Rechtbank Overijssel, 20-03-2015 / 08/955595-13 en 08/955368-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:1405

Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel veroordeelt een bouwmaterialenfabrikant uit Goor tot een boete van 200.000 euro, waarvan 100.000 euro voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Het bedrijf is als werkgever ernstig te kort geschoten in haar verantwoordelijkheden op het gebied van het treffen van veiligheidsvoorzieningen voor haar werknemers. Dat heeft tot twee fatale ongelukken geleid bij twee dezelfde installaties, op 8 april 2013 en op 22 januari 2014. De rechtbank legt een aanmerkelijk hogere straf op dan geëist. Dat na het ongeval van het eerste slachtoffer, niet ook de andere platenzuiger afdoende werd beveiligd, waardoor ook het ongeval met het tweede slachtoffer kon gebeuren, valt het Goorse bedrijf te verwijten en is voor de rechtbank aanleiding een aanmerkelijk hogere straf op te leggen dan door de officier van justitie is voorgesteld. Met name acht de rechtbank het van belang dat in de op te leggen straf ook een waarschuwing voor de toekomst gelegen is. Het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen boete zal conform de eis van de officier van justitie zijn, maar de rechtbank zal eenzelfde bedrag voorwaardelijk opleggen, teneinde het bedrijf ook langs die weg te doordringen van het belang om noodzakelijk geachte veiligheidsmaatregelen niet alleen te signaleren, maar ook daadwerkelijk op de kortst mogelijke termijn te realiseren.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-03-20
Publicatiedatum
2015-03-20
Zaaknummer
08/955595-13 en 08/955368-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummers : 08/955595-13 en 08/955368-14

Datum vonnis : 20 maart 2015


Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor economische strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[bedrijf] B.V.,

gevestigd te Goor, [adres].


1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

6 maart 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.M.J. Krol en van hetgeen door de vertegenwoordiger van verdachte, algemeen directeur [naam], en de raadsman mr. J.S. Spijkerman, advocaat te Den Haag, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, wat betreft beide ten laste gelegde feiten, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte als werkgever, al dan niet opzettelijk, een aantal veiligheidsvoorschriften niet heeft nageleefd, waardoor een levensgevaarlijke situatie, dan wel ernstige schade aan de gezondheid voor werknemers kon ontstaan of te verwachten was.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


wat betreft parketnummer 08/955595-13, na wijziging van de tenlastelegging:


zij op of omstreeks 08 april 2013 te Goor, gemeente Hof van Twente, als werkgever, al dan niet opzettelijk handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop rustende bepalingen, aangezien zij toen aldaar in haar verdachtes onderneming, aan de [adres] te Goor, op een arbeidsplaats, te weten een ruimte waar golfplaaten worden vervaardigd, door een werknemer ([slachtoffer 1]) arbeid heeft laten verrichten aan een arbeidsmiddel, bestaande uit het inspecteren van de juiste maatvoering voor het vervaardigen van de golfplaten bij de platenzuiger op de tweede inblik van de machinelijn, genaamd G4, en/of het opheffen van een storing van de sensor op/bij/aan de platenzuiger op de tweede inblik van de machinelijn, genaamd G4, terwijl niet was voldaan aan de voorschriften gesteld in artikel 7.5 lid 2 en 3 Arbeidsomstandighedenbesluit en/of artikel 7.7 lid 1 en 4 Arbeidsomstandighedenbesluit;

immers werden voormelde inspectiewerkzaamheden en/of reparatiewerkzaamheden bij de platenzuiger op de tweede inblik van voornoemde machinelijn door die werknemer uitgevoerd, terwijl dat arbeidsmiddel niet was uitgeschakeld en/of drukloos of spanningsloos was gemaakt en - voor zover dit niet mogelijk was – geen doeltreffende maatregelen waren getroffen om die werkzaamheden alsnog veilig te kunnen uitvoeren en/of dat arbeidsmiddel (platenzuiger) niet (afdoende) voorzien van zodanige schermen en/of beveiligingsinrichting(en), dat dit gevaar zoveel mogelijk werd voorkomen en/of konden die schermen en/of beveiligingsinrichting(en) eenvoudig worden genegeerd en/of buiten werking worden gesteld, terwijl daardoor, naar verdachte wist of redelijkerwijs had moeten weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemer, ontstond of te verwachten was;

de rechtbank zal dit feit hierna vermelden als feit 1 .


