Rechtbank Overijssel, 02-04-2015 / 08.760245-14 (P)


ECLI:NL:RBOVE:2015:1638

Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel veroordeelt een 24-jarige man uit Rheden tot 30 maanden celstraf wegens een overval met vuurwapen op een tankstation in Zwolle op 12 december 2014 en diefstal van een koptelefoon en een tablet in Arnhem. De man is drugs- en gokverslaafd en niet gemotiveerd om van zijn verslavingen af te komen. De rechtbank legt daarom een onvoorwaardelijke celstraf op.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-04-02
Publicatiedatum
2015-04-02
Zaaknummer
08.760245-14 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Zwolle


Parketnummer: 08.760245-14 (P)

Datum vonnis: 2 april 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] 1988 te [geboorteplaats] (Joegoslavië),

wonende [woonplaats 1],

nu verblijvende in de PI te Almelo.


1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 maart 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.C. Pol en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman

mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat te Arnhem, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in een tankstation [slachtoffer] heeft afgeperst;

feit 2: één of twee hoofdtelefoons van Bart Smit heeft gestolen;

feit 3: een Samsung Tablet van [bedrijf 1] Computerservice heeft gestolen.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


1.

hij op of omstreeks 12 december 2014 te Zwolle met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Total (tankstation), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij verdachte,

- gewapend met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp dat tankstation is binnen gegaan en/of (vervolgens)

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: “Geef me al je geld, snel meisje sneller” en/of “Geef me al je geld!” en/of “Ik wil echt alles”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] (daarbij) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond, althans duidelijk zichtbaar heeft voorgehouden en/of (vervolgens)

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: “doe de lade open en geef mij al je geld”,

althans woorden van gelijke aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 29 december 2014 te Arnhem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 2, althans 1 of meer hoofdtelefoon(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Bart Smit, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;


3.

hij op of omstreeks 29 december 2014 te Arnhem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een Samsung Tablet, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] Computerservice, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden met aftrek van het voorarrest. Ook heeft de officier van justitie toewijzing gevorderd van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 75,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling van het bewijs


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hij heeft zich voor feit 1 onder meer gebaseerd op de aangifte, de verklaring van getuigen [getuige 1] en [getuige 2], de camerabeelden van het tankstation en de coffeeshop, de herkenning naar aanleiding van de camerabeelden door verdachtes vader en getuige [getuige 2], de hotelovernachting in Arnhem en de verklaringen van getuigen [getuige 3] en [getuige 4]. Voor de feiten 2 en 3 heeft de officier van justitie zich gebaseerd op de aangiftes en de bekennende verklaring van verdachte.


De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster en de getuigen uitgesloten moeten worden van het bewijs omdat ze niet auditief zijn geregistreerd. Volgens de ‘aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten’ van het openbaar ministerie had dit, omdat het een 12-jaars feit betreft, wel gemoeten. Door dit onherstelbare verzuim valt nu niet meer na te gaan aan de hand van welke beelden cliënt zijn vader, [getuige 3] en [getuige 4] zijn cliënt herkennen. In het proces-verbaal met betrekking tot de vader van cliënt is opgenomen dat de man op de beelden van de coffeeshop één op één dezelfde is als de man in het tankstation. Als dat daadwerkelijk zo gezegd is, is er sprake van beïnvloeding. De raadsman is van mening dat in deze zaak bewijsuitsluiting op zijn plaats is.

Subsidiair heeft de raadsman vrijspraak bepleit omdat het harde bewijs ontbreekt dat de persoon op de twee momenten bij het tankstation en de persoon in de coffeeshop dezelfde zijn. De overvaller is in de richting van de coffeeshop gelopen, maar hij hoeft daar niet te zijn aangekomen. Getuige [getuige 1] heeft het over een Nederlandse jongen en dat is cliënt niet. Daarnaast is van de beelden ook ene [naam 1] herkend zodat de beelden ook op iemand anders kunnen slaan dan cliënt. Ook klopt de tijdlijn niet. De overvaller is om 21.55 uur afgezet in Deventer. Hij kan daar dus nooit de trein van 21.44 uur genomen hebben van Deventer naar Zutphen. Evenmin had hij om 22.10 uur het treinkaartje kunnen kopen in Zutphen.

Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat als zijn cliënt wel in Zwolle in de coffeeshop is geweest, hij nog niet degene hoeft te zijn die het tankstation heeft overvallen. Zo heeft getuige [getuige 1] bij het verlaten van het tankstation drie mannen, die vreemd gedrag vertoonden, zien staan bij de bushalte tegenover het tankstation. En op de beelden van de coffeeshop is een andere man te zien, die ook een jas met bontkraag draagt.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsman verklaard dat deze feiten bewezen kunnen worden.


5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


Ten aanzien van feit 1:


Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de ‘Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten’ (hierna: ‘Aanwijzing’) niet van toepassing is bij vervolging op grond van het eerste lid van artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Op het feit, zoals neergelegd in het eerste lid van artikel 317 Sr staat namelijk een strafbedreiging van 9 jaar. Van strafverzwarende omstandigheden, zoals omschreven in het derde lid is in casu geen sprake.

De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.


Uit de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast:

Op vrijdag 12 december 2014 stond [slachtoffer] voor het eerst alleen achter de balie van de winkel van het Total tankstation aan de Dijkstraat te Zwolle. Even na 20.00 uur kwam een jongeman binnen, gekleed in een lichte trui met daaroverheen een donkere jas met capuchon met bontkraag, een blauwe spijkerbroek en zwarte, iets glimmende schoenen. Hij had de capuchon ver over zijn hoofd getrokken. Hij liep op de balie af en zei tegen [slachtoffer] dat ze hem al het geld moest geven. Hierbij haalde hij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp uit zijn zak en legde dit voor hem neer op de balie.

[slachtoffer] heeft een bedrag van ongeveer € 1650,- aan voornamelijk briefjes van 10 en 20 euro uit de kassa gepakt en aan de overvaller gegeven. De overvaller heeft het geld en het op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn zak gestopt, waarna hij het tankstation heeft verlaten. [slachtoffer] zag dat hij de straat overstak. Ze hoorde later dat hij wegliep in de richting van coffeeshop [coffeeshop]. [slachtoffer] kon zijn gezicht naderhand beschrijven als smal met een blanke tot getinte huidskleur.


De politie heeft de camerabeelden van het tankstation bekeken en veiliggesteld. Bij het zoeken naar de juiste beelden zagen ze dat de overvaller omstreeks 19.03 uur ook al in het tankstation was geweest. Hij had wat rondgekeken en een collega van [slachtoffer] aangesproken. [getuige 1], de bewuste collega van [slachtoffer], wist zich dit nog te herinneren.

Beelden van de overvaller zijn onder andere getoond in het televisieprogramma ‘Opsporing Verzocht’.


De politie heeft ook de camerabeelden van coffeeshop [coffeeshop] van 12 december 2014, tussen 18.30 uur en 21.00 uur, bekeken en veiliggesteld. Op die beelden is te zien dat om 18.30 uur een jongeman, gelijkend op de overvaller, de coffeeshop binnenkomt. Hij heeft dan de capuchon over zijn hoofd. Om 19.54 uur komt hij weer binnen, ditmaal met zijn jas opgerold onder de arm. Om 20.47 uur verlaat hij de coffeeshop weer om, met zijn jas opgerold onder de arm, in een taxi voor de coffeeshop te stappen.


Naar aanleiding van een burgernetmelding op 12 december 2014 vlak na de overval, meldde getuige [getuige 2] zich om 22.03 uur. Hij verklaarde dat hij met zijn taxi even voor 21.00 uur een jongeman bij de coffeeshop [coffeeshop] had opgehaald en hem om 21.55 uur had afgezet op het station te Deventer. Bij het bekijken van de beelden van het tankstation van 19.03 uur verklaarde [getuige 2] de man te herkennen als zijn klant. Ook verklaarde hij dat zijn klant betaalde met zeven briefjes van 10 euro.


