Rechtbank Overijssel, 16-03-2015 / ak_14_3025


ECLI:NL:RBOVE:2015:1328

Inhoudsindicatie
Beroep tegen verleende omgevingsvergunning voor vervangen telecominstallatie aan de watertoren te Raalte, ongegrond verklaard.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-03-16
Publicatiedatum
2015-03-17
Zaaknummer
ak_14_3025
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 14/3025


uitspraak van de enkelvoudige kamer in het geschil tussen

[eiser]

wonende te Raalte, eiser,


en


het college van burgemeester en wethouders van Raalte,

verweerder,


en


Vodafone Libertel B.V.

gevestigd te Maastricht, belanghebbende,

gemachtigde: mr. M.C. Steeman.



Procesverloop


Bij besluit van 15 juli 2014 heeft verweerder aan belanghebbende een omgevingsvergunning verleend voor het vervangen van de telecominstallatie aan de watertoren op het perceel aan de Korenstraat 25 in Raalte.


Bij besluit van 20 oktober 2014 heeft verweerder het hiertegen door eiser ingediende bezwaar ongegrond verklaard.


Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweer gevoerd.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2015. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P.B.M. Droste en B.J. Bolink.

Namens belanghebbende is haar gemachtigde verschenen.



Overwegingen


1. Op 14 april 2014 heeft belanghebbende een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vervangen van de telecominstallatie aan de watertoren aan de Korenstraat 25 in Raalte.

Deze telecominstallatie bestaat uit apparatuur in de watertoren die is verbonden met antennes die aan de buitenzijde van de watertoren zijn bevestigd. De watertoren is een beschermd gemeentelijk monument. Het aangevraagde bouwplan voorziet in een vervanging van zowel de apparatuur als de antennes. De bestaande antennes hebben een lengte van 2,8 en 1,3 meter en zullen worden vervangen door antennes met een lengte van 2,6 en 1,4 meter.


2. Verweerder heeft ten behoeve van deze activiteit aan belanghebbende een omgevings-vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, en artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder dit besluit gehandhaafd. Aan dit besluit heeft verweerder het advies van de commissie bezwaarschriften van de gemeente Raalte van 15 oktober 2014 ten grondslag gelegd.


3. Eiser heeft, kort samengevat, in beroep aangevoerd dat de gevoerde procedure onjuist

en onzorgvuldig is geweest en dat verweerder voorafgaand aan de vergunningverlening onvoldoende kennis heeft vergaard over antennes en de schadelijke gevolgen van elektromagnetische velden. Verweerder is volgens eiser uitgegaan van achterhaalde informatie. Daarnaast heeft verweerder niet onderkend dat de vergunningaanvraag op enkele punten onduidelijk, onvolledig en onjuist was en dat informatie over de te plaatsen antennes is achtergehouden. Zo is volgens eiser pas tijdens de hoorzitting bij de bezwaarcommissie door belanghebbende aangegeven dat er 4G-antennes geplaatst gaan worden. Ook is volgens eiser sprake van vooringenomenheid en belangenverstrengeling. Hij is verder van mening

dat de watertoren van een voor Raalte belangrijk bouwwerk verandert in een antennemast, die voor omwonenden inmiddels een zeer bedreigend object is geworden vanwege de schade die elektromagnetische velden aan de gezondheid kunnen toebrengen. Het Oversticht had

dit in haar advisering moeten meenemen. Daarnaast stoort het eiser dat er geen onderhoud meer aan de watertoren en de omliggende gronden wordt verricht. Hij is verder van mening dat verweerder document 12608 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa

