Rechtbank Overijssel, 08-04-2015 / C-07-182308 - HZ ZA 11-235


ECLI:NL:RBOVE:2015:1594

Inhoudsindicatie
Letselschadezaak, ten gevolge van seksueel misbruik. Toekennen vergoeding verlies verdienvermogen en studievertraging. Toewijzing € 58.935,11 + proceskosten.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-04-08
Publicatiedatum
2015-07-03
Zaaknummer
C-07-182308 - HZ ZA 11-235
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Civiel recht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Zwolle


zaaknummer / rolnummer: C/07/182308 / HZ ZA 11-235


Vonnis van 8 april 2015


in de zaak van


[eisers],

wonende te [plaats],

eiseres,

advocaat mr. E.W. Stals te Enschede,


tegen


[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. M.H. Doornbos te Zwolle.



Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het tussenvonnis van 24 december 2014
  • - het herstelvonnis van 14 januari 2015
  • - de akte uitlating zijdens [eisers]
  • - de antwoordakte zijdens [gedaagde]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De verdere beoordeling

2.1.

Bij het tussenvonnis van 24 december 2014 heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de rol voor het nemen van een akte door [eisers] over hetgeen is vermeld onder 2.12, 2.14, 2.17 en 2.18 van dit tussenvonnis.


2.2.

In rechtsoverweging 2.12 van voormeld tussenvonnis gaat het om het verschil tussen de in opdracht van [eisers] door Cunningham Lindsey en de in opdracht van [gedaagde] door Het Rekenbureau berekende schadebedragen wegens verlies aan arbeidsvermogen en studievertraging. [eisers] stelt dat het voor haar, gezien het geringe verschil in uitkomst tussen de twee berekeningen, niet zinvol is om een nieuwe berekening te laten maken. Zij handhaaft haar oorspronkelijke vordering, betwist de stellingen van [gedaagde] en refereert zich ten aanzien van het verschil aan het oordeel van de rechtbank.

Nu de door Het Rekenbureau toegepaste correcties goed zijn onderbouwd en door [eisers] niet gemotiveerd zijn betwist zal de rechtbank met betrekking tot deze schadepost uitgaan van het door Het Rekenbureau berekende bedrag van € 52.603,00.


2.3.

In rechtsoverweging 2.14 van voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank [eisers] in de gelegenheid gesteld stukken (salarisstrookjes o.i.d.) in het geding te brengen waaruit blijkt welke inkomsten zij heeft gehad vanaf het ogenblik dat zij gestopt is met de studie HBO Recht tot het moment dat zij met de studie HBO Commerciële Economie is begonnen.

Uit de door [eisers] overgelegde loonstroken blijkt dat zij in genoemde periode een bedrag van (in elk geval) € 4.970,98 netto heeft verdiend bij Carinova. [eisers] stelt in haar akte dat in het bedrag van € 958,00 netto al een bedrag van € 300,00 is opgenomen inzake de bijbaan van [eisers] bij Carinova en dat het daarom niet redelijk is dat de rechtbank een bedrag van

€ 958,00 netto ter verrekening optelt bij de inkomsten van Carinova, omdat er op die manier sprake is van een dubbele verrekening.

[gedaagde] voert onder meer aan dat [eisers] onvoldoende informatie heeft verstrekt nu ze geen jaaropgaven heeft overgelegd.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Uit de door [eisers] overgelegde stukken blijkt genoegzaam wat [eisers] heeft verdiend in het verloren studiejaar. Zoals uit het tussenvonnis blijkt is van belang wat [eisers] in dat jaar (extra) heeft verdiend boven het inkomen van € 958,00 netto per maand dat zij als student had. Dit bedrag is genoemd in randnummer 2.3 van het rapport van de deskundige Grimm. In dit bedrag van € 958,00 is, blijkens de inhoud van het rapport, een bedrag van (gemiddeld) € 300,00 opgenomen dat [eisers] verdient uit de daar genoemde ‘bijbaantjes’. Het gaat om € 200,00 voor thuiszorg (bij Carinova zoals uit het rapport blijkt) en € 100,00 voor ‘samplen’. Deze bedragen zitten dus in die € 958,00. Dit betekent dat, anders dan [gedaagde] stelt, het bedrag van € 100,00 voor samplen buiten beschouwing moet blijven als extra inkomen. Ten aanzien van hetgeen [eisers] in het verloren studiejaar heeft verdiend bij Carinova dient op het bedrag van € 4.970,98 een bedrag van € 200,00 per maand buiten beschouwing te blijven omdat dit bedrag al is opgenomen in het bedrag van € 958,00 netto per maand. Aangezien het bedrag van € 4.970,98 betrekking heeft op een periode van 11 maanden dient, voor de berekening van wat [eisers] extra heeft verdiend, hierop een bedrag van € 2.200,00 (11 maal € 200,00) in mindering te worden gebracht, zodat resteert € 2.770,98. Dit bedrag moet worden verrekend met het in rechtsoverweging 2.2 genoemde bedrag van