en wat betreft parketnummer 08/955368-14:


zij op of omstreeks 22 januari 2014 te Goor, gemeente Hof van Twente, als werkgever, al dan niet opzettelijk handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop rustende bepalingen, aangezien zij toen aldaar, in haar verdachtes onderneming, aan de [adres] te Goor, op een arbeidsplaats, te weten een ruimte waar golfplaaten worden vervaardigd, door een werknemer [slachtoffer 2]) arbeid heeft laten verrichten aan een arbeidsmiddel, te weten preventief onderhoud bestaande uit het vervangen van het luchtdoorlatende doek aan de omgekeerde vacuümzuiger op het eerste inblik van de machinelijn, genaamd G4, terwijl niet was voldaan aan de voorschriften gesteld in artikel 7.5 lid 2 en 3 Arbeidsomstandighedenbesluit en/of artikel 7.7 lid 1Arbeidsomstandighedenbesluit;

immers werden voormelde preventieve onderhoudswerkzaamheden bij de omgekeerde

vacuümzuiger op de eerste inblik van voornoemde machinelijn door die werknemer

uitgevoerd, terwijl dat arbeidsmiddel niet was uitgeschakeld en/of drukloos of spanningsloos was gemaakt en - voor zover dit niet mogelijk was – geen doeltreffende maatregelen waren getroffen om die werkzaamheden alsnog veilig te kunnen uitvoeren en/of dat arbeidsmiddel (omgekeerde vacuümzuiger) niet (afdoende) voorzien van zodanige schermen en/of beveiligingsinrichting(en), dat dit gevaar zoveel mogelijk werd voorkomen, terwijl daardoor, naar verdachte wist of redelijkerwijs had moeten weten,

levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemer, ontstond

of te verwachten was;


de rechtbank zal dit feit hierna vermelden als feit 2 .


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van beide ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een geldboete van € 100.000,--.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze gevoegde zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling van het bewijs


5.1

De vaststaande feiten


Onderstaande feiten volgen rechtstreeks uit de bewijsmiddelen en hebben bij de behandeling van de zaak niet ter discussie gestaan. Het vaststellen van de feiten behoeft daarom geen andere motivering door de rechtbank dan een verwijzing naar de betreffende bewijsmiddelen, die in geval van hoger beroep als aanvulling aan dit vonnis zijn gehecht.


Op zowel 8 april 2013, als op 22 januari 2014, heeft er een ernstig bedrijfsongeval plaatsgevonden bij [bedrijf] B.V. (hierna ook “[bedrijf]” te noemen), gevestigd aan de [adres] te Goor. Bij het ongeval op 8 april 2013 is de werknemer [slachtoffer 1] om het leven gekomen en bij het ongeval op 22 januari 2014 de werknemer [slachtoffer 2].

Beide werknemers hebben ten tijde van het hen overkomen ongeval werkzaamheden verricht op een arbeidsplaats, te weten de ruimte waar golfplaten worden vervaardigd. Dit arbeidsmiddel, te weten de machinelijn genaamd G4, was op het moment waarop die werknemers zich bij die machinelijn bevonden, niet uitgeschakeld en/of drukloos of spanningloos gemaakt.


5.2.

Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, wat betreft beide feiten, [bedrijf] wist dat, door het niet afschermen van de beveiligde delen en door de hekken niet te voorzien van een eindschakelaar gekoppeld aan het noodcircuit, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van medewerker(s) was te verwachten. Bovendien heeft [bedrijf] nagelaten afdoende veiligheidsmaatregelen te treffen, ter waarborging van het druk- en spanningloos aan het arbeidsmiddel kunnen werken .


5.3.

Het standpunt van de verdediging


De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, wat betreft het ongeval op

8 april 2013, het niet anders lijkt te kunnen zijn gegaan dan dat, in strijd met de voorschriften, de machine door de werknemer niet tijdig was uitgeschakeld c.q. drukloos of spanningloos was gemaakt.

Wat betreft het ongeval op 22 januari 2014 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het niet anders lijkt te kunnen zijn geweest dan dat de werknemer, in strijd met de voorschriften, de machinelijn (opnieuw) betrad, terwijl de werknemer die de machine weer aanzette meende dat [slachtoffer 2] de machinelijn inmiddels had verlaten.

