Rechtbank Overijssel, 17-03-2015 / Awb 14/2169


ECLI:NL:RBOVE:2015:1335

Inhoudsindicatie
Beroep tegen verleende omgevingsvergunning voor bouw van commerciële ruimte waarin Hema, Boni supermarkt en dierenspeciaalzaak worden gehuisvest te Heino, ongegrond verklaard.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-03-17
Publicatiedatum
2015-03-17
Zaaknummer
Awb 14/2169
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 14/2169



uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Harthold Vastgoed B.V., te Liederholthuis, eiser,

gemachtigde: mr. R. van Eck,


en


het college van burgemeester en wethouders van Raalte, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Bekooy.


Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen:

  • - Valk Bouwontwikkeling B.V., gevestigd te Daarle,
  • - Boni-Markten B.V. , gevestigd te Nijkerk,

gemachtigde: mr. S. Schaap.




Procesverloop


Bij besluit van 21 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder besloten aan Valk Bouwontwikkeling B.V. een omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteit “gebruik van het project in strijd met het bestemmingsplan”. De omgevingsvergunning ziet op de percelen Canadastraat 36, 38, 42, 42a, 42b, Paalweg 1 en het perceel met de bestemming “Verkeer-Verblijfsgebied” kadastraal bekend gemeente Heino, sectie C, nummer 4229 (hoek Canadastraat-Paalweg) te Heino (verder te noemen: de percelen hier in geding).


Eiser heeft tegen het bestreden besluit op 22 augustus 2014 beroep ingesteld. Verweerder heeft op 26 september 2014 – aangevuld op 27 januari 2015 – een verweerschrift ingediend. Derde-partijen hebben op 14 januari 2015 op het beroepschrift en het verweerschrift gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2015, alwaar zijn verschenen:

  • - eiser, vertegenwoordigd door J.J.G. Harthold, bijgestaan door zijn voornoemde gemachtigde;
  • - verweerder, vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde, bijgestaan door M.J.A. Dollenkamp, H.W.M. Schotman, P.B.M. Droste, K. Heidinga en M.A. Dijkhuis;
  • - derde-partijen, vertegenwoordigd door J. Valk, G.D. Valk (beiden voor Valk Bouwontwikkeling B.V.) en M. Arling (voor Boni-Markten B.V.), bijgestaan door hun voornoemde gemachtigde.


Overwegingen


1. Belanghebbende


Eiser is eigenaar van het pand Dorpsstraat 17-19 te Heino. Hij verhuurde dit pand ten tijde van het nemen van het bestreden besluit aan Boni-Markten B.V. voor de exploitatie van één van haar Boni supermarkten. Op de percelen hier in geding zullen te zijner tijd de Boni supermarkt, een Hema en een Discus worden gevestigd.


De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of eiser als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt.


Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.


Gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (vergelijk: ECLI:NL:RVS:2015:183) moet worden geoordeeld dat eisers belangen rechtstreeks bij het bestreden besluit zijn betrokken.


Het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning voorziet immers in de oprichting van een detailhandelsvestiging op percelen gelegen op een afstand van ongeveer 400m van eisers pand. Eiser is in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied gevestigd als derde-partijen. Niet uitgesloten is dat de onderhavige omgevingsvergunning de verhuurbaarheid van eisers pand nadelig zal beïnvloeden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat Boni-Markten B.V. de exploitatie van de supermarkt in het pand van eiser zal beëindigen en de exploitant wordt van de nieuw op de percelen hier in geding op te richten supermarkt. De enkele omstandigheid dat eisers pand tevens gebruikt kan worden voor andere doeleinden dan detailhandel laat onverlet dat de voorziene detailhandelsvestiging nadelige gevolgen kan hebben voor de verhuurbaarheid van dat pand.


Eiser dient dan ook te worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van de Awb. Zijn beroep is derhalve ontvankelijk.


De rechtbank neemt hierbij in overweging dat eisers procesbelang niet verder strekt dan de vraag in hoeverre zijn belangen in zijn hoedanigheid als vastgoedexploitant door het bestreden besluit worden getroffen. De persoonlijke financiële belangen van eisers vertegenwoordiger behoren daar niet toe.


2. Omvang van het geschil


In geschil is de vraag of het bestreden besluit in rechte in stand dient te worden gelaten.


Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Awb beantwoordt de rechtbank die vraag op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Ingevolge het tweede en derde lid van dit artikel vult de rechtbank de rechtsgronden respectievelijk de feiten ambtshalve aan.


