Rechtbank Overijssel, 25-03-2015 / C-08-150970 - HA ZA 14-45


ECLI:NL:RBOVE:2015:1413

Inhoudsindicatie
Curator vordert besluiten betreffende agio en/of dividenduitkering van algemene vergadering van aandeelhouders van failliete B.V. te vernietigen, enig aandeelhouder van de failliete BV te veroordelen tot betaling aan de boedel van het door de curator gestelde aan de failliet onttrokken vermogen en een verklaring voor recht dat de bestuurders onbehoorlijk bestuur hebben gepleegd. De vorderingen van de curator worden afgewezen. Op het moment van het dividendbesluit konden de aandeelhouders niet weten dat het bedrijf zou failleren (in casu werd het faillissement veroorzaakt door het wegvallen van de enig opdrachtgever). Er was geen wetenschap van benadeling als bedoeld in artikel 42 Fw. Ook geen onrechtmatig handelen van aandeelhouders en bestuurders.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-03-25
Publicatiedatum
2015-07-03
Zaaknummer
C-08-150970 - HA ZA 14-45
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/1247
  • OR-Updates.nl 2015-0261
  • INS-Updates.nl 2015-0179
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Zwolle


zaaknummer / rolnummer: C/08/150970 / HA ZA 14-45


Vonnis van 25 maart 2015


in de zaak van


MR. LODEWIJK JOSEPHUS ALBERTUS DE VRIES

in hoedanigheid van curator in de besloten vennootschap

[bedrijf] ,

wonende te [plaats 1],

eiser,

advocaat mr. M.W.G. Versendaal,


tegen


1 [gedaagde 1],

wonende te [plaats 2],

2. [gedaagde 2],

wonende te [plaats 2],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 3] ,

gevestigd te [plaats 2],

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 4] ,

gevestigd te [plaats 2],

gedaagden,

advocaat mr. D. Warnink.



Partijen zullen hierna respectievelijk de curator, [gedaagden] (de gedaagden tezamen), [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] genoemd worden.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding
  • - de conclusie van antwoord
  • - de conclusie van repliek
  • - de conclusie van dupliek
  • - de akte uitlating productie, tevens akte overlegging producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

Bij vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 1 mei 2012 is het faillissement uitgesproken van de besloten vennootschap [bedrijf] (verder [bedrijf]), destijds gevestigd te Kampen. Mr. L.J.A. de Vries (de curator) is bij dit vonnis benoemd tot curator.


2.2.

[bedrijf] is een kleindochter van [gedaagde 3]. [gedaagde 4] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf]. De uiteindelijke aandelen worden gehouden door [gedaagde 1] en [gedaagde 2].


2.3.

De directie over [bedrijf] werd in de loop der jaren feitelijk gevoerd door [gedaagde 1].


2.4.

[bedrijf] dreef een onderneming in de keukenbranche. Zij hield zich voornamelijk bezig met het seriematig aanbrengen van nieuwe - relatief goedkope - keukens in nieuwbouwprojecten. Ook hield [bedrijf] zich bezig met het renoveren van keukens en verrichtte zij onderhoud en service. De vrijwel enige opdrachtgever van [bedrijf] was de besloten vennootschap Bribus B.V. gevestigd te Dinxperlo (verder: Bribus).

Het onroerend goed en de bedrijfsmiddelen, waaronder rollend materieel (voertuigen) en inventaris werden gehuurd van [gedaagde 4].


2.5.

In de jaren 2007 t/m 2010 bedroeg het resultaat voor vennootschapsbelasting van [bedrijf], afgerond, € 192.000,00 (2007), € 289.000 (2008), € 316.000,00 (2009),

€ 236.000,00 (2010). Over het jaar 2011 is een verlies geleden van circa € 270.000,00.


2.6.

Blijkens de notulen van de ava van [bedrijf], gehouden op 29 september 2010 heeft de ava besloten de winst over 2009 ad € 244.196,00 volledig als dividend uit te keren.


2.7.

Blijkens de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders (verder ava) van [bedrijf], gehouden op 29 november 2010 heeft de ava besloten het op de aandelen gestorte bedrag van de agio - een bedrag van € 587.509,00 - uit te keren aan [gedaagde 4], dan wel in rekening-courant te verrekenen.


