Rechtbank Overijssel, 23-03-2015 / 08/760184-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:1551

Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel veroordeelt een 16-jarige jongen uit Zwolle tot een jeugddetentie van 450 dagen, waarvan 288 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden waaronder ambulante behandeling. Ook moet hij een schadevergoeding betalen van 5.300 euro. De minderjarige jongen heeft met andere medeverdachten een woningoverval gepleegd in Zwolle. De verdachten hebben enkel en alleen met het oog op hun eigen financiële gewin het slachtoffer in een voor hem buitengewoon beangstigende situatie gebracht. De jongen is first offender en is gemotiveerd een behandeling te ondergaan. Daarnaast lijkt hij nu goed gemotiveerd om zijn opleiding op te pakken. Het (verder) uitstellen van die behandeling en opleiding in vrijheid dient, gezien de persoon van verdachte en diens tot dusverre blanco strafrechtelijk verleden, dan ook voorkomen te worden om verdachte in de gelegenheid te stellen zijn leven nu een beslissende wending te geven.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-03-23
Publicatiedatum
2015-03-30
Zaaknummer
08/760184-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Zwolle


Parketnummer: 08/760184-14

Datum vonnis: 23 maart 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

verblijvende in Intermetzo JJI Lelystad.


1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren op 16 maart 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.M. Brugman en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. V. Wolting, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


Aan de verdachte is tenlastegelegd:


hij op of omstreeks 15 oktober 2014 te Zwolle tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een playstation met controller en/of een geldkistje, inhoudende ongeveer 100 Euro en/of (een) geldbedrag(en) en/of een laptop en/of een spaarvarken (inhoud: kleingeld) en/of een of meer andere goederen, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer] en/of aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met (een) bivakmuts over het hoofd en/of met gelaatsbedekkende kleding bij de woning van die [slachtoffer] (gelegen aan de [adres 1]) heeft aangebeld en/of (nadat die [slachtoffer] de voordeur had geopend) onverhoeds een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer] heeft gericht en/of gericht heeft gehouden en/of die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen om naar de woonkamer te lopen en/of aldaar op een bank te gaan liggen en/of met een boksbeugel in de hand naast die [slachtoffer] is gaan en/of blijven staan en/of daarbij (meermalen) op dreigende toon aan die [slachtoffer] heeft gevraagd waar de kluis was en/of (meermalen) dat vuurwapen/voorwerp op die [slachtoffer] heeft gericht en/of gericht heeft gehouden en/of daarbij gezegd dat die [slachtoffer] moest zeggen waar het geld was of anders die [slachtoffer] door zijn knie zou schieten en/of dat ze (hij en/of zijn mededaders) de zoon van [slachtoffer] hadden en dat deze niets zou overkomen als [slachtoffer] hen(hem en/of zijn mededaders) het geld zou geven.


3De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


4De beoordeling van het bewijs


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


4.1

Het standpunt van de officier van justitie.


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden op grond van onder meer de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.


4.2

Het standpunt van de verdediging


De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.


4.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


De rechtbank overweegt dat sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom in de bijlage van dit vonnis volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.


Op woensdag 15 oktober 2014 werd bij de woning van aangever [slachtoffer] aan de [adres 1] te Zwolle aangebeld waarop aangever de deur heeft geopend. Hierop stormden drie mannen zijn woning binnen. Aangever kreeg direct een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op zijn hoofd gericht en werd naar de woonkamer geleid waar hij op de bank moest plaats nemen. De drie mannen – waaronder verdachte – droegen een bivakmuts. Verdachte is naast aangever blijven staan met een boksbeugel in zijn hand terwijl de twee medeverdachten in de woning op zoek zijn gegaan naar waardevolle goederen en/of geld. Aangever is meermalen onder bedreiging met het vuurwapen gevraagd naar de kluis waarbij een van de verdachten heeft gedreigd hem in zijn knie te schieten of dat de zoon van aangever iets zou overkomen als hij hen het geld niet zou geven. Vervolgens zijn de verdachten de woning van aangever uitgerend waarbij zij een Playstation met controller, een geldkistje met € 100,-, een geldbedrag, een laptop en een spaarvarken van aangever hebben meegenomen. De drie verdachten werden bij het verlaten van de woning en het wegvluchten in een auto opgemerkt door getuigen waarbij één getuige het kenteken van de auto waarin verdachten zijn gevlucht heeft genoteerd. Deze getuige heeft de politie gebeld en een half uur later is verdachte in de vluchtauto aangetroffen.