De rechtbank dient daarbij, behoudens de verplichte ambtshalve toetsing van het in beroep bestreden besluit aan geschreven en ongeschreven rechtsregels en algemene rechtsbeginselen die geacht moeten worden van openbare orde te zijn, naar vaste jurisprudentie de door de indiener van het beroepschrift aangevoerde beroepsgronden tot uitgangspunt te nemen.


Het beroep richt zich gelet op het gestelde in het beroepschrift uitsluitend op het deel van het bestreden besluit waarbij verweerder omgevingsvergunning heeft verleend voor het op de percelen hier in geding afwijken van de geldende planvoorschriften inzake de bestemming “Wonen 2” voor commerciële ruimten. Het vergunnen van het in afwijking van die bestemming plaatsen van een geluidsscherm tussen de woning aan de Paalweg en het bouwproject, alsook van het in afwijking van de bestemming “Verkeer-Verblijfsgebied” plaatsen van een winkelwagenopvang op de parkeerplaats aan de Paalweg vallen derhalve buiten de omvang van het geschil.


Buiten de omvang van het geschil valt eveneens het beroep dat derde-partijen – in het kader van hun stelling dat verweerder niet gehouden was om een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijkend gebruik van de geldende bestemming – doen op het overgangsrecht van de vigerende planvoorschriften. Eiser heeft dit immers in zijn beroepschrift niet aangevoerd zodat dit standpunt niet geacht kan worden te behoren tot de grondslag van het beroep. Ook kan dit niet worden gekwalificeerd als een beroep op een ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel van openbare orde.


Niet in geschil is voorts dat het bouwplan afwijkt van de bestemming “Wonen 2”.


3. Feiten en omstandigheden


De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten en omstandigheden.


Op 16 januari 2014 heeft Valk Bouwontwikkeling B.V. bij verweerder een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Het bouwproject ziet op het bouwen van een commerciële ruimte op een aantal percelen aan de Canadastraat en de Paalweg te Heino, waarin de Hema (400m2 wvo), een Boni supermarkt (1000m2 wvo) en dierenspeciaalzaak Discus (150m2 wvo) zullen worden gehuisvest. De bestaande bebouwing wordt voor de realisatie van het onderhavige bouwproject gesloopt. Voorts wordt naast de reeds bestaande parkeervoorziening een nieuwe aangelegd, alsmede een winkelwagenopvang, een glasvezelstation en een Toeristen Opstap Punt (TOP), alle gelegen op het perceel aan de Paalweg dat in eigendom is van de R.K. Geloofsgemeenschap “Onze Lieve Vrouw Tenhemelopneming” te Heino (verder: de RK-kerk).


Op de percelen hier in geding rusten ingevolge het vigerende bestemmingsplan “Heino” de volgende enkelbestemmingen:

  • - Centrum (Canadastraat 36, 38, 42, 42a, 42b, kadastraal bekend: gemeente Heino, sectie C, nummers 2712, 3727, 4237, 4238 en 3728);
  • - Wonen 2 en Tuin (Paalweg 1, kadastraal bekend: gemeente Heino, sectie C, nummer 3509);
  • - Verkeer-Verblijfsgebied (hoek Paalweg-Canadastraat ong, kadastraal bekend: gemeente Heino, sectie C, nummer 4229).

Het bouwproject is deels met die bestemmingen in strijd. Op alle percelen rust voorts de dubbelbestemming Waarde – Archeologische verwachtingswaarde.


Op 4 februari 2014 heeft het bureau BJZ.nu in het kader van artikel 2.12 van de Wabo in opdracht van de gemeente Raalte de Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning “Heino, hoek Canadastraat-Paalweg” (verder te noemen: ruimtelijke onderbouwing) opgesteld.


Op 11 februari 2014 heeft verweerder besloten aan het bouwplan mee te werken en daarvoor een ontwerp-omgevingsvergunning af te geven. Verweerder heeft het ontwerpbesluit op 19 februari 2014 gepubliceerd in de lokale media. Eiser heeft daartegen op 10 maart 2014 een schriftelijke zienswijze ingediend.


Het gebruik van de percelen van de RK-kerk is op 30 juni 2014 notarieel vastgelegd.


Op 21 juli 2014 heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Het bestreden besluit is gepubliceerd:

  • - in het informatieblad van de gemeente Raalte op 23 juli 2014, gerectificeerd op 20 augustus 2014, en
  • - in de Staatscourant, nummer 21309, van 23 juli 2014.