2.8.

Blijkens de notulen van de ava van [bedrijf], gehouden op 22 juni 2011, heeft de ava besloten de winst over 2010 ad € 183.163,00 volledig als dividend uit te keren.


3Het geschil

3.1.

De curator vordert - samengevat - om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • - te vernietigen de besluiten genomen door de algemene vergadering van aandeelhouders van [bedrijf] d.d. 20 november 2010, 29 september 2010 en 22 juni 2011 betreffende de agio en/of dividenduitkering;
  • - [gedaagde 4] te veroordelen te voldoen aan de boedel een bedrag van € 1.014.868,00 uit hoofde van onverschuldigde betaling, te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • - te verklaren voor recht dat [gedaagden] (voor [gedaagde 4] subsidiair) onbehoorlijk bestuur hebben gepleegd c.q. onrechtmatig hebben gehandeld en voorts [gedaagden] (voor [gedaagde 4] subsidiair) hoofdelijk te veroordelen in de totale schuldenlast van [bedrijf] te vermeerderen met de boedelschulden waaronder het salaris van de curator en de faillissmentskosten c.q. de schade van [bedrijf] nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente;
  • - [gedaagden] te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2.

[gedaagden] voeren verweer.


3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling

4.1.

De curator legt - samengevat - het navolgende aan zijn vorderingen ten grondslag. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [bedrijf] wisten al in 2007 dat Bribus doende was met het opnieuw inrichten van de onderneming, het nadenken over wijziging van de operationele werkzaamheden. Al in 2008 is door Bribus aan [gedaagden] medegedeeld dat Bribus de uitvoering van de werkzaamheden in eigen hand wilde gaan nemen, terwijl het plan daartoe begin 2010 nog nader aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is toegelicht. In ieder geval in 2010 had voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] duidelijk moeten zijn, althans behoorde duidelijk te zijn, dat Bribus een nieuwe onderneming zou gaan oprichten (onder de naam Bribus Extra B.V.) en vanuit die onderneming zelf werkzaamheden zou gaan verrichten die tot dan werden uitbesteed aan [bedrijf]. Op dat moment wisten, althans konden, althans behoorden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te weten dat dit grote gevolgen voor [bedrijf] zou hebben. Immers, de grootste en vrijwel enige opdrachtgever van [bedrijf] zou hiermee op relatief korte termijn wegvallen. Uiteraard zou dat als consequentie hebben het wegvallen van omzet. De wetenschap van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is de wetenschap van [gedaagde 3], [gedaagde 4] en [bedrijf], aangezien [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van deze vennootschappen enig - direct dan wel indirect - aandeelhouder zijn en ook van de vennootschappen de enig - statutair dan wel feitelijk en direct dan wel indirect - bestuurder zijn. Een en ander blijkt volgens de curator uit de door hem overgelegde productie (productie 8 bij dagvaarding), een door de financieel directeur van Bribus op 21 juni 2012 opgestelde ‘tijdlijn samenwerking Bribus-[gedaagden]’.

Terwijl bedoelde wetenschap aanwezig was bij [gedaagde 1], [gedaagde 2], [bedrijf] en [gedaagde 3], zijn er diverse besluiten genomen waardoor de balanspositie van [bedrijf] zeer sterk is verslechterd. Feitelijk zijn alle reserves via deze besluiten opgenomen en aan het vermogen van [bedrijf] onttrokken. In totaal is in negen maanden besloten totaal

€ 1.014.868,00 aan het vermogen van [bedrijf] B.V. te onttrekken en uit te betalen aan [gedaagde 4], dan wel feitelijk te verrekenen met de vordering van [gedaagde 4] op [bedrijf] in rekening-courant, aldus de curator.


4.2.

Volgens de curator dienen de drie besluiten als omschreven in 2.6., 2.7., en 2.8. vernietigd te worden daar zij in strijd met de wet zijn genomen. De rechtshandelingen zijn paulianeus ex artikel 42 Fw, nu de rechtshandelingen onverplicht zijn verricht en de schuldeisers zijn benadeeld.

