Rechtbank Overijssel, 11-03-2015 / Awb 14/1142


ECLI:NL:RBOVE:2015:1235

Inhoudsindicatie
Toekenning schadevergoeding op basis van artikel 8:89, lid 2 van de Awb aan houder van (sier)vogels na eerder opgelegde dwangsom.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-03-11
Publicatiedatum
2015-03-11
Zaaknummer
Awb 14/1142
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 14/1142


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser 1]en [eiser 2] te Slagharen, eisers,

gemachtigde: ing. N.C.F. Eijsvogel,


en


het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg,

verweerder.


Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[belanghebbende 1] en [belanghebbende 2], te Slagharen.



Procesverloop


Bij besluit van 25 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser onder oplegging van een dwangsom gelast met onmiddellijke ingang er voor te zorgen dat er geen sprake meer is van het hinderlijk houden van dieren op het perceel [adres]te Slagharen en er voor te zorgen dat deze situatie ook niet weer ontstaat. Voor iedere week of gedeelte van een week, dat geconstateerd wordt, dat eiser nog steeds op een hinderlijke manier dieren houdt, verbeurt eiser een dwangsom van € 100,00. Het maximaal te verbeuren bedrag is daarbij vastgesteld op €2.500,00.


Bij besluit van 31 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers gegrond verklaard en de opgelegde last onder dwangsom ingetrokken.


Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2014.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L. Brondijk.

Van de derde partij is [belanghebbende 2] verschenen, vergezeld door haar zoon [naam].


Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank, met instemming van alle partijen de zaak verwezen naar het Bureau Mediation van de rechtbank. Op 9 september 2014 is de zaak retour gekomen.


De behandeling van het beroep is voortgezet ter zitting van 12 februari 2015. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L. Brondijk. Van de derde-partij is [belanghebbende 2] verschenen.



Overwegingen


1. De derde partij heeft op 6 augustus 2012 bij verweerder een klacht ingediend over geluidsoverlast ten gevolge van het houden van (sier)vogels door eisers.

Bij brief van 25 september 2012 heeft verweerder eisers meegedeeld dat, na controle en een geluidsmeting, gebleken is dat sprake is van een overtreding van artikel 2.4.14 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) – het houden van hinderlijke of schadelijke dieren – en dat eisers maatregelen moeten treffen om de geluidsoverlast ten gevolge van het houden van (sier)vogels te voorkomen. Hierbij is aangegeven dat eisers zouden kunnen overwegen de papegaaien binnen te gaan houden, maar dat andere opties wellicht ook kunnen leiden tot het gewenste resultaat. Mochten er onvoldoende maatregelen getroffen kunnen worden en blijven de klachten voortbestaan, dan zal het houden van de papegaaien misschien moeten worden gestaakt.

Op 17 oktober 2012 heeft een hercontrole plaatsgevonden waarbij door de toezichthouder is geconstateerd dat de geluidsoverlast nog steeds voortduurt.

Naar aanleiding hiervan zijn eisers bij brief van 1 november 2012 aangeschreven om vóór 1 december 2012 de geluidsoverlast van de vogels te beëindigen, door bijvoorbeeld de kooien van buiten naar binnen te verplaatsen. Eisers hebben hier aan voldaan.


In maart 2013 heeft de derde partij wederom aangegeven dat zij hinder en overlast ondervinden van de (sier)vogels van eisers. Eisers is bij brief van 11 april 2013 meegedeeld dat verweerder geadviseerd zal worden handhavend op te treden. Eisers hebben hiertegen een zienswijze ingediend, waarna verweerder het besluit van 25 juli 2013 heeft afgegeven.

In dit besluit heeft verweerder aangegeven dat eisers aan het hinderlijk houden van vogels een eind kunnen maken door de papegaaien en andere, voor de omgeving hinderlijke, (sier)vogels permanent de toegang tot de buitenvolière te ontzeggen, met andere woorden, deze vogels mogen uitsluitend nog in een binnenverblijf worden gehouden. Een andere optie is dat eisers deze vogels definitief wegdoen. Ook andere opties die een einde maken aan de overtreding kunnen worden toegepast. Dit moet wel duidelijk aantoonbaar zijn en moet door een toezichthouder kunnen worden vastgesteld.


Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij brief van 5 september 2013 heeft verweerder eiser bericht dat na controle is gebleken dat eisers hebben voldaan aan de last onder dwangsom en dat deze hiermee is uitgewerkt. Eisers hebben tegen deze brief bezwaar gemaakt.