De verdediging is van oordeel dat niet blijkt, dat [bedrijf] de samenloop van menselijke factoren, zoals in de pleitnota is weergegeven, had voorzien c.q. had moeten voorzien.

[bedrijf] dient te worden vrijgesproken, van zowel het opzettelijk handelen, als de niet- opzettelijke variant, aangezien niet is gebleken dat [bedrijf] wist of redelijkerwijs had moeten weten dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemers ontstond of te verwachten was. Indien conform de voorschriften zou zijn gehandeld, hadden de ongevallen niet kunnen gebeuren. [bedrijf] brengt de geldende voorschriften door middel van voorlichting, cursussen en trainingen met enige regelmaat onder de aandacht van de werknemers.


5.4

De conclusie van de rechtbank


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


1. zij op 8 april 2013 te Goor, gemeente Hof van Twente, als werkgever, opzettelijk handelingen heeft nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop rustende bepalingen, aangezien zij toen aldaar in haar, verdachtes onderneming, aan de [adres] te Goor, op een arbeidsplaats, te weten een ruimte waar golfplaten worden vervaardigd, door een werknemer ([slachtoffer 1]) arbeid heeft laten verrichten aan een arbeidsmiddel, bestaande uit het inspecteren van de juiste maatvoering voor het vervaardigen van de golfplaten bij de platenzuiger op de tweede inblik van de machinelijn, genaamd G4, en/of het opheffen van een storing van de sensor op/bij/aan de platenzuiger op de tweede inblik van de machinelijn, genaamd G4, terwijl niet was voldaan aan de voorschriften gesteld in artikel 7.5 lid 2 en 3 Arbeidsomstandighedenbesluit en artikel 7.7 lid 1 en 4 Arbeidsomstandighedenbesluit,

immers werden voormelde inspectiewerkzaamheden en/of reparatiewerkzaamheden bij de platenzuiger op de tweede inblik van voornoemde machinelijn door die werknemer uitgevoerd, terwijl dat arbeidsmiddel niet was uitgeschakeld en drukloos of spanningloos was gemaakt en dat arbeidsmiddel (platenzuiger) niet afdoende was voorzien van zodanige schermen en beveiligingsinrichtingen, dat dit gevaar zoveel mogelijk werd voorkomen en konden die schermen en beveiligingsinrichtingen eenvoudig worden genegeerd en/of buiten werking worden gesteld, terwijl daardoor, naar verdachte wist of redelijkerwijs had moeten weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemer te verwachten was;

2. zij op 22 januari 2014 te Goor, gemeente Hof van Twente, als werkgever, opzettelijk handelingen heeft nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop rustende bepalingen, aangezien zij toen aldaar, in haar, verdachtes onderneming, aan de [adres] te Goor, op een arbeidsplaats, te weten een ruimte waar golfplaten worden vervaardigd, door een werknemer [slachtoffer 2]) arbeid heeft laten verrichten aan een arbeidsmiddel, te weten preventief onderhoud bestaande uit het vervangen van het luchtdoorlatende doek aan de omgekeerde vacuümzuiger op het eerste inblik van de machinelijn, genaamd G4, terwijl niet was voldaan aan de voorschriften gesteld in artikel 7.5 lid 2 en 3 Arbeidsomstandighedenbesluit en artikel 7.7 lid 1 Arbeidsomstandighedenbesluit,

immers werden voormelde preventieve onderhoudswerkzaamheden bij de omgekeerde vacuümzuiger op de eerste inblik van voornoemde machinelijn door die werknemer uitgevoerd, terwijl dat arbeidsmiddel niet was uitgeschakeld en drukloos of spanningloos was gemaakt en dat arbeidsmiddel (omgekeerde vacuümzuiger) niet afdoende was voorzien van zodanige schermen en beveiligingsinrichtingen, dat dit gevaar zoveel mogelijk werd voorkomen, terwijl daardoor, naar verdachte wist of redelijkerwijs had moeten weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemer te verwachten was.