Voor het besluit van 22 juni 2011 geldt dat dit is genomen binnen een jaar voor datum faillissement d.d. 1 mei 2012 zodat het vermoeden dat [gedaagde 4] wist of behoorde te weten van de benadeling van de schuldeisers van [bedrijf] hiermee een gegeven is, zodat de curator dit niet behoeft te bewijzen.

Voor de andere twee besluiten c.q. bij het verrichten van die twee rechtshandelingen geldt dat [bedrijf], [gedaagde 4], [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wisten, althans behoorden te weten dat benadeling van de schuldeisers van [bedrijf] het gevolg zou zijn.


4.3.

[gedaagde 4] heeft volgens de curator onrechtmatig gehandeld door als enig aandeelhouder en enig bestuurder van [bedrijf] bij het nemen van de gewraakte besluiten geen dan wel onvoldoende rekening te houden met de belangen van de overige crediteuren, daar waar bekend was bij [gedaagde 4] dat op zeer korte termijn haar grootste opdrachtgever weg zou vallen en de besluiten uitkering van vrijwel de gehele reserves van [bedrijf] beoogden.


4.4.

Tot slot stelt de curator dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:248 BW door [gedaagde 4]. [gedaagde 4] heeft als bestuurder van [bedrijf] alle denkbare medewerking verleend aan de enorme beperking van de liquiditeitspositie van [bedrijf]. Door uitkering van dividend en agio was het niet mogelijk om tijdelijk de terugloop van werkzaamheden voor Bribus op te vangen en te zoeken naar nieuwe opdrachtgevers in de markt. Daarnaast heeft [gedaagde 4] ook geen enkele maatregel genomen teneinde een faillissement te voorkomen. [gedaagde 4] heeft op geen enkele wijze tegenwicht geboden tegen de ingrijpende en verstrekkende gevolgen van de besluiten van de ava, wat iedere andere redelijk denkende bestuurder onder dezelfde omstandigheden wel had gedaan. [gedaagde 4] heeft de besluiten aanvaard en heeft daaraan uitvoering gegeven. Daarbij heeft [gedaagde 4] telkens haar belangen als aandeelhouder zonder enige nuancering en in alle opzichten laten prevaleren boven de belangen bij een behoorlijke taakvervulling van het bestuur van [bedrijf].


4.5.

[gedaagden] verweren zich als volgt.

De samenwerking tussen [bedrijf] en Bribus dateert uit 1977. Sinds 1992 gold tussen partijen exclusiviteit. De opdrachten van Bribus werden uitsluitend aan [bedrijf] verstrekt. Alle afhandeling, alle [bedrijf], alle klachten, etc. kwamen in beginsel voor rekening en risico van [bedrijf] vanaf het ogenblik dat een vrachtwagen met gefabriceerde keukenonderdelen de fabriek van Bribus verliet. Bribus was - en is - een behoorlijke speler op de keukenmarkt. Dit had zo zijn gevolgen voor [bedrijf]. Wat oorspronkelijk was begonnen als een montagebedrijf met twee medewerkers groeide uit tot een organisatie met 50 monteurs. [bedrijf] monteerde zo’n 10.000 keukens per jaar door het hele land. Daarnaast verrichtte [bedrijf] service-werkzaamheden. De samenwerking was zodanig dat voor een buitenstander Bribus en [bedrijf] een ‘twee-eenheid’ waren. De bedrijfsbussen van [bedrijf] waren uitgerust met het logo van Bribus en droegen de titel ‘Bribus Keukens [bedrijf]’. De exclusiviteitsafspraken waren in 1992 mondeling gemaakt. Er stond echter niets op papier. Dit ging in goed vertrouwen.

In 2007 heeft Bribus op enig moment het idee geopperd dat Bribus 5% van de aandelen in [bedrijf] zou kopen. [gedaagde 1] voelde daar echter niets voor. Er is nooit een serieus bod gevolgd. Er zijn ook geen onderhandelingen gevoerd. Bribus heeft in (de zomer van) 2007 nimmer de indruk gewekt serieus geïnteresseerd te zijn geweest in de overname van [bedrijf]. In ieder geval bestond er voor [gedaagden] geen enkele aanleiding te veronderstellen dat Bribus bezig was met het ontwerpen van eigen plannen ten aanzien van het zelf ter hand nemen van montagewerkzaamheden.