€ 52.603,00, zodat als toe te wijzen schade wegens verlies aan arbeidsvermogen en studievertraging een bedrag resteert van € 49.832,02.


2.4.

In rechtsoverweging 2.17 van voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank [eisers] in de gelegenheid gesteld bij akte aan te geven hoe de tekst van de door [gedaagde] af te geven belastinggarantie moet luiden. [eisers] heeft in haar akte twee opties aangegeven voor deze tekst. Nu [gedaagde] in zijn antwoordakte heeft aangegeven dat hij in het geval de belastingdienst in de toekomst aan [eisers] aanslagen inkomstenbelasting en/of premies zal opleggen (in verband met de door [gedaagde] aan [eisers] ingevolge dit vonnis betaalde bedragen) verweer zal voeren, komt de tekst van optie 1 in aanmerking. Deze tekst dient te worden aangevuld met de door [gedaagde] in zijn antwoordakte aangegeven wijzigingen nu zulks in de praktijk gebruikelijke teksten zijn. De tekst van de belastinggarantie dient derhalve te luiden als nader aan te geven.


2.5.

Bij voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank in rechtsoverweging 2.18 aan [eisers] verzocht een hernieuwde renteberekening in het geding te brengen met betrekking tot de verschenen rente tot 1 januari 2015 over de in deze rechtsoverweging genoemde posten vanaf de aldaar genoemde data. Volgens [eisers] bedraagt de wettelijke rente € 2.541,87.

Volgens [gedaagde] is hij uiteindelijk nog een bedrag van € 898,00 verschuldigd nu door [gedaagde] ter zake van smartengeld voorschotten aan [eisers] zijn betaald.

Hieromtrent oordeelt de rechtbank als volgt.

Uit de door [eisers] overgelegde renteberekening over het smartengeld blijkt dat bij de berekening van de wettelijke rente over het smartengeld rekening is gehouden met de betaalde voorschotten. Voor zover [gedaagde] met zijn stelling bedoelt dat de door [eisers] berekende rente over het smartengeld niet juist is omdat met de betaalde voorschotten geen rekening is gehouden, dient daaraan te worden voorbijgegaan. Wel dient bij de vaststelling van wat [gedaagde] uiteindelijk nog aan [eisers] is verschuldigd wegens hoofdsom rekening te worden gehouden met de betaalde voorschotten. De rechtbank heeft dat al gedaan in rechtsoverweging 2.16 van haar tussenvonnis van 24 december 2014, alwaar zij, na aftrek van de betaalde voorschotten, een totaal toe te wijzen bedrag heeft berekend van € 6.742,38. Laatstgenoemd bedrag betreft de posten die vallen onder het door [eisers] gevorderde bedrag van € 33.431,32 (zoals door [eisers] gespecificeerd in de producties 4.1 tot en met 4.7 bij dagvaarding; zie ook rechtsoverweging 2.7 van het tussenvonnis van 24 december 2014).


2.6.

Het vorenstaande (en hetgeen in de andere tussenvonnissen reeds is beslist) samengevat is aan schade (hoofdsom plus wettelijke rente tot 1 januari 2015 toewijsbaar

€ 58.935,11 (€ 49.832,02 plus € 6.742,38, dit betreft de posten hiervoor genoemd in 2.3 en 2.5, plus € 2.360,71 te weten de kosten voor het inschakelen van Cunningham Lindsey). De wettelijke rente hierover is toewijsbaar vanaf 1 januari 2015.


2.7.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- in debet gestelde explootkosten € 68,11 (Gerechtsdeurwaarder C.J.B. Nijhuis)

- betaalde explootkosten 22,70

- griffierecht 1,00

- salaris advocaat 4.470,00 (5 punt × tarief € 894,00)

Totaal € 4.561,81

Aangezien aan [eisers] een toevoeging is verleend dienen de in debet gestelde explootkosten te worden voldaan aan de rechtbank Overijssel.