Naar aanleiding van een (herhaalde) uitzending van Opsporing Verzocht heeft getuige [getuige 3] verdachte herkend en contact opgenomen met de politie. Bij het zien van de beelden van de coffeeshop verklaarde [getuige 3] daarop ook verdachte te herkennen.

De beelden van het tankstation en de coffeeshop zijn ook getoond aan de ouders van verdachte. De vader van verdachte heeft verklaard dat hij zijn zoon in de coffeeshop voor 100% herkende en dat de persoon in het tankstation heel goed zijn zoon zou kunnen zijn.


Niet alleen [slachtoffer], maar ook de getuigen [getuige 1] en [getuige 3] herkennen verdachte op de verschillende beelden aan de hand van met name zijn kleding. De jas werd, zij het zonder bontkraag aan de jas, bij verdachte thuis aangetroffen en in beslag genomen. Tijdens zijn aanhouding ging verdachte gekleed in een witte trui en zwarte schoenen. Deze outfit had de specifieke kenmerken (embleem op de borst en de arm van de jas, witte trui daaronder gedragen en een glimmend plaatje op de schoenen) zoals ook op de camerabeelden is te zien bij de persoon, die de overval pleegt.


Ter terechtzitting van 19 maart 2015 heeft de rechtbank de beelden bekeken en geconstateerd dat de persoon in het tankstation en de persoon in de coffeeshop dezelfde kleur haar hebben en een zelfde knik in de haarlijn als verdachte.


Bij zijn fouillering werd bij verdachte een factuur van het [bedrijf 3] hotel te Arnhem aangetroffen. Verdachte heeft verklaard daar in de nacht van 12 op 13 december 2014 te hebben overnacht. Ook werd bij hem een treinkaartje voor het traject van Zutphen naar Brummen, aangeschaft op 12 december 2014 om 22.10 uur, aangetroffen.

De rechtbank maakt hieruit op dat verdachte in elk geval heeft gereisd van Zutphen naar Arnhem. De raadsman heeft aangevoerd dat het niet verdachte kan zijn geweest die door de taxichauffeur in Deventer is afgezet , omdat het onmogelijk is daar te 21.55 uur afgezet te zijn en vervolgens in Zutphen om 22.10 uur een treinkaartje te kopen naar Brummen.

De rechtbank overweegt echter dat het goed denkbaar is dat verdachte het in zijn bezit zijnde treinkaartje niet zelf heeft gekocht. De rechtbank acht het namelijk niet erg waarschijnlijk dat verdachte wel een kaartje voor een deel van het afgelegde traject heeft gekocht (tot Brummen), maar –volgens zijn zeggen- onvoldoende geld bij zich had om een kaartje te kopen voor het resterende traject Brummen-Arnhem. Verdachte heeft nagelaten (bij voorbeeld met behulp van zijn bankrekeningafschrift) te onderbouwen dat hij degene is geweest die op dat tijdstip het kaartje Zutphen-Brummen heeft gekocht. Het aangetroffen treinkaartje sluit aldus niet uit dat verdachte de dader van de overval is geweest.


Verdachte heeft enkele uren na de overval de factuur van het hotel in Arnhem à € 140,- (inclusief € 50,- borg) contant betaald, terwijl uit de persoonlijke omstandigheden van verdachte is gebleken dat hij moet rondkomen van een bijstandsuitkering. Verdachtes verklaring dat hij dat geld contant op zak had door zijn horloge en telefoon in onderpand te hebben gegeven, wordt door de rechtbank terzijde geschoven nu op basis van nader onderzoek door de politie is vastgesteld dat verdachte zijn telefoon pas na de overval heeft verpand.