In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing. De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank hecht er aan op te merken dat haar oordeel dat [bedrijf] zich heeft schuldig gemaakt aan opzettelijke nalatigheid, moet worden opgevat in de betekenis van het “willens en wetens aanvaarden van een niet te verwaarlozen kans” dat zich aan de bewuste machinelijn G4 een ongeval, met mogelijk ernstige gevolgen, zou kunnen voordoen. Al in 2009 immers zijn, in de door [bedrijf] opgestelde Risico-Inventarisatie- en Evaluatie (RI&E) de risico’s onderkend, waarbij met de hoogste risicofactor (1) werd aangegeven dat uiterlijk in 2010 maatregelen dienden te worden genomen. Die maatregelen zijn in beide gevallen achterwege gebleven, terwijl na de beide dramatische ongevallen, bleek dat afdoende maatregelen in betrekkelijk korte tijd konden worden gerealiseerd. Dat zich in de dertig jaar voorafgaande aan het eerste dodelijke ongeval geen ernstig ongeval heeft voorgedaan, verklaart wellicht dat [bedrijf] prioriteit gaf aan andere risicovolle arbeidssituaties in de onderneming, maar doet uit de aard van de zaak niets af aan de door haar zelf in 2009 geconstateerde risico’s die met de hoogste prioriteit dienden te worden aangepakt. Aldus heeft [bedrijf] willens en wetens, dat wil zeggen, terwijl zij zich bewust was van de aanwezige risico’s en gevaren, onvoldoende maatregelen getroffen om die risico’s tot aanvaardbare proporties terug te dringen. Het enkel voorlichten, instrueren en trainen van medewerkers is dan niet afdoende, hetgeen blijkt uit de beide uiterst betreurenswaardige ongevallen.


De rechtbank heeft de in de tenlasteleggingen voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in haar verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de Economische delicten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.


Het onder 1 en onder 2 bewezenverklaarde levert telkens op het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, terwijl het feit opzettelijk is begaan en is begaan door een rechtspersoon.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.


8De op te leggen straf of maatregel


8.1

De gronden voor een straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de overige omstandigheden van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank heeft daarbij nog het volgende overwogen.

Verdachte is als werkgever ernstig te kort geschoten in haar verantwoordelijkheden op het gebied van het treffen van veiligheidsvoorzieningen voor haar werknemers. Dat heeft tot twee fatale ongelukken geleid. Daardoor is onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van de slachtoffers.

Uit de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte ter terechtzitting blijkt dat de beide ongevallen, niet alleen bij de nabestaanden, maar ook bij de medewerkers en de bedrijfsleiding, diepe sporen hebben achtergelaten.

De gebeurtenissen tonen ook aan hoe belangrijk een veilige werkplek is en dat van een werkgever, die de bedrijfsmiddelen aan zijn werknemers ter beschikking stelt, mag worden verwacht dat hij al het mogelijke doet om ernstige ongevallen te voorkomen. [bedrijf] is daarin tot twee keer toe tekortgeschoten. Dat na het ongeval met de heer [slachtoffer 1], niet ook de andere platenzuiger afdoende werd beveiligd, waardoor ook het ongeval met de heer [slachtoffer 2] kon gebeuren, valt [bedrijf] te verwijten en is voor de rechtbank aanleiding een aanmerkelijk hogere straf op te leggen dan door de officier van justitie is voorgesteld. Met name acht de rechtbank het van belang dat in de op te leggen straf ook een waarschuwing voor de toekomst gelegen is.

Het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen boete zal conform de eis van de officier van justitie zijn, maar de rechtbank zal eenzelfde bedrag voorwaardelijk opleggen, teneinde verdachte ook langs die weg te doordringen van het belang om noodzakelijk geachte veiligheidsmaatregelen niet alleen te signaleren, maar ook daadwerkelijk op de kortst mogelijke termijn te realiseren.


9De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

10De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:wat betreft feit 1 en feit 2 telkens het misdrijf: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, terwijl het feit opzettelijk is begaan en is begaan door een rechtspersoon.

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en onder 2 bewezenverklaarde;


straf

  • - veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van tweehonderdduizend euro (€ 200.000,--), waarvan honderdduizend euro (€ 100.000,--)voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
  • - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en

mr. C.C.S. Koppes, rechters, in tegenwoordigheid van H.K.S. Feijer, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2015.

Mr. Heijink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.