Rechtbank Overijssel, 14-01-2015 / ak_13_1523


ECLI:NL:RBOVE:2015:153

Inhoudsindicatie
Bouwplan voor het oprichten van twee kantoorgebouwen in Deventer niet in strijd met bestemmingsplan; beroep gegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-01-14
Publicatiedatum
2015-01-15
Zaaknummer
ak_13_1523
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 13/1523


uitspraak van de enkelvoudige kamer in het geschil tussen

Hartenaasje BV, te Deventer, eiseres,

gemachtigde: mr. M.H. Blokvoort,


en


het college van burgemeester en wethouders van Deventer, verweerder.



Procesverloop


Bij besluit van 2 augustus 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om aan eiseres een reguliere bouwvergunning, eerste fase, te verlenen voor het oprichten van twee kantoorgebouwen op het perceel Hartenaasje 1 te Deventer.


Bij besluit van 27 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.


Eiseres heef tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2014.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door M.G.B. Bloem. Namens verweerder is verschenen A.I. Duivenvoorde.


Overwegingen


1. Het bouwplan voorziet in de oprichting van twee identieke kantoorgebouwen, bestaande uit een centraal gelegen entree op de begane grond met daarboven verdiepingen, die uitsteken.


2. Verweerder heeft bouwvergunning geweigerd vanwege strijd met de planvoorschriften.

Ter plekke is geen zelfstandige kantoorbebouwing toegestaan en ook nieuwbouw is niet toegestaan, maar slechts uitbreiding van bestaande bouw. Bovendien bedraagt het bebouwd oppervlak na realisering van het in geding zijnde plan 1377 m2, hetgeen niet is toegestaan. Daarbij is gemeten langs de buitenkant van de kolommen/zuilen die de bovenliggende verdiepingen dragen. Verder is het bouwperceel, dat gelijk is aan het bebouwingsvlak, kleiner dan 1 hectare.

3. Ingevolge artikel 1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) blijft het recht, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wabo, van toepassing op de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag om een vergunning of ontheffing als bedoeld in het eerste lid, indien, zoals in dit geval, voor dat tijdstip een aanvraag is ingediend.


Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, zoals die luidde ten tijde van belang, is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door het college verleende bouwvergunning.


Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.


Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder c, beslissen burgemeester en wethouders om een reguliere bouwvergunning die overeenkomstig artikel 56a, eerste lid, in twee fasen wordt verleend: telkens binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, is de vergunning van rechtswege verleend, indien het college niet binnen de daarvoor in het eerste lid gestelde termijn omtrent de aanvraag beslist. Deze verlening wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).


Ingevolge artikel 56a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dit luidde ten tijde van belang, wordt een reguliere bouwvergunning op aanvraag in twee fasen verleend.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, mag de bouwvergunning eerste fase slechts en moet deze worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel c of d van toepassing is.


4. Ter plaatste van het perceel geldt het bestemmingsplan "Uiterwaarden 2004" ingevolge welk plan ter plekke de bestemmingen "Bedrijfsdoeleinden -B-" en "Waterstaatsdoeleinden (Dubbelbestemming)" gelden.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van de planvoorschriften wordt in deze voorschriften verstaan onder ‘ander bouwwerk’, een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder h, wordt verstaan onder ‘bebouwing’, één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder i, wordt onder ‘bebouwingsgrens’ verstaan een op de plankaart als zodanig aangegeven al of niet gedeeltelijk met een bestemmingsgrens samenvallende lijn, die de omgrenzing vormt van een bouwperceel of bebouwingsvlak.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, wordt onder ‘bebouwingsvlak’ verstaan een oppervlakte van gronden omgrensd door een op de plankaart als zodanig aangegeven bebouwingsgrens, op en in welke gronden, binnen een bestemmingsvlak, gebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder s, wordt verstaan onder ‘bouwperceel’, een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar horende bebouwing is toegelaten.


Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften moet indien krachtens dit plan een meting moet worden verricht, onder ‘bebouwde oppervlakte’ worden verstaan: de buitenwerks gemeten oppervlakte van een gebouw of gebouwencomplex gemeten op 1 meter boven meetniveau.


Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als "Bedrijfsdoeleinden -B-" bestemde gronden bestemd voor bedrijven, als bedoeld in de categorieën 1 t/m 4 van de bij deze voorschriften behorende Staat van Inrichtingen, met de daarbij behorende wegen, paden, groen- en parkeervoorzieningen.