Bij brief van 11 oktober 2013 heeft verweerder eisers meegedeeld dat in de brief van 5 september 2013 in plaats van de zinsnede “uitgewerkt” beter de term “ingetrokken” genoemd had kunnen worden, want dat was de strekking van de brief van 5 september 2013.

Ook tegen deze brief hebben eisers bezwaar gemaakt.


2. Op 9 januari 2014 heeft een hoorzitting plaatsgevonden voor de Commissie Bezwaarschriften (hierna: de commissie). De commissie heeft op 4 maart 2014 advies uitgebracht. In dit advies heeft de commissie aangegeven dat verweerder in de last onder dwangsom niet duidelijk heeft aangegeven om welke aantallen, per soort aangeduid, vogels het gaat. Verder is onduidelijk welke vogels qua geluid hinderlijk zijn. Evenmin is duidelijk waaruit de gestelde hinder bestaat, nu de geluidsmeting van 5 september 2012 niet uitgewezen heeft dat tegen het achtergrondniveau van het geluid sprake is van een forse geluidstijging. De opgelegde last onder dwangsom is daarmee onvoldoende specifiek. De commissie heeft op grond hiervan geadviseerd het door eisers ingediende bezwaar gegrond te verklaren en dat de last onder dwangsom, zoals die luidt in het besluit van 25 juli 2013, dient te worden ingetrokken.


Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, met overneming van het advies van de commissie, de bezwaarschriften van eisers gegrond verklaard, hetgeen betekent dat de op

25 juli 2013 opgelegde last onder dwangsom is ingetrokken.


3. Eisers hebben in hun beroepschrift gesteld dat zij weliswaar in het gelijk zijn gesteld maar dat het voor hen nog altijd niet helder en duidelijk is of zij hiermee zonder problemen en bezwaren van de gemeente hun tijdelijk verwijderde volières weer terug kunnen plaatsen. Ook is niet duidelijk hoeveel en welke vogelsoorten zonder problemen gehouden kunnen worden. Eisers hebben de nodige kosten moeten maken en willen vergoeding van alle schade en overige door hen reeds gemaakte kosten, die de genomen besluiten en de indirecte gevolgen hiervan materieel en immaterieel met zich meebrengen en ook al hebben gebracht. Ter onderbouwing hiervan hebben eisers een overzicht van de geclaimde kosten overgelegd.


Verweerder stelt zich op het standpunt dat de last onder dwangsom is uitgewerkt/introkken omdat eisers aan de lastgeving hadden voldaan. Op grond hiervan is verweerder van mening dat er geen sprake is van procesbelang.


De derde partij heeft aangegeven dat zij de krijsende geluiden van de papegaaien/vogels van eisers als een last ervaren, nu de kooien recht achter hun woning zijn gelegen. Toen de last onder dwangsom was opgeheven waren de vogels gelijk weer buiten.


4. De rechtbank overweegt als volgt.


Eisers hebben, ondanks het feit dat hun bezwaar gegrond is verklaard, beroep ingesteld omdat zij duidelijkheid willen hebben voor de toekomst. Eisers willen weten in hoeverre zij de volières weer terug kunnen plaatsen en hoeveel en welke soorten vogels zij mogen houden.


De rechtbank kan eisers deze duidelijkheid echter niet geven. De rechtbank kan slechts het door eisers in beroep bestreden besluit toetsen.


Bij het bestreden besluit heeft het verweerder het besluit van 25 juli 2013 ingetrokken.

Blijkens het verweerschrift ligt hier aan ten grondslag dat de last onder dwangsom was uitgewerkt omdat eisers aan de lastgeving hadden voldaan.


De rechtbank stelt vast dat verweerder blijkens het bestreden besluit het advies van de commissie overgenomen heeft. Uit dit advies blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de commissie van mening is dat de bij besluit van 25 juli 2013 opgelegde last onder dwangsom niet opgelegd had mogen worden omdat de last onvoldoende specifiek en onvoldoende duidelijk was. De commissie heeft naar het oordeel van de rechtbank bedoeld te adviseren om het besluit van 25 juli 2013 te herroepen, met andere woorden: er had (nog) geen last onder dwangsom opgelegd kunnen worden voordat voldoende onderzoek had plaatsgevonden. Nu verweerder het advies van de commissie heeft overgenomen had het besluit van 25 juli 2013 herroepen moeten worden, en niet ingetrokken moeten worden omdat aan de last was voldaan. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat bedoeld besluit in rechte niet meer bestaat. Het beroep tegen het bestreden besluit is dan ook ongegrond.