Tijdens een bespreking op 15 maart 2011 werd op initiatief van Bribus voor het eerst gesproken tussen partijen over een overname van [bedrijf] door Bribus. Dit heeft er in geresulteerd dat [bedrijf] aan Bribus inzage verschafte in de administratie en jaarcijfers van [bedrijf]. Alvorens deze inzage werd verstrekt ondertekende Bribus een geheimhoudingsovereenkomst. Op 21 maart 2011 verschafte [bedrijf] inzage aan de accountant van Bribus. Op 24 maart 2011 verstrekte de accountant van [bedrijf] namens [bedrijf] een verkoop-memorandum aan Bribus en op 16 april 2011 werd door de accountant van [bedrijf] nog nadere informatie verstrekt. Hoewel Bribus de zaak binnen drie weken wilde regelen bleef het vervolgens lang tijd stil waarna zijdens Bribus op 13 mei 2011 werd toegezegd dat uiterlijk vóór de bouwvakantie een bod zou worden uitgebracht. Eind mei 2011 kreeg [gedaagde 1] een telefoontje van Bribus waarbij hij werd uitgenodigd om aanwezig te zijn bij een bespreking bij Bribus op 8 juli 2011. Op 8 juli 2011 bleek dat er geen bod gedaan werd door Bribus. Dat geen bod werd uitgebracht was voor [gedaagde 1] en [bedrijf] onverwacht, nu de accountant van [bedrijf] ook was uitgenodigd voor de bespreking. Bovendien waren de door Bribus naar voren gebrachte gronden op basis waarvan géén bod werd uitgebracht ongeloofwaardig en niet valide. Er werd op 8 juli 2011 een PowerPoint-presentatie gehouden. Bribus presenteerde toen de nieuwe besloten vennootschap Bribus Extra. Deze zou blijkens de presentatie de service gaan oppakken, omdat Bribus jegens derden verantwoordelijk is voor het geleverde product. Verder zou Bribus Extra de planning gaan verzorgen, na de oplevering service gaan verlenen en de communicatie met derden gaan verzorgen.

Het leek er niet op dat Bribus Extra een concurrent zou worden voor [bedrijf]. Tijdens een bespreking die plaatsvond op 10 november 2011 verzekerde Bernard ten Brinke van Bribus aan [gedaagde 1] dat beide bedrijven (Bribus en [bedrijf]), net als in de voorafgaande jaren, met elkaar een toekomst zouden hebben en dat Bribus, net als de daaraan voorafgaande jaren werk zou gaan uitbesteden aan [bedrijf]. Bribus is nimmer overgegaan tot het opzeggen van de exclusiviteitsafspraken. Nimmer is ook door Bribus meegedeeld: “Vanaf januari 2011 gaan we [bedrijf] werkzaamheden uitbesteden aan ons eigen Bribus Extra”, of iets dergelijks. Bribus was gepresenteerd als service-verlenend bedrijf, en niet als [bedrijf] bedrijf.


4.6.

Volgens [gedaagden] beliep de weekomzet doorgaans ongeveer € 40.000,- tot

€ 70.000,-. Tot en met december 2011/ januari 2012 was er een gebruikelijke instroom aan orders afkomstig van Bribus. Eind januari 2012, begin februari 2012 begon de opdrachtenstroom van Bribus weg te vallen. De omzetten vielen weg tot (afgerond)

€ 3.000,- in week 18. November en december 2011 waren nog ‘topmaanden’. De omzet in januari 2012 was ruim een ton lager dan in januari 2011. Deze lijn zette zich voort tot een omzet-terugloop van twee ton over de maand april 2012. Er ontstond een fors liquiditeitstekort in [bedrijf]. Om dit aan te vullen pompte [gedaagde 3] op 31 januari 2012 een bedrag van € 70.000,- in [bedrijf].


4.7.