Verdachte heeft over zijn rol een bekennende verklaring afgelegd. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich tezamen en in vereniging schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde.


4.4

De conclusie


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 15 oktober 2014 te Zwolle tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een playstation met controller en een geldkistje, inhoudende ongeveer 100 Euro en geldbedragen en een laptop en een spaarvarken (inhoud: kleingeld) toebehorende aan [slachtoffer] en/of aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en zijn mededaders met een bivakmuts over het hoofd en/of met gelaatsbedekkende kleding bij de woning van die [slachtoffer] (gelegen aan de [adres 1]) heeft aangebeld en nadat die [slachtoffer] de voordeur had geopend onverhoeds een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer] heeft gericht en/of gericht heeft gehouden en die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen om naar de woonkamer te lopen en aldaar op een bank te gaan liggen en met een boksbeugel in de hand naast die [slachtoffer] is gaan en blijven staan en daarbij (meermalen) op dreigende toon aan die [slachtoffer] heeft gevraagd waar de kluis was en/of (meermalen) dat vuurwapen/voorwerp op die [slachtoffer] heeft gericht en/of gericht heeft gehouden en daarbij gezegd dat die [slachtoffer] moest zeggen waar het geld was of anders die [slachtoffer] door zijn knie zou schieten en dat ze (hij en/of zijn mededaders) de zoon van [slachtoffer] hadden en dat deze niets zou overkomen als [slachtoffer] hen(hem en/of zijn mededaders) het geld zou geven.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 312 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


het misdrijf: Diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.


6De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.


7De op te leggen straf of maatregel


7.1

Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 450 dagen waarvan 290 dagen voorwaardelijk met aftrek van de dagen doorgebracht in voorarrest en met een proeftijd voor de duur van drie jaar, ervan uitgaande dat verdachte dan op 27 maart aanstaande in vrijheid gesteld zal worden, met als bijzondere voorwaarden elektronisch toezicht voor de duur van drie maanden, ITB Criem, een behandeling bij FJP Accare, een locatiegebod en een locatieverbod. Voorts heeft zij gevorderd toewijzing van de civiele vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente.


7.2

Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft aangevoerd dat het van groot belang is dat verdachte op 30 maart 2015 weer naar school kan gaan en heeft zich verder gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot de civiele vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman aangevoerd dat het bedrag van € 6.000,- met betrekking tot de gemiste werkuren onvoldoende onderbouwd is en heeft hij de rechtbank verzocht deze schadepost op de vordering af te wijzen dan wel niet ontvankelijk te verklaren.


7.3

De gronden voor een straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een woningoverval. De verdachten hebben enkel en alleen met het oog op hun eigen financiële gewin het slachtoffer in een voor hem buitengewoon beangstigende situatie gebracht. Uit de onderbouwing van de civiele vordering komt naar voren dat de overval een grote impact op het slachtoffer heeft gehad. De weken na de overval had het slachtoffer slechte nachtrust onder meer door nachtmerries, was vermoeid en prikkelbaar en kon hierdoor vier weken niet werken. De rechtbank rekent dit verdachte aan.


Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:- een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 13 februari 2015 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest;

- een pro justitia over de persoon van verdachte d.d. 31 december 2014, opgemaakt door drs. J. Husmann, GZ-psycholoog;

- adviesrapportage over de persoon van verdachte d.d. 27 februari 2015, opgemaakt door J. Markies, raadsonderzoeker Raad voor de Kinderbescherming;

- een plan van aanpak d.d. 17 februari 2015 en brief d.d. 12 maart 2015, opgemaakt door S. Brinkhuis, jeugdreclasseerder, Jeugdreclassering;

- een deeladvies d.d. 24 november 2014, opgemaakt door J. Eijlander, raadsonderzoek Raad voor de Kinderbescherming.


