Rechtbank Overijssel, 26-03-2015 / ak_14 _ 3096


ECLI:NL:RBOVE:2015:1520

Inhoudsindicatie
Verweerder heeft met onvoldoende feiten vastgesteld om het vermoeden te rechtvaardigen dar eiseres in strijd met het bestemmingsplan haar hoofdverblijf in recreatiewoning te Heeten heeft; beroep gegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-03-26
Publicatiedatum
2015-03-27
Zaaknummer
ak_14 _ 3096
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 14/3096


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres][eiseres] te Heeten, eiseres,

gemachtigde: mr. J.S. Staijen,


en


het college van burgemeester en wethouders van Raalte, verweerder.



Procesverloop


Bij besluit van 14 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres gelast om vóór 1 november 2014 de permanente bewoning van de recreatiewoning op het perceel [adres 1]te Heeten te staken en gestaakt te houden. Als eiseres niet tijdig aan de last voldoet, verbeurt zij volgens het primaire besluit een dwangsom van € 3.000,-- per maand met een maximum van € 30.000,--.


Bij besluit van 4 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en haar, onder intrekking van de in het primaire besluit genoemde begunstigingstermijn, gelast om het strijdige gebruik als hoofdverblijf ingaande

1 mei 2015 te staken en gestaakt te houden.


Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2015.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar zoon, [naam], bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich niet laten vertegenwoordigen.


Overwegingen


1. Eiseres is sinds mei 2008 eigenaresse van de recreatiewoning op het perceel [perceel] Heeten.

Met ingang van 13 juni 2008 heeft eiseres zich in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA, thans BRP) laten inschrijven op het adres van haar dochter aan[adres 2] te Heeten.

De recreatiewoning is gelegen op een perceel dat ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Buitengebied Raalte” en dat de bestemming “Recreatie – Verblijfsrecreatie – 1” heeft. Gronden met deze bestemming zijn, voor zover hier van belang, bestemd voor recreatiewoningen en zijn blijkens artikel 1.97 van het bestemmingsplan uitsluitend bedoeld om door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te gebruiken voor toeristisch of recreatief gebruik.

Bij brief van 19 november 2013 heeft verweerder eiseres in kennis gesteld van het voornemen om haar een last onder dwangsom op te leggen om het gebruik van de recreatiewoning als hoofdverblijf te staken en gestaakt te houden. Na een door eiseres ingebrachte zienswijze heeft verweerder eiseres bij het primaire besluit gelast om vóór

1 november 2014 de permanente bewoning van de recreatiewoning te staken en gestaakt te houden, een en ander onder oplegging van een dwangsom van € 3.000,-- per maand met een maximum van € 30.000,--.

Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 8 juli 2014 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de Commissie bezwaarschriften (hierna: de commissie). De commissie heeft op 16 juli 2014 advies uitgebracht en – voor zover thans van belang – geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren en nader onderzoek te doen met betrekking tot het gebruik van de recreatiewoning als hoofdverblijf.


Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, in zoverre in afwijking van het advies van de commissie, het bezwaar ongegrond verklaard en de last onder dwangsom gehandhaafd. Daarbij is de begunstigingstermijn verlengd tot 1 mei 2015.

Eiseres kan zich niet met dat besluit verenigen.


2. In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder op goede gronden heeft besloten om eiseres een last onder dwangsom op te leggen om het permanent bewonen van de recreatiewoning op het perceel [adres 1]te Heeten te staken en gestaakt te houden. Daarbij is met name van belang of verweerder tot het standpunt kon komen dat eiseres in strijd met het bestemmingsplan haar hoofdverblijf in de recreatiewoning heeft.

In dat verband ligt het op grond van vaste jurisprudentie op de weg van verweerder om de voor het vermoeden, dat sprake is van overtreding van de planvoorschriften, vereiste feiten vast te stellen en is het vervolgens aan eiseres om dat vermoeden, indien daarvoor aanleiding bestaat, te ontkrachten. Bij het ontbreken daarvan dient de rechter in beginsel van de juistheid van de feiten, zoals verweerder die heeft vastgesteld, uit te gaan.


3. Eiseres voert kort weergegeven aan dat zij de recreatiewoning niet als hoofdverblijf gebruikt. Zij heeft sinds 2008 hoofdverblijf bij haar dochter op het adres[adres 2] te Heeten, al waar zij onder meer een eigen postbus heeft en een slaapkamer en waar zij ook regelmatig bij het gezin in de woonkamer verblijft. Daarnaast heeft zij de recreatiewoning, die zich op slechts 10 fietsminuten van haar dochters woning bevindt, gekocht om een eigen tuin te hebben. Zij gebruikt deze woning vaak overdag als verblijf om haar dochters gezin te ontlasten. Tevens laat zij haar auto daar vaak staan in verband met de parkeerdruk bij de woning van haar dochter. Zij rijdt dan met de fiets van en naar de woning van haar dochter en de recreatiewoning. Zij heeft verweerder daarvan – naar aanleiding van een eerder voornemen om een last onder dwangsom op te leggen – in haar zienswijzen van 5 augustus 2010 ook op de hoogte gebracht, waarna verweerder geen verdere actie heeft ondernomen.


Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit fysieke controles voldoende aanwijzingen naar voren zijn gekomen die het vermoeden van permanente bewoning rechtvaardigen. Daarbij heeft verweerder, blijkens de motivering van het bestreden besluit, in het bijzonder gelet op de gehanteerde definitie(s) van het begrip ‘hoofdverblijf’, van belang geacht hoe vaak eiseres nachtverblijf zou hebben gehouden in de recreatiewoning. Daarnaast stelt verweerder dat de vaak bij de recreatiewoning aangetroffen auto blijkens de kentekenregistratie op naam van eiseres staat. Tot slot wijst verweerder er op dat voor de aangifte inkomstenbelasting betreffende het jaar 2012 de recreatiewoning is opgevoerd voor de hypotheekrenteaftrek voor de eigen woning.


4. Niet in geschil is dat permanente bewoning van deze recreatiewoning in strijd is met het bestemmingsplan.


Nu eiseres blijkens de BRP op een ander adres dan dat van de recreatiewoning staat ingeschreven, is het aan verweerder om anderszins de voor het vermoeden, dat eiseres de recreatiewoning in strijd met het bestemmingsplan als hoofdverblijf gebruikt, vereiste feiten vast te stellen.


De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende feiten heeft vastgesteld die het vermoeden, dat eiseres de recreatiewoning als hoofdverblijf gebruikt, rechtvaardigen. Weliswaar vormt het gegeven dat eiseres de recreatiewoning voor de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2012 heeft opgevoerd voor de hypotheekrenteaftrek voor de eigen woning een aanwijzing voor het gebruik als hoofdverblijf, maar de in de stukken opgetekende waargenomen feiten tijdens vele fysieke controles, passen naar het oordeel van de rechtbank (ook) bij de door eiseres gegeven verklaring. De goed onderhouden tuin past bij het beeld dat zij de woning heeft gekocht om een eigen tuin te hebben en daar overdag vaak aanwezig is om haar dochters gezin te ontlasten. Ook de aanwezigheid van haar auto bij de recreatiewoning past bij haar verklaring omtrent de parkeerdruk bij de woning van haar dochter en het gegeven dat de recreatiewoning op korte fietsafstand van die woning ligt.

De rechtbank stelt vast dat de 128 fysieke controles in de periode van 22 oktober 2008 tot en met juli 2013 vooral passen bij het door eiseres geschetste beeld dat zij vooral overdag bij en in de recreatiewoning verblijft, doch niet specifiek zijn toegesneden op bijvoorbeeld de mate van overnachten en haar gestelde (nacht)verblijf bij haar op korte afstand wonende dochter. Van deze controles hebben er slechts één tijdens de vroege ochtenduren plaatsgevonden en twee tijdens de late avonduren. Weliswaar heeft verweerder nadien in de periode van 20 juni 2014 tot 27 oktober 2014 nog een 14-tal aanvullende controles uitgevoerd tijdens de vroege ochtenduren en de late avonduren, maar de enkele vaststellingen dat eiseres 3 keer is aangetroffen en acht keer de gordijnen gesloten bleken te zijn, acht de rechtbank onvoldoende om het vermoeden te rechtvaardigen dat eiseres aldaar haar hoofdverblijf heeft.

Daarbij heeft de rechtbank voorts gewicht toegekend aan het feit dat eiseres ook in haar zienswijzen van 5 augustus 2010 al heeft verklaard dat zij bij haar dochter, op 10 minuten fietsafstand van de recreatiewoning, haar hoofdverblijf heeft en dit voor verweerder geen aanleiding heeft gevormd om specifieke, meer op deze verklaring toegespitste controles uit te voeren. De thans uitgevoerde controles zien vooral op de constatering van uiterlijke kenmerken van en rondom de recreatiewoning, zoals de aanwezigheid van haar auto, openstaande ramen, gesloten gordijnen, brandende verlichting en het onderhoud van de tuin en aanwezigheid van tuingereedschap, maar zeggen onvoldoende over de vermeende permanente bewoning, in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen.


Nu verweerder onvoldoende feiten heeft vastgesteld om het vermoeden te rechtvaardigen dat eiseres in strijd met het bestemmingsplan haar hoofdverblijf in de recreatiewoning heeft, kan het bestreden besluit waarbij de aan eiseres opgelegde last onder dwangsom ten aanzien van dat gebruik is gehandhaafd, geen stand houden.


5. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden, nu het thans aan verweerder is om met inachtneming van de uitspraak tot (nieuwe) heroverweging van het primaire besluit te komen.


6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad € 165,-- vergoedt.


7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 490,-- en een wegingsfactor 1).



Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,-- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 980,--.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van

M.W. Hulsman, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op





griffier rechter












Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.