De rechtbank heeft op basis van de genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en in de overige context bezien, de overtuiging bekomen dat verdachte de persoon op de beelden op de verschillende tijdstippen bij het tankstation en de coffeeshop dezelfde is en dat het verdachte is geweest die het tankstation heeft overvallen. Het onder feit 1 tenlastegelegde kan dus wettig en overtuigend bewezen worden.


Ten aanzien van de feiten 2 en 3:


De rechtbank overweegt dat ten aanzien van de tenlastegelegde diefstallen van twee koptelefoons van Bart Smit en een Samsung Tab3 tablet van [bedrijf 1] Computerservice sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom in de bijlage van dit vonnis volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.


5.3

De conclusie


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


1.

hij op 12 december 2014 te Zwolle met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan Total (tankstation), welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij verdachte,

- gewapend met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp dat tankstation is binnen gegaan en vervolgens

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: “Geef me al je geld, snel meisje sneller” en “Geef me al je geld!” en “Ik wil echt alles” en vervolgens

- die [slachtoffer] daarbij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond en vervolgens

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: “doe de lade open, geef mij al je geld”;


2.

hij op 29 december 2014 te Arnhem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 2, althans 1 of meer hoofdtelefoon(s), toebehorende aan Bart Smit;


3.

hij op 29 december 2014 te Arnhem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een Samsung Tablet, toebehorende aan [bedrijf 1] Computerservice.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 310 en 317 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


feit 1

het misdrijf: afpersing


feiten 2 en 3, telkens

het misdrijf: diefstal


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.


8De op te leggen straf of maatregel en de gronden daarvoor


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft zich op 12 december 2014 in de avond schuldig gemaakt aan een afpersing van een jonge vrouw, die voor het eerst achter de balie van een tankshop stond. Om de vrouw te bewegen tot afgifte van het geld in de kassa heeft verdachte haar bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Op 29 december 2014 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van twee koptelefoons en een Samsung tablet bij twee winkels.


Verdachte heeft zijn zucht naar buit voorop laten staan en daarbij geen enkel oog gehad voor de nadelige gevolgen voor de slachtoffers. Winkeldiefstallen zorgen voor veel overlast en schade bij de benadeelden. Ook al wordt er voor relatief lage bedragen gestolen, het bezorgt de winkeliers extra werk en het levert de middenstand jaarlijks een grote schadepost op.

Voor dat slachtoffer van de afpersing was het een zeer beangstigende ervaring, wat ook blijkt uit haar schriftelijke slachtofferverklaring.

Een dergelijke overval zorgt daarnaast ook maatschappelijk voor gevoelens van onrust en onveiligheid. Verdachte is hiervoor verantwoordelijk. De rechtbank rekent dat verdachte aan.


Bij haar beslissing heeft de rechtbank acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 30 december 2014, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor diefstallen en geweldsdelicten. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte op 23 januari 2015 is veroordeeld door de Politierechter te Arnhem tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken voor een diefstal met braak uit een bedrijf/kantoor. De rechtbank zal deze veroordeling meewegen in het kader van artikel 63 Sr.


De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Het LOVS geeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van een overval van een winkel met licht geweld / bedreiging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar.

In dit geval heeft de rechtbank als strafverzwarend meegewogen dat er bij de overval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp is gebruikt. De twee diefstallen op 29 december 2014 werken ook strafverhogend.


In het kader van deze strafzaak heeft M. Reeders van Tactus Verslavingszorg, op 24 februari 2015 een reclasseringsadvies uitgebracht. In het advies wordt beschreven dat er bij verdachte sprake is van middelengebruik en problematisch gokgedrag, waarbij het verdachte ontbreekt aan zelfinzicht. Verder heeft hij schulden en geen zinvolle dagbesteding. De reclassering schat het recidiverisico hoog in, net als het risico op het onttrekken aan voorwaarden. De reclassering adviseert verdachte nader te laten onderzoeken en aan hem de bijzondere voorwaarden op te leggen van de meldplicht, de gedragsinterventie Arbeidsvaardigheden en een ambulante behandelverplichting bij IrisZorg Verslavingszorg. Tot slot geeft de reclassering aan dat verdachte akkoord gaat met het advies, maar dat hij niet vindt dat hij nog een behandeling nodig heeft bij de verslavingszorg.