Volgens [gedaagden] heeft Bribus op onrechtmatige wijze de ondernemingsactiviteiten van [bedrijf] min of meer voortgezet en/of overgenomen. In november/december 2011 zijn drie bij [bedrijf] werkzame monteurs, na een door Bribus/Bribus Extra geplaatste advertentie bij [bedrijf] vertrokken en als servicemonteur bij Bribus/Bribus Extra aan het werk gegaan. Nadat het faillissement was uitgesproken heeft Bribus/Bribus Extra nog eens vijftien monteurs overgenomen uit de stal van [bedrijf]. Niet alleen werd zo goed en ingewerkt personeel ‘ingelijfd’ door Bribus/Bribus Extra, ook vestigde Bribus/Bribus Extra zich direct te Kampen (terwijl Bribus te Dinxperlo gevestigd is), alwaar Bribus Extra thans is gevestigd vier panden verwijderd van het pand van [gedaagde 4]. Al met al heeft er volgens [gedaagden] een soort van bedrijfsovername plaatsgevonden waar geen cent voor betaald is, en dat terwijl er sprake was van een 35 jaar lange samenwerking, waarvan de laatste 20 jaar op exclusiviteitsbasis. Het stond Bribus in beginsel vrij Bribus Extra op te richten om montagewerkzaamheden te gaan verrichten, maar niet op de wijze waarop dat is geschied. Bribus en Bribus Extra hadden op zijn minst een royale termijn in acht moeten nemen voor opzegging van de exclusiviteitsafspraken. Zulks is niet geschied.

De oorzaak van het faillissement is het feit dat Bribus de werkzaamheden bij [bedrijf] heeft weggehaald.


4.8.

Volgens [gedaagden] zijn de feiten en omstandigheden waarop de curator zich baseert dan ook onjuist. De curator baseert zich enkel op stellingen en mededelingen van Bribus. Verder hanteert de curator de ‘wetenschap van achteraf”. De curator heeft niet aan zijn stelplicht voldaan. Hieromtrent oordeel de rechtbank als volgt.


4.9.

De curator heeft de door [gedaagden] met tientallen producties onderbouwde en uitvoerig geschetste feiten en omstandigheden - waarmee de door de curator geschetste gang van zaken, met name omtrent de wetenschap van [gedaagden], zoals ook weergegeven in de door de curator overgelegde en van Bribus afkomstige ‘tijdlijn samenwerking Bribus-[gedaagden]’ volledig en overtuigend wordt weerlegd - enkel in algemene bewoordingen betwist. Hoewel dit na dit uitvoerig gemotiveerde verweer wel mocht worden verwacht, heeft de curator dit verweer niet weerlegd met feiten en omstandigheden die zijn eigen stellingen nader onderbouwen. Daarmee heeft hij niet voldaan aan zijn stelplicht en zal rechtbank aan de stellingen van de curator omtrent de wetenschap van [gedaagden] in 2008 en 2010 dat Bribus zelf de uitvoering van de montagewerkzaamheden ter hand zou nemen, als onvoldoende onderbouwd voorbijgaan.


4.10.

Met inachtneming van het vorenstaande zal de rechtbank thans de vorderingen van de curator beoordelen.


4.11.

De curator vordert de vernietiging van de besluiten genomen door de ava van [bedrijf] d.d. 29 september 2010, 20 november 2010 en 22 juni 2011 betreffende de agio en/of dividenduitkering. Met betreking tot de besluiten van 29 september 2010 en 20 november 2010 betwisten [gedaagden] dat is voldaan aan de vereisten van artikel 42 Fw waarop de curator zijn vordering baseert, met name ten aanzien van het vereiste dat de schuldenaar bij het verrichten van de rechtshandeling wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn.

Met betrekking tot het besluit van 22 juni 2011 stellen [gedaagden] dat zij het vermoeden (ex artikel 43 lid 1 Fw van wetenschap van benadeling) voldoende hebben weerlegd.


4.12.

Van wetenschap van benadeling is sprake indien ten tijde van de handeling het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien (HR 22 december 2009, NJ 2010/273). Gelet op vorenstaande heeft de curator hiertoe onvoldoende gesteld. Ondermeer is hij ingebreke gebleven gemotiveerd en onderbouwd aan te voeren dat op dat moment voorzienbaar was dat de continuiteit van het bedrijf door de uitkeringen in gevaar zou komen. Dit brengt mee dat de besluiten van de ava van 29 september 2010 en 20 november 2010 niet voor vernietiging in aanmerking komen.