4. Ruimtelijke onderbouwing


In zijn beroepschrift vordert eiser de vernietiging van het bestreden besluit, omdat dit – verkort weergegeven – primair niet zou berusten op een goede ruimtelijke onderbouwing.


Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.


Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. Ingevolge het tweede lid wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.


Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo kan, indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan: 3˚ indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.


De afwegingen die verweerder binnen dit wettelijk kader ten aanzien van de ruimtelijke onderbouwing heeft gemaakt kunnen door de rechtbank slechts beperkt worden getoetst.

De rechtbank stelt vast dat BJZ.nu in de ruimtelijke onderbouwing een breed beeld heeft geschetst van de ruimtelijke ontwikkelingen in verweerders gemeente. Daarnaast heeft zij inzicht gegeven in de ruimtelijke impact die die ontwikkelingen in zowel de bestaande als de toekomstige situatie in de directe omgeving van het bouwplan hebben op het winkelvoorzieningenniveau, de verkeer- en parkeerdruk en de problematiek van het laden en lossen. De rechtbank constateert verder dat BJZ.nu eveneens in kaart heeft gebracht welke uitgangspunten daarbij uit hoofde van het terzake geldende ruimtelijke rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid (waaronder de Structuurvisie Raalte 2025 en de Detailhandelsstructuurvisie Raalte van april 2009) dienen te gelden. Ook het rapport van 3 september 2013 van Droogh Trommelen en Partners (DTNP), dat in opdracht van Valk Bouwontwikkeling is opgesteld en waarin de voor- en nadelen van de effecten van het bouwplan op de directe omgeving in kaart zijn gebracht, is in de ruimtelijke onderbouwing betrokken.


Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat uit de ruimtelijke onderbouwing in voldoende mate blijkt welke implicaties het bouwplan op de bestaande detailhandelsruimte en daarmee samenhangende aspecten ter plaatse heeft en dat met alle elementen die daarvoor relevant zijn rekening is gehouden. De rechtbank ziet in hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het bestreden besluit, ten aanzien van de vraag of op de percelen hier in geding van de bestemming “Wonen 2” ten behoeve van het gebruik als commerciële ruimte kan worden afgeweken, niet op de onderhavige ruimtelijke onderbouwing heeft mogen baseren. Dat de noodzaak van de verplaatsing van de Boni supermarkt van eisers pand naar de percelen hier in geding niet zou zijn aangetoond laat de rechtbank daarbij in het midden. Aan de wens tot verplaatsing van de Boni supermarkt liggen immers economische motieven ten grondslag. De keuzes die in dat kader moeten worden gemaakt komen uitsluitend toe aan Boni-Markten B.V. en staan niet ter beoordeling van de rechtbank.


Voorts laat de rechtbank buiten beoordeling of de Boni supermarkt op de percelen hier in geding met het sluiten van de civielrechtelijke overeenkomst tussen Boni-Markten B.V. en de RK-kerk aldaar over voldoende parkeerruimte beschikt. De rechtbank is van oordeel dat de problematiek die daarmee samenhangt niet kan worden geacht te behoren tot de belangen die in het kader van de Wabo in het onderhavige geval ten aanzien van eiser dienen te worden beschermd. Dit geldt evenzeer voor eisers stelling dat de verkeerscapaciteit van de Paalweg ontoereikend is voor het laden en lossen van vrachtwagens, waarvoor verweerder inmiddels oplossingen heeft gevonden. Voorzover op grond van het vorenstaande al aanleiding zou hebben kunnen bestaan voor vernietiging van het bestreden besluit, staat artikel 8:69a van de Awb daaraan in de weg.


5. Motivering


Eiser meent dat het bestreden besluit voorts voor vernietiging in aanmerking komt, omdat dit anders dan voorgeschreven in artikel 3:46 van de Awb niet berust op een deugdelijke motivering.


Daartoe voert eiser aan, dat verweerder niet op alle door hem ingebrachte zienswijzen heeft gereageerd. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Op grond van de gedingstukken dient immers te worden geconcludeerd dat verweerder aan alle aspecten in eisers zienswijze aandacht heeft besteed. Dit betoog faalt derhalve.


6. Conclusie


De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3º, van de Wabo, een omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.


Het bestreden besluit dient derhalve in stand te worden gelaten. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Keuzenkamp, voorzitter, en mr. A.P.W. Esmeijer en mr. D. Hardonk-Prins, leden, in aanwezigheid van R.K. Witteveen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op









griffier voorzitter

















Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.