Ingevolge het tweede lid mogen op de in het eerste lid bedoelde gronden worden gebouwd:

a. Bedrijfsgebouwen als bedoeld in de categorie 1 t/m 4 van de bij deze voorschriften behorende Staat van Inrichtingen;

b. Niet voor bewoning bestemde gebouwen en andere bouwwerken ten dienste van handel, detailhandel daaronder niet inbegrepen, verkeer, energie- en watervoorziening, daarbij inbegrepen laboratoria, bedrijfsgarages, magazijnen, dienstruimten en dergelijke, alsmede kantoren en ontspanningsgebouwen behorende bij een op deze gronden gevestigd bedrijf;

c. Gebouwen en andere bouwwerken ten dienste van de op deze gronden gevestigde bedrijven en inrichtingen;

d. De gebouwen als omschreven in sub a t/m c mogen alleen worden opgericht binnen het deel van de gronden met deze bestemming dat is omgeven door bebouwingsgrenzen. Het grondoppervlak van de bestaande bebouwing per bouwwerk mag niet met meer dan 10% worden uitgebreid zoals geïnventariseerd in de bij deze voorschriften behorende bijlage "Winterbed bestaande bebouwing";

e. De grootste hoogte van de bebouwing voor zover gelegen aan de binnenzijde van de op de plankaart aangegeven grootste hoogte scheidingslijn mag niet meer bedragen dan 20 m. De grootste hoogte van de bebouwing gelegen tussen de bebouwingsgrens en de grootste hoogte scheidingslijn mag niet meer dan 10 m bedragen. In afwijking van de vorige volzin mag over een lengte van maximaal 30% van de mogelijke bebouwing tussen de bebouwingsgrens en de grootste hoogte scheidingslijn de grootste hoogte van de bebouwing gelegen aan de buitenzijde van de grootste hoogte scheidingslijn 15 m bedragen;

f. Op grond met de in het eerste lid bedoelde bestemming moet de oppervlakte van het bouwperceel ten minste 1 hectare bedragen en de breedte ten minste 80 m zijn.


Ingevolge de bij het bestemmingsplan behorende bijlage ‘Winterbed bestaande bebouwing’ bedraagt de bestaande bebouwde oppervlakte op het perceel 613 m2 en is ter plaatse een uitbreiding toegestaan van maximaal 62 m2.


5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het bouwplan in overeenstemming is met de vigerende bestemmingen en verwijst daarbij naar haar beroepsgronden in het hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dat zij heeft ingesteld tegen de uitspraak van deze rechtbank in de procedure ten aanzien van een identiek bouwplan (Awb 12/1555). Bij laatstbedoelde uitspraak heeft de rechtbank het beroep van eiseres ongegrond verklaard tegen verweerders weigering om haar een reguliere bouwvergunning, eerste fase, te verlenen voor het oprichten van een kantoorgebouw. Het betreffende kantoorgebouw is identiek aan de in geding zijnde, twee kantoorgebouwen, en is eveneens geprojecteerd op het onderhavige perceel.


6. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling op 28 mei 2014 uitspraak heeft gedaan op het door eiseres ingestelde hoger beroep (ECLI:NL:RVS:2014:1907). Verder stelt de rechtbank vast dat het in dat geschil aan de orde zijnde bouwplan identiek is aan het onderhavige bouwplan, met dien verstande dat het één kantoorgebouw betrof en dat het in het onderhavige geval gaat om twee kantoorgebouwen, dat eerstbedoeld bouwplan geprojecteerd is op het onderhavige perceel en dat het planologische toetsingskader gelijk is. Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder in het geschil dat bij de Afdeling voorlag de betreffende bouwvergunning heeft geweigerd op gelijke gronden als die welke thans aan de orde zijnde weigeringsgronden, zoals weergegeven onder 2.


6.1

Ten aanzien van de door verweerder gestelde strijd met het bepaalde in artikel 10, tweede lid, onder f, van de planvoorschriften heeft de Afdeling het volgende overwogen.


“Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 16 mei 2012 in zaak nr. 201110736/1/A1), is bij de vaststelling van de omvang van een bouwperceel de actuele situatie bepalend, waarbij in beginsel wordt uitgegaan van kadastrale percelen. Vereist is daarbij dat de planvoorschriften zich niet tegen deze uitleg van het begrip ‘bouwperceel’ verzetten.


Weliswaar kan het bouwperceel blijkens de planvoorschriften worden bepaald door de bebouwingsgrens, maar uit de planvoorschriften volgt tevens dat op het perceel ‘gebouwen’ en ‘andere bouwwerken’ mogen worden gebouwd. In artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, wordt voor gebouwen als omschreven onder a, b, en c een beperking aangebracht in die zin, dat deze alleen mogen worden opgericht binnen het deel van de gronden dat is omgeven door bebouwingsgrenzen. Gelet op deze beperking, mogen de andere bouwwerken die onder a, b en c zijn vermeld, niet alleen worden opgericht op de gronden die door de bebouwingsgrens worden omsloten, maar ook daarbuiten. Nu ingevolge de planvoorschriften op een bouwperceel een zelfstandige, bij elkaar horende bebouwing is toegelaten, en onder bebouwing ‘één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken’ wordt verstaan, kan het bouwperceel groter zijn dan de gronden die door de bebouwingsgrens worden omsloten. Het kadastrale perceel heeft blijkens een opgave van het Kadaster een oppervlakte van 1 ha, 15 a en 80 ca. Hieruit volgt dat de oppervlakte van het bouwperceel ten minste 1 ha bedraagt, zodat het bouwplan voldoet aan artikel 10, tweede lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften.”