bij de beoordeling van de aanvraag had moeten betrekken. Uit dit document blijkt namelijk dat er voldoende bewijs is dat elektromagnetische velden schadelijke effecten hebben op flora, fauna en het menselijk lichaam. Uit verschillende wetsartikelen en internationale bepalingen volgt dat verweerder dit document bij de besluitvorming had moeten betrekken en de vergunning op grond van dit document had moeten weigeren. Verder had verweerder het voorzorgsbeginsel, zoals opgenomen in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), het Verdrag van Rio de Janeiro en artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, moeten toepassen. Op grond van dit beginsel had verweerder belanghebbende moeten opdragen om aan te tonen dat zijn product niet schadelijk is voor de gezondheid. De gezondheidsrisico’s dienen volgens eiser nu zwaarder te wegen dan het belang van belanghebbende bij het plaatsen van zwaardere antennes. In het aanvullend beroepschrift heeft eiser onder verwijzing naar artikel 94 van de Grondwet nog aangevoerd dat de vergunning had moeten worden geweigerd, omdat het plaatsen van de antennes in strijd is met enkele bepalingen

uit het EVRM, de Universele verklaring van de rechten van de mens en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).


4. Verweerder heeft zich in verweer op het standpunt gesteld dat op grond van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) in het onderhavige geval voor het plaatsen van de antennes geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo is vereist. Ter zitting heeft verweerder dit standpunt ingetrokken. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit artikel 4a, eerste lid, onder b, van bijlage II van het Bor

volgt dat in het onderhavige geval voor het plaatsen van de antennes tevens een omgevings-vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo is vereist.

5.1.

Uit het eerste lid, onder a en b, van artikel 2.10 van de Wabo volgt dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a,

de vergunning moet worden geweigerd indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden naar het oordeel van verweerder niet aannemelijk maken dat het bouwen van het bouwwerk voldoet aan het Bouwbesluit 2012 of de Bouwverordening. Artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, bepaalt dat deze vergunning dient te worden geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk in strijd is met de redelijke eisen van welstand.


5.2.

Artikel 13 van de Erfgoedverordening gemeente Raalte (hierna: de Erfgoedverordening) bepaalt dat een vergunning voor het wijzigen van een gemeentelijk monument slechts kan worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.


6.1.

Verweerder heeft zich in het onderhavige geschil op het standpunt gesteld dat de telecominstallatie niet in strijd is met het bestemmingsplan ‘Raalte Kern’ en voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Tevens heeft verweerder in dit besluit geconcludeerd dat de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 en de Bouwverordening van de gemeente Raalte.


6.2.

Ten aanzien van de vergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van monumentale waarden. Aan dit standpunt en de conclusie

dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand heeft verweerder de (positieve) adviezen van Het Oversticht van 28 april 2014 en 16 juni 2014 ten grondslag gelegd.


7. Eiser heeft niet bestreden, en de rechtbank stelt vast, dat de te plaatsen telecominstallatie niet in strijd is met het voor het perceel Korenstraat 25 geldende bestemmingsplan. Er is bovendien een positief advies van de welstand- en monumentencommissie.

Voor zover eiser heeft betoogd dat het bouwplan niet voldoet aan het Bouwbesluit 2012

of de Bouwverordening van de gemeente Raalte, heeft hij dit niet aannemelijk gemaakt. Hieruit volgt dat verweerder, gelet op het toetsingskader uit het eerste lid van artikel 2.10

van de Wabo, in het onderhavige geval de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, aan belanghebbende diende te verlenen.


8. De rechtbank overweegt dat uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo volgt dat eventuele schadelijke gevolgen van de antennemasten voor de gezondheid van omwonenden geen rol kunnen spelen bij de boordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a. Gelet op artikel 94 van de Grondwet, zou dit anders zijn indien deze toepassing van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo niet verenigbaar zou zijn met een ieder verbindende bepalingen van verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake.

Document 12608 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa is geen ieder verbindende bepaling uit een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.


9. Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de verlening van de door belanghebbende gevraagde omgevingsvergunning in strijd is met één of meerdere bepalingen uit het EVRM of de Universele verklaring van de rechten van de mens. Ook volgt naar het oordeel van de rechtbank uit het door eiser ingeroepen voorzorgsbeginsel niet dat verweerder de omgevings-vergunning in het onderhavige geval had moeten weigeren. Dit beginsel wordt nader ingevuld en krijgt vorm in de bepalingen van het nationale recht dat in een concreet geval van toepassing is. In dit geval is dat artikel 2.10 van de Wabo, waar verweerder de aanvraag om omgevingsvergunning aan diende te toetsen. Uit dit artikel volgt dat eventuele schadelijke gevolgen van elektromagnetische velden voor de gezondheid van omwonenden niet een aspect is dat bij deze beoordeling een rol speelt. Nog afgezien van de waardering van hetgeen eiser op dit punt naar voren heeft gebracht, bestond er voor verweerder geen ruimte om dit aspect op grond van het voorzorgsbeginsel bij de beoordeling van de aanvraag te betrekken.


10. De verwijzing van eiser naar artikel 7 van het IVBPR, maakt het voorgaande niet anders. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in het onderhavige geval sprake is van een situatie als bedoeld in dat artikel.


11. Eisers verwijzing naar artikelen uit andere nationale wetten, waaronder artikel 2 van de Wet publieke gezondheid en artikel 120 van de Woningwet, maakt het voorgaande evenmin anders. Deze nationale wetten zijn van gelijke orde als de Wabo. De door eiser genoemde artikelen uit die nationale wetten kunnen daarom niet tot gevolg hebben dat verweerder in afwijking van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo document 12608 bij de beoordeling van de aanvraag van belanghebbende had moeten betrekken. Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de verlening van de bestreden omgevingsvergunning in strijd is met één van de artikelen uit de Grondwet. De rechtbank wijst er verder op dat artikel 120 van de Grondwet voorschrijft dat de rechter niet treedt in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten.

Hieruit volgt dat, voor zover eiser heeft betoogd dat artikel 2.10 van de Wabo in strijd is met één van de artikelen uit de Grondwet, de rechtbank zich niet over deze beroepsgrond mag uitlaten.


12. De Erfgoedverordening biedt ook geen ruimte om document 12608 bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo te betrekken. Gelet op het positieve advies van Het Oversticht, heeft verweerder deze vergunning terecht aan belanghebbende verleend. De subjectieve beleving van eiser dat de watertoren tot een bedreigend object is verworden, kan geen afbreuk doen aan de conclusie van Het Oversticht dat het bouwplan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de monumentale waarden van de watertoren.


13. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de door verweerder gevoerde procedure onjuist of onzorgvuldig is geweest. Op de voorbereiding van het besluit op de aanvraag van belanghebbende was de reguliere voorbereidingsprocedure uit paragraaf 3.2 van de Wabo van toepassing. Verweerder heeft de aanvraag om omgevingsvergunning gepubliceerd en eiser heeft in de bezwaarfase zijn standpunten, waaronder de standpunten die op dat moment reeds waren verwoord in zijn zienswijze van 12 mei 2014, naar

voren kunnen brengen. Dat bij verweerder of de bezwaarcommissie sprake was van

vooringenomenheid of belangenverstrengeling, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt.

De rechtbank volgt eiser voorts niet in zijn stelling dat de aanvraag om omgevings-vergunning onjuist of onduidelijk was en dat verweerder onvoldoende informatie had om

op de aanvraag te kunnen beslissen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bij aanvraag van belanghebbende gevoegde bouwtekeningen voldoende duidelijk om een besluit op te kunnen baseren. Daarnaast is het aan verweerder om te beoordelen welke gegevens en bescheiden nodig zijn voor het nemen van een besluit op een aanvraag om een omgevings-vergunning. Verweerder heeft de verstrekte gegevens en bescheiden toereikend geacht om

op de aanvraag te kunnen beslissen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel

dat verweerder niet in redelijkheid op de aanvraag heeft kunnen beslissen.


Verder blijkt uit het voorgaande dat verweerder op goede gronden de gevraagde omgevingsvergunning aan belanghebbende heeft verleend. Voor het oordeel dat verweerder het besluit van 15 juli 2014 of het besluit 20 oktober 2014 onvoldoende heeft gemotiveerd, bestaat geen aanleiding. Uit hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de door verweerder gevoerde procedure volgt niet dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.


14. Op grond van voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.


15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.J.H. Bijleveld, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
















griffier rechter





Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.