De rechtbank heeft ter terechtzitting dezelfde houding van verdachte gezien ten opzichte van zijn drugs- en gokverslaving en de hulp om van zijn verslavingen af te komen als de reclassering. Nu verdachte niet -intrinsiek- gemotiveerd is voor hulp bij zijn verslaving, ziet de rechtbank geen nut in het opleggen van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. De rechtbank zal daarom aan verdachte een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.


9De schade van benadeelden


9.1

De vordering van de benadeelde partij


[benadeelde], wonende te [woonplaats 2], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 289,57. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • - Samsung tab3 tablet à € 214,57;
  • - verloren werktijd à € 75,-.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit 3 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De door verdachte gestolen Samsung tablet is echter op de dag van de diefstal onder verdachte in beslag genomen. Omdat zich in het dossier geen beslaglijst bevindt houdt de rechtbank het er dan ook voor dat deze tablet inmiddels is teruggegeven aan de eigenaar. De benadeelde partij zal voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De opgevoerde verloren werktijd is voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 75,-. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.


9.2

De schadevergoedingsmaatregel


De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 3 is toegebracht.


10De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 27 en 57 Sr.

11De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:feit 1: afpersing
feiten 2 en 3 telkens: diefstal

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde;


straf

  • - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden;
  • - bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

  • - veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde], wonende te [woonplaats 2], van een bedrag van € 75,- (zegge: vijfenzeventig euro);
  • - veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
  • - bepaalt dat de benadeelde partij voor het meerdere niet-ontvankelijk is in zijn vordering;
  • - legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 3 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 75,- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 1 dag zal worden toegepast;
  • - bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aksu, voorzitter, mr. S.M. Milani en mr. S. Taalman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Blauw, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2015.

Mr. Taalman en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de Politie Eenheid Oost-Nederland, District IJsselland, recherche Zwolle, project/onderzoek Diesel, met dossiernummers 2014216345 (feit 1), 2014243351 (feit 2) en 2015008102 (feit 3). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


Als bewijsmiddelen voor feit 1 gelden:


De aangifte van [slachtoffer] d.d. 12 december 2014 (pag. 1:1 en 1:2) waarin zij onder meer het volgende heeft verklaard:

(…) Op vrijdag 12 december 2014, omstreeks 20.05 uur was ik werkzaam achter de balie in de winkel van het tankstation Total aan de Dijkstraat te Zwolle. (…) Ik zag dat er een man in de winkel kwam. Ik zag dat deze man een capuchon met bontkraag over zijn hoofd droeg. Ik zag dat de man doorliep naar de balie. Ik hoorde dat de man zei: ’Geef me al je geld.” Ik beschrijf deze man die ik vanaf nu verdachte noem als volgt: Man, leeftijd 20 tot 25 jaar oud, lengte 1,75 meter tot 1,80 meter, tenger postuur, blanke tot getinte huidskleur, smal gezicht met beginnende stoppeltjes boven de bovenlip, onder de onderlip en op de kaken en wangen. Ik zag dat de verdachte gekleed was in een zwarte stoffen jas, voorzien van een capuchon met bontkraag. De jas bevatte volgens mij alleen een rits, dus geen knopen. Ik zag dat de man een donkerblauwe spijkerbroek droeg. (…) Ik hoorde dat de verdachte zei:” Geef me al je geld, snel, geef snel, meisje gewoon sneller. Ik hoorde dat de verdachte zei: ”Ik wil echt alles.” Ik hoorde dat de man geen algemeen beschaafd Nederlands sprak maar met een buitenlands accent. Wat voor accent weet ik niet. Ik zag dat de verdachte ter hoogte van zijn middel aan de rechter zijde van zijn lichaam pakte een vuurwapen pakte. (…) Ik zag dat de verdachte met zijn rechter hand het vuurwapen op de balie legde. Ik zag dat de verdachte het vuurwapen met de zijkant op de balie legde waarbij hij het vuurwapen vast bleef houden. Ik zag dat de verdachte het vuurwapen met de voorzijde op mij richtte. (…) Ik zag dat het handvat van het vuurwapen in de mouw van de verdachte zat. Ik zag dat het vuurwapen erg leek op het vuurwapen wat u bij u draagt. Ik zag wel dat het vuurwapen van de verdachte kleiner was. Ik hoorde dat de verdachte gedurende de tijd dat hij in de winkel was steeds zei geef me je geld, sneller, geef me je geld of woorden van gelijke strekking. Ik hoorde dat de verdachte zei: ”Doe de lade open, geef me al je geld.” Ik opende de lade en ik gaf de verdachte al het briefgeld wat in de lade zat. (…) Het totale weggenomen bedrag is 1656, 71 euro. Ik heb vooral briefgeld aan de verdachte gegeven. Ik gaf hem vooral biljetten van 20 euro en van 10 euro. (…) Ik zag dat de verdachte vervolgens de Dijkstraat overstak. Later hoorde ik van een getuige dat de verdachte verder was gelopen in de steeg die leidt naar de parkeergarage en naar de coffeeshop [coffeeshop]. (…)