In voornoemd rapport van psycholoog Husmann staat onder meer opgenomen dat bij verdachte sprake is van gevolgen van gebrekkige ontwikkeling, namelijk antisociaal gedrag bij een adolescent en misbruik van cannabis. Uit onderzoek komt naar voren dat verdachte onvoldoende besef en zicht heeft op zijn gebrekkige assertiviteit en geneigd is die te overschatten, terwijl uit de informatie blijkt dat hij makkelijk een speelbal van invloeden kan worden. Naar voren is gekomen dat verdachte het laatste half jaar voor het ten laste gelegde een periode toenemend grensoverschrijdend gedrag liet zien en andere gedragskeuzes leek te maken. Zijn middelengebruik nam toe, zijn houding naar autoriteiten verslechterde en hij ging een vriendschap aan met een jongen die negatief bekend stond bij de politie. Het overgaan tot deelname aan het ten laste gelegde feit kan gezien worden in het verlengde van deze gedragsverandering. De mate waarin de ziekelijke stoornis en het middelengebruik invloed hebben uitgeoefend op de gedragskeuzemogelijkheid van verdachte wordt als enigszins verminderd gezien en derhalve wordt geadviseerd verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten..

Aan de hand van de SAVRY is een inschatting gemaakt van de kans op recidive van gewelddadig gedrag. De kans op (gewelddadig) grensoverschrijdend gedrag wordt in het algemeen als laag ingeschat. Voor een zo gunstig mogelijke ontwikkeling behoeft verdachte behandeling ter stimulering van zijn sociale vaardigheden (met name assertiviteit), en ter verbetering van het leren hanteren van emoties. Ook moet aandacht worden besteed aan de doelen die hij voor zich zelf heeft en de identiteit die hij daarvoor moet aannemen.

Geadviseerd wordt een (deels) voorwaardelijke detentie op te leggen met als bijzondere voorwaarde dat hij zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering en dat hij deelneemt/meewerkt aan de door de reclassering voorgestelde behandeling bijvoorbeeld bij Accare.


De rechtbank neemt de conclusie van de psycholoog op de door haar genoemde gronden over en maakt haar oordeel tot het hare. De rechtbank zal bij de straftoemeting rekening houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.


De jeugdreclassering heeft in haar rapportages onder meer opgenomen dat verdachte baat zal hebben bij een intensieve vorm van begeleiding door de jeugdreclassering ten behoeve van de ondersteuning na detentie. Deze ondersteuning is onder meer van belang voor de opleiding van verdachte alwaar hij op maandag 30 maart 2015 weer mee kan starten. De inzet van een ITB-CRIEM traject voor de duur van drie maanden acht de jeugdreclassering zeer geschikt, gevolgd door regulier contact met de jeugdreclassering. Voorts adviseert de jeugdreclassering voor drie maanden een locatiegebod op te leggen in aansluiting op de detentie van verdachte. Verdachte zal ook worden aangemeld voor psychomotorische therapie bij FJP Accare te Zwolle


Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 450 dagen waarvan 288 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar met aftrek van de dagen doorgebracht in voorlopige hechtenis passend en geboden is. Verdachte dient op vrijdag 27 maart 2015 in vrijheid worden gesteld waardoor hij op 30 maart 2015 kan beginnen met zijn opleiding op het [school]. Aan het voorwaardelijke deel zal de rechtbank bijzondere voorwaarden opnemen. Verdachte is first offender en is gemotiveerd een behandeling te ondergaan. Daarnaast lijkt hij nu goed gemotiveerd om zijn opleiding op te pakken. Het (verder) uitstellen van die behandeling en opleiding in vrijheid dient gezien de persoon van verdachte en diens tot dusverre blanco strafrechtelijk verleden dan ook voorkomen te worden om verdachte in de gelegenheid te stellen zijn leven nu een beslissende wending te geven.


De rechtbank ziet niet de noodzaak om verdachte een locatieverbod op te leggen, enerzijds omdat zij inschat – gelet op verdachtes berouwvolle proceshouding - dat verdachte geen ongeoorloofd contact met het slachtoffer zal zoeken en anderzijds nu hiermee een aantal hoofdwegen waar hij gebruik van zal moeten maken om zijn schoolgang te vervullen en zijn contacten met de jeugdreclassering te onderhouden en die hij moeilijk kan ontwijken zouden zijn afgesloten voor hem. Wel zal de rechtbank een contactverbod met het slachtoffer opleggen, althans voorzover het gaat om contact buiten medeweten van en zonder toestemming van de jeugdreclassering. Dit houdt de mogelijkheid open voor het voeren van een gesprek in het kader van slachtofferbemiddeling, hetgeen evenzeer zou kunnen bijdragen aan het herstel van het gevoel van veiligheid bij het slachtoffer, waarvoor het door de officier van justitie gevraagde locatieverbod met name lijkt te zijn ingegeven.