5. Eisers stellen dat zij als gevolg van het herroepen besluit van 25 juli 2013 schade hebben geleden. Zij verzoeken om vergoeding van die schade op voet van Titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


De rechtbank stelt vast dat eisers als gevolg van de aan hen opgelegde last onder dwangsom vogels hebben verkocht en vogelverblijven hebben afgebroken. Nu de last onder dwangsom is herroepen heeft verweerder de onrechtmatigheid van de besluit erkend en hebben eisers recht op vergoeding van de als gevolg van dit besluit geleden schade. Er is dan ook sprake van een causaal verband tussen het besluit van 25 juli 2013 en de door hen gestelde, geleden schade.


6. Eisers hebben desgevraagd bij brief van 19 augustus 2014 de door hen gestelde geleden schade gespecificeerd en begroot op € 10.695,00. Verweerder heeft bij brief van

25 september 2014 de vordering afgewezen zonder in te gaan op de specificatie van de schade


Gelet op het bepaalde in artikel 8:89, tweede lid, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd een oordeel te geven over het verzoek om schadevergoeding, nu de gevorderde vergoeding lager dan € 25.000,00 is.


De rechtbank merkt allereerst op dat schadeposten, die betrekking hebben op afbraak of iets dergelijks voor de datum van de lastgeving, 25 juli 2013, niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu deze kosten gemaakt zijn voordat de last onder dwangsom is opgelegd.


In de brief van verweerder van 5 september 2013, waarin is aangegeven dat de last onder dwangsom is uitgewerkt, heeft verweerder eveneens vermeld dat geconstateerd is dat eiseres een nachthok, gevestigd in een tuinhuisje, hebben verwijderd en in het andere nachthok nog een paartje papegaaien gehouden wordt.


Gelet op de inhoud van deze brief acht de rechtbank het aannemelijk dat eisers tussen de lastgeving van 25 juli 2013 en de brief van 5 september 2013 drie paar grijze roodstaart papegaaien en 12 parkieten (rubino rosella’s en lutino’s) hebben weggedaan.

Eisers hebben - onweersproken door verweerder - gesteld dat zij de koppels papegaaien verkocht hebben voor € 900,00 per koppel, terwijl een koppel normaal € 1.750,00 kost.

De parkieten zijn - eveneens onweersproken door verweerder - verkocht voor € 37,50 per stuk, terwijl ze normaal € 60,00 per stuk kosten.

De rechtbank merkt het verschil tussen de normale verkoopprijs en de gerealiseerde verkoopprijs aan als geleden schade als gevolg van het besluit van 25 juli 2013. Deze schade wordt begroot op 3 x € 850,00 + 12 x € 22,50 = € 2.820,00.


Ten aanzien van het afgebroken tuinhuisje, dat als nachthok in gebruik was, hebben eisers aangevoerd dat een gelijkwaardig tuinhuisje € 1.450,00 kost. De rechtbank merkt op dat het afgebroken tuinhuisje, gelet op de overgelegde foto’s uit 1992, inmiddels ruim twintig jaar op dezelfde plek heeft gestaan en derhalve afgeschreven was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het afgebroken tuinhuisje, behoudens de afbraak- en afvoerkosten, niet voor vergoeding in aanmerking komt. Vast staat dat het tuinhuisje afgebroken en afgevoerd is en dat daarvoor kosten gemaakt zijn. Eisers hebben hiervan echter geen nota’s overgelegd, zodat deze kosten door de rechtbank geschat worden op € 100,00.


De opgevoerde kosten voor de juridisch adviseur zijn niet aan te merken als geleden schade. Deze kosten vallen onder de proceskostenveroordeling.


De overige opgevoerde kosten hebben naar het oordeel van de rechtbank geen oorzakelijk verband met het besluit van 25 juli 2013.


Gelet op bovenstaande wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de door eisers geleden schade, welke begroot is op totaal € 2.920,00.


De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten, begroot op

€ 735,00 (1 punt voor de zitting van 23 juli 2014 + 0,5 punt voor de zitting van 12 februari 2015 x wegingsfactor 1 x € 490,00 per punt). De rechtbank merkt hierbij op dat voor zover de door eisers opgevoerde juridisch kosten betrekking hebben op de bezwaarprocedure, daarin niet is gevraagd om vergoeding van proceskosten, als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb. Evenmin is gebleken dat de gemachtigde van eisers het beroepschrift en de nadere reacties geschreven heeft.






























Beslissing


De rechtbank


  • - verklaart het beroep ongegrond;
  • - wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
  • - veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eisers geleden schade, begroot op € 2.920,00;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 735,00;
  • - gelast dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 165,00 vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van Y. van der Zaan-van Arnhem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op













griffier rechter














Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.