6.2

Ten aanzien van de door verweerder gestelde strijd van het bouwplan met artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a en d, heeft de Afdeling het volgende overwogen.


“Vast staat dat het kantoorgebouw een gebouw is als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Uit de bewoordingen van deze bepaling, gelezen in verbinding met de eerste volzin van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, volgt dat een dergelijk gebouw mag worden opgericht op voorwaarde dat dit binnen de bebouwingsgrenzen gebeurt. Vast staat dat aan deze voorwaarde wordt voldaan. Uit de tweede volzin van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, gelezen in verbinding met de eerste volzin, volgt dat de oppervlakte van een gebouw niet meer mag bedragen dan de grondoppervlakte van de bestaande bebouwing vermeerderd met 10%. Steun voor deze uitleg wordt gevonden in de toelichting op artikel 10. Daarin is vermeld dat op de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden", bedrijven in de categorie 1 t/m 4 mogen worden opgericht. Voorts is daar vermeld dat door middel van de oppervlaktebepaling in het tweede lid, aanhef en onder d, wordt geregeld dat de totale oppervlakte van deze bebouwing niet groter wordt dan die van het bestaande gebouw vermeerderd met 10%, en dat op deze wijze de implementatie plaatsvindt van de beleidslijn 'Ruimte voor de Rivier', die aan het bestemmingsplan ten grondslag is gelegd.

Uit de bijlage waarnaar in de tweede volzin van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften wordt verwezen, volgt dat het op te richten gebouw een oppervlakte mag hebben van 613 m2, vermeerderd met 62 m2, is 675 m2. Uit de bij de aanvraag behorende bouwtekeningen blijkt dat de centraal gelegen entree van het kantoorgebouw een oppervlakte heeft van 65 m2 en de zuilen in totaal een oppervlakte hebben van ongeveer 5 m2, zodat, in aanmerking genomen de definitie van 'bebouwde oppervlakte' als opgenomen in artikel 2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, het grondoppervlak van het kantoorgebouw ongeveer 70 m2 bedraagt. Gelet hierop voldoet het bouwplan aan artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften, gelezen in verbinding met de in deze bepaling genoemde bijlage.”


6.3

De rechtbank refereert zich in het onderhavige geschil aan de uitleg die de Afdeling heeft gegeven aan artikel 10, a, d en f, van de planvoorschriften.

In de Afdelingsuitspraak is overwogen dat de oppervlakte van het bouwperceel, zijnde het bouwperceel waarop onderhavig bouwplan is geprojecteerd, ten minste 1 hectare bedraagt. Onderhavig bouwplan voldoet derhalve aan artikel 10, tweede lid, aanhef en onder f van de planvoorschriften.


6.4

Ook in het onderhavige geval staat vast dat sprake is van kantoorgebouwen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften.

Uitgaande van hetgeen de Afdeling heeft overwogen is anders dan verweerder stelt, ter plekke nieuwbouw toegestaan, mits het bebouwd oppervlakte op het perceel Hartenaasje 1 niet meer bedraagt dan 675 m2. Het grondoppervlak van het bouwplan dat in de Afdelingsuitspraak ter beoordeling voorlag bedraagt 70 m2, het grondoppervlak van onderhavige bouwplannen bedraagt in totaal 140 m2. Hieruit volgt dat met onderhavig bouwplan het totaal toegestane bebouwd oppervlak aan de Hartenaasje van 675 m2 niet wordt overschreden.

De Afdeling gaat er impliciet vanuit dat het bestemmingsplan ter plekke zelfstandige kantoorbebouwing toestaat, zoals de rechtbank reeds bij haar uitspraak van 13 april 2012 expliciet heeft overwogen in de zaak met procedurenummer (AWB 11/2236) (ECLI:NL:RBZLY:2012:408), en tegen welke uitspraak geen rechtsmiddelen zijn aangewend.


7.1

Uit het voorgaande volgt dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan. Ten tijde van het verstrijken van de termijn als bedoeld in artikel 46, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet is bouwvergunning van rechtswege verleend. Verweerder was derhalve niet meer bevoegd om alsnog een feitelijke beslissing te nemen op de aanvraag.


7.2

Het beroep is derhalve gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 46, vijfde lid, van de Woningwet. Voorts zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door het besluit van 2 augustus 2011 te herroepen. Nu van rechtswege bouwvergunning is verleend, gaat de rechtbank er vanuit dat verweerder daarvan kennis geeft en zal voldoen aan de verplichtingen ingevolge artikel 57 en 58 van de Woningwet, zoals die luidden ten tijde van belang.


8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.


9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1948, - (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487, - en een wegingsfactor 1).



Beslissing


De rechtbank:

  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het besluit van 27 mei 2013;
  • - herroept het besluit van 2 augustus 2011;
  • - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 318, - aan eiseres te vergoeden;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1948, -.


Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op




griffier rechter





Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.