Voor wat betreft het besluit van 22 juni 2011 ligt dat niet anders. [gedaagden] hebben met de geschetste feiten en omstandigheden, die uiteindelijk hebben geleid tot het faillissement van [bedrijf], het in artikel 43 lid 1 FW (en/of 45 Fw) neergelegde vermoeden van wetenschap van benadeling geheel weerlegd. Daarbij kan worden gewezen op de omstandigheid dat partijen ten tijde van dit besluit nog met elkaar in onderhandeling waren met betrekking tot een overname en daarnaast nog steeds sprake was van exclusiviteitsafspraken.De curator heeft hier onvoldoende tegenover gesteld. Het enkele feit dat de current ratio’s in 2010 en 2011 laag waren - wat daar ook van zij - zoals achteraf aan de hand van jaar cijfers kennelijk is vastgesteld, is daartoe niet voldoende. De rechtbank komt derhalve ook niet toe aan bewijslevering.


4.13.

De curator vordert voorts te verklaren voor recht dat [gedaagden] (voor [gedaagde 4] subsidiair) onbehoorlijk bestuur hebben gepleegd c.q. onrechtmatig hebben gehandeld. In het verlengde daarvan vordert de curator [gedaagden] (voor [gedaagde 4] subsidiair) hoofdelijk te veroordelen in de totale schuldenlast van [bedrijf].

[gedaagden] hebben ook deze vordering gemotiveerd betwist.

Hieromtrent oordeelt de rechtbank als volgt.


4.14.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 8 november 1991, NJ 1992/174 en HR 6 februari 2004, JOR 2004/67) volgt dat aandeelhouders en bestuurders in het geval van vermogensonttrekking door een agio en/of winstuitkering uit hoofde van onrechtmatige daad jegens schuldeisers van de vennootschap aansprakelijk kunnen zijn (de bestuurder(s) op grond van 2:248 BW door medewerking aan de uitkering) indien zij er ernstig rekening mee moeten houden dat de vennootschap na uitkering van dividend en agio niet in staat zal zijn al haar crediteuren (volledig) te voldoen.

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorts voorop dat aannemelijk moet zijn dat er een causaal verband is tussen de uitkering(en) en het faillissement.

Het mag dan zo zijn dat door de uitkeringen het eigen vermogen van [bedrijf] (telkens) afnam, zoals door de curator gesteld, daarmee staat evenwel niet vast dat ernstig rekening moest worden gehouden met het feit dat crediteuren daardoor niet konden worden voldaan, waarbij voorts geldt dat, niet van iedere uitkering die voor het intreden van het faillissement wordt verricht, kan worden gezegd dat deze een (belangrijke) oorzaak is van het faillissement.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de curator niet voldoende onderbouwd dat sprake is geweest van onrechtmatig handelen door de aandeelhouder ([gedaagde 4]) en/of een kennelijk onbehoorlijk taakvervulling (artikel 2:248 BW) door het bestuur. Immers de curator heeft de stellingen van [gedaagden] inhoudende dat ten tijde van de besluiten tot uitkering (op de drie verschillende tijdstippen) de aandeelhouder en het bestuur van [gedaagde 4] niet konden weten en er ook geen rekening mee behoefden te houden dat Bribus in januari 2012 alle werkzaamheden bij [bedrijf] weg zou halen, zonder daarbij een behoorlijke opzegtermijn in acht te nemen, als gevolg waarvan de omzet in enkele maanden dramatisch afnam, niet (voldoende) gemotiveerd betwist. Daarnaast is - om dezelfde redenen - naar het oordeel van de rechtbank door de curator niet aannemelijk gemaakt dat de door curator gestelde onbehoorlijke taakvervulling in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het faillissement.


4.15.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van de curator moeten worden afgewezen.


4.16.

De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht € 3.829,00

- salaris advocaat 6.422,00 (2 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 10.251,00


5De beslissing

De rechtbank


5.1.

wijst de vorderingen af,


5.2.

veroordeelt de curator in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 10.251,00,


5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. J. van der Hulst en mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2015.