3De beslissing

De rechtbank


3.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de letselschade van [eisers] ontstaan als gevolg van ontuchtige handelingen door [gedaagde] waarvoor hij strafrechtelijk is veroordeeld bij vonnis d.d. 24 januari 2006 en verklaart voor recht dat causaal verband bestaat tussen de letselschade en het ontuchtige handelen,


3.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 58.935,11 (achtenvijftig duizendnegenhonderdvijfendertig euro en elf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 1 januari 2015 tot de dag van volledige betaling,


3.3.

bepaalt dat over de gehele uitgekeerde schade een belastinggarantie door [gedaagde] wordt verstrekt, met de navolgende tekst, ter meerdere zekerheid van [eisers] voor eventuele fiscale navorderingen:

I. Partijen zijn van mening dat de door de rechtbank Overijssel toegekende schadevergoeding niet aan de heffing van inkomstenbelasting en enigerlei premieheffing is onderworpen.

II. Indien desalniettemin vanwege de inspecteur der directe belastingen ter zake van de uitgekeerde schadebedragen aan [eisers] aanslagen inkomstenbelasting en/of premies zullen worden opgelegd, zal [gedaagde] voor verweer zorgdragen.

III. [eisers] zal op straffe van verval van haar aanspraken uit hoofde van deze garantie zich houden aan het volgende:

a. [eisers] zal in haar aangifte IB de schadevergoeding niet opgeven als belastbaar inkomen uit werk en woning (Box 1). Wel mogen alle gegevens met betrekking tot de schadevergoeding aan de inspecteur der directe belastingen worden verstrekt op een bijlage in de aangifte onder vermelding dat naar de mening van [eisers] en [gedaagde] de schadevergoeding belastingvrij is, en zij de schadevergoeding om die reden niet in de aangifte heeft opgegeven als belastbaar inkomen uit werk en woning (Box 1);

b. [eisers] zal direct met [gedaagde] contact opnemen zodra de inspecteur der directe belastingen bij haar informeert naar de herkomst of samenstelling van het uitgekeerde bedrag;

c. [eisers] zal zich - in de situatie bedoeld onder b - onthouden van het verstekken van informatie aan de belastingdienst en zal de informatieverstrekking overlaten aan [gedaagde];

d. [eisers] zal haar eventueel ter zake opgelegde aanslagen onmiddellijk na ontvangst aan [gedaagde] toezenden en verbindt zich tijdig alle medewerking te verlenen tot het indienen respectievelijk aanhangig maken van de door [gedaagde] opportuun c.q. nodig geachte bezwaarschriften respectievelijk beroepsprocedures bij de bevoegde rechter ter zake.

IV. Alle kosten, die aan deze bezwaarschriften respectievelijk beroepsprocedures verbonden zijn, komen voor rekening van [gedaagde].

V. Indien door [eisers] aan de in deze belastinggarantie vermelde voorwaarden is voldaan en/of het standpunt van de inspecteur desalniettemin geheel of gedeeltelijk door een kracht van gewijsde hebbende uitspraak van de fiscale rechter wordt bevestigd, zal [gedaagde] de inkomstenbelasting en premies over (het door de fiscale rechter als belast aangemerkte gedeelte van) de schadevergoeding voor zijn rekening nemen.

VI. Deze belastinggarantie heeft uitsluitend betrekking op de schadevergoeding wegens vermogensschade, waaronder begrepen verlies van arbeidsvermogen, studievertraging en smartengeld. Mitsdien zal de vraag of er sprake is van belastbaarheid moeten worden beoordeeld naar de situatie zoals deze was op het tijdstip waarop de schadevergoding is gedaan en uiterlijk naar de situatie op het tijdstip waarop deze overeenkomst is aangegaan.

VII. Deze belastinggarantie geldt derhalve niet voor belasting, die eventueel verschuldigd is over 2001 en/op daaropvolgende jaren op grond van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (Box 3), ook niet indien het hierboven vermelde bedrag of een gedeelte daarvan - mede - tot dat belastbaar inkomen heeft geleid.


3.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 4.561,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, waarvan € 68,11 aan in debet gestelde explootkosten te voldoen aan de griffier nadat [gedaagde] een nota van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) daarvoor heeft gekregen,


3.5.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,


3.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.2 tot en met 3.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,


3.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. J. van der Hulst en mr. M. Willemse en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2015.