en onnodige kosten tot gevolg maar zullen ook de overige ondernemingsraden eenzelfde verzoek indienen. Dat zou leiden tot een verwarrende toestand terwijl de medezeggenschap thans helder is geregeld. Het tweede verzoek ten aanzien van de proceskosten moet worden afgewezen omdat het verzoek klaarblijkelijk van elke grond ontbloot is. De ondernemingsraad en de ingeschakelde advocaten weten dat, althans behoren dat te weten. In elk geval zijn de kosten niet redelijk, aldus Plukon Goor.


5. De kantonrechter overweegt het volgende. Art. 36 lid 3 WOR bepaalt dat een verzoek aan de kantonrechter op grond van deze wet niet ontvankelijk is indien de verzoeker niet vooraf schriftelijk de bemiddeling van de bedrijfscommissie heeft gevraagd. Dit artikel is van openbare orde; de rechter dient ambtshalve te onderzoeken of bemiddeling van de bedrijfscommissie is gevraagd. In het onderhavige geval is gesteld noch gebleken dat partijen eerst bij de bedrijfscommissie zijn geweest voor bemiddeling als bedoeld in art. 36 WOR.

De kantonrechter zal de ondernemingsraad daarom niet ontvankelijk verklaren.


6. Ten overvloede wordt overwogen dat het verzoek ook afgewezen zou zijn indien de ondernemingsraad wel ontvankelijk zou zijn. De kantonrechter zou in dat geval het volgende hebben geoordeeld. Gelet op art. 22 lid 1 van de WOR komen de kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de ondernemingsraad ten laste van de ondernemer. Het begrip kosten omvat tevens de kosten van het overeenkomstig artikel 16 WOR raadplegen van een deskundige door de ondernemingsraad. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat daarbij in aanmerking dienen te worden genomen het belang en de aard van het onderwerp waarvoor de deskundige wordt uitgenodigd, de hoogte van de kosten en de financiële draagkracht van de ondernemer.


7. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de ondernemingsraad in het onderhavige geval geen te vervullen taak als bedoeld in art. 22 WOR. Plukon Goor heeft onweersproken gesteld dat er op OR noch GOR niveau een voorgenomen besluit ter zake van pensioenaangelegenheden ligt en (ook) dat staat toewijzing van het verzoek in de weg. Artikel 16 WOR bepaalt dat deskundigen kunnen worden uitgenodigd tot het bijwonen van de vergadering of tot het uitbrengen van een schriftelijk advies, met het oog op de behandeling van een bepaald onderwerp. Art. 16 WOR biedt dus geen basis voor het inschakelen van deskundigen voor advisering over onderwerpen die niet ter vergadering worden behandeld, zoals in casu aangaande pensioenaangelegenheden in het verleden, nog daargelaten de stelling van Plukon Goor dat pensioenaangelegenheden tot het takenpakket van de GOR behoren, dat zij te dier zake in het verleden ook overleg heeft gehad met de GOR en de destijds genomen besluiten al onherroepelijk zijn. Indien er wel een voorgenomen besluit ten aanzien van pensioenaangelegenheden zou zijn maar deze op de agenda van de GOR zou staan is voorstelbaar dat de ondernemingsraad zich afvraagt of zij ter zake nog een rol heeft, en zich in dat kader van deskundige bijstand wil laten voorzien, maar die situatie is niet aan de orde. Het verzoek zou (ook) daarom zijn afgewezen. Afwijzing van het verzoek neemt overigens niet weg dat de ondernemingsraad in de processtukken van Plukon Goor al enkele antwoorden op de door haar gestelde vragen heeft kunnen vinden.


8. Ten aanzien van de tweede kostenmelding zou de kantonrechter van oordeel zijn dat het voor de vervulling van de taken van de ondernemingsraad redelijkerwijs noodzakelijk was om de kosten van rechtsbijstand te maken. De eerste, door Plukon Goor afgewezen, kostenmelding en het daaruit voortvloeiende verzoek was niet van elke grond ontbloot en de onderhavige procedure was de enige mogelijkheid voor de ondernemingsraad om te laten toetsen of zij in het onderhavige geval recht had op deskundige bijstand.


Beschikt:


Verklaart de ondernemingsraad niet ontvankelijk in zijn verzoek.






Aldus gegeven te Almelo en op 4 maart 2015 in het openbaar uitgesproken door

mr. J.H. Olthof, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.