8De inbeslaggenomen voorwerpen


Bij verdachte is na aanhouding een geldbedrag ter hoogte van € 405,- inbeslaggenomen. De officier van justitie heeft gevorderd dit terug te geven aan verdachte.


De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van het aan hem toebehorende op de beslaglijst vermelde geldbedrag ter hoogte van € 405,-, aangezien dit niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.


9De schade van benadeelden


9.1

De vordering van de benadeelde partij


[slachtoffer], wonende te Zwolle, heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 8.300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.


Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is voldoende komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat de vordering van [slachtoffer] voor wat betreft de gemiste werkuren, gelet ook op de betwisting van de zijde van de verdediging, deels onvoldoende is onderbouwd om exact te kunnen vast stellen hoe hoog de inkomensderving is geweest. Daarentegen acht de rechtbank wel aannemelijk dat de benadeelde partij – als zelfstandig ondernemer – inkomen heeft gederfd en acht zij aan de hand van de voorhanden zijnde informatie schattenderwijs een bedrag van € 3.000,- aannemelijk. Daarom zal zij de vordering in totaal toewijzen tot een bedrag van € 5.300,-, te vermeerderen met de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.


De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.


De gestelde schade voor wat het meer gevorderde betreft, is door de benadeelde partij niet voldoende onderbouwd, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van dit bedrag (€ 3.000,-) niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.


9.2

De schadevergoedingsmaatregel


De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door feit is toegebracht.


10De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27, 36f, 77a, 77h, 77i, 77x, 77z, 77y en 77aa Sr.



11De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- kwalificeert dit als hiervoor vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;


straf

  • - veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 450 dagen, waarvan 288 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;
  • - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
  • - Algemene voorwaarden - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een

strafbaar feit;

- omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen

medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het jeugdreclasseringstoezicht van Jeugdbescherming Overijssel, instantiecode AST106, als bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

Bijzondere voorwaarden, stelt als bijzondere voorwaarden

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de jeugdreclassering van Jeugdbescherming Overijssel, instantiecode AST106, verantwoordelijke gemeente is Zwolle;

- dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zal deelnemen aan het ITB-CRIEM traject van drie maanden;

- dat de veroordeelde zich onder (ambulante) behandeling zal laten stellen van FJP Accare te Zwolle;

- dat de veroordeelde gedurende de proeftijd buiten medeweten en toestemming van de jeugdreclassering op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer];

- dat de veroordeelde gedurende de eerste drie maanden van de proeftijd aanwezig zal zijn op de door de jeugdreclassering vast te stellen uren op de [adres 2], conform het door de jeugdreclassering op te stellen weekschema;

- dat de veroordeelde zich ter controle van het locatiegebod gedurende de eerste drie maanden van de proeftijd onder elektronisch toezicht zal stellen van Stichting Reclassering Nederland;

- draagt de jeugdreclassering van Jeugdbescherming Overijssel op om aan verdachte toezicht en begeleiding te bieden bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding
  • - veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 5.300,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2014 voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;
  • - veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
  • - veroordeelt de benadeelde partij tot betaling van de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor rechtsbijstand met betrekking tot deze vordering. De rechtbank begroot die kosten op nihil;
  • - legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 5.300,- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende jeugddetentie voor de tijd van 61 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan);
  • - bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
  • - bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer], voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- gelast de teruggave aan verdachte van de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde geldbedrag van € 405,00;


opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk wordt aan de opgelegde onvoorwaardelijke straf.


Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Versteeg, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. H.W.H. Oude Aarninkhof en mr. K. van Leeuwen, kinderrechters, in tegenwoordigheid van W. van Goor, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2015.


Mr. H.W.H. Oude Aarninkhof is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.


Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer 04ROT14011. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


1. het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 16 maart 2015, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte;

2. het proces-verbaal van aangifte d.d. 16 oktober 2014, pagina 83 t/m 85, voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer];

3. het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 oktober 2014, pagina 270, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant];

4. een geschrift, inhoudende een rapport dactyloscopisch onderzoek d.d. 23 oktober 2014, pagina 236 t/m 239, voor zover inhoudende de verklaring van J.A.J.M. Riemen.