Ik hoor net van mijn baas, [naam 2], dat de vermoedelijke dader ook op de beelden van eerder van vandaag staat. Ik herinner me nu die man ook wel. Vandaag, vrijdag 12 december 2014, omstreeks 19.15 uur zag ik dat er een man in de winkel liep. Het viel mij op dat de man overal in de winkel aan het kijken was. Ik beschrijf deze man als volgt: Man, leeftijd 20 tot 25 jaar oud, lengte 1,75 meter tot 1,80 meter, tenger postuur, blanke tot getinte huidskleur, smal gezicht met beginnende stoppeltjes boven de bovenlip, onder de onderlip en op de kaken en wangen, donkerbruin tot zwart haar kort gedragen. Ik zag dat de man bruine ogen had. Ik zag dat de verdachte gekleed was in een zwarte stoffen jas, voorzien van een capuchon met bontkraag. Ik zag dat de man een donkerblauwe spijkerbroek droeg. Ik zag dat de man zwarte schoenen met platte zolen droeg. Ik omschrijf die schoenen meestal als kampsloffen. Ik zag dat de man een zwarte cap van het merk Nike droeg. Ik zag dat de cap een klein Nike logo bevatte. (…)


Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d. 15 december 2014 (pag. 1:7) waarbij zij onder meer het volgende heeft verklaard:

(…) op vrijdagavond 12 december 2014 rond 19.00 uur ging ik een collega van mij opzoeken bij het Total tankstation aan Dijkstraat 2 te Zwolle. (…) Omstreeks 19.15 zag ik dat er een jongen binnen kwam lopen. Ik zou hem omschrijven als een ‘straatjongen’. Dit kwam door zijn manier van lopen en zijn kleding. Hij had een broek die zo laag hangt, die je eigenlijk omhoog moet houden. Hij had verder een donkerblauwe pet van het merk Nike op en een donkere jas met een dikke bontkraag. Ik heb een driehoekig embleem van een merk op de jas gezien. (…) De jongen had een smal gezicht met ingevallen wangen. Ik zou het omschrijven als een ‘drugshoofd’. Ik schat hem rond de 25 jaar oud. Ik hoorde dat hij op een zachte toon praatte. (…) Ik hoorde dat hij een eenvoudige manier van praten had. Hiermee bedoel ik straattaal. Dit paste precies bij hoe hij eruit zag. (…)


Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] d.d. 12 december 2014 (pag. 1:11 en 1:12) waarbij hij onder meer het volgende heeft verklaard:

(…) Ik ben taxichauffeur van [bedrijf 2]. (…) [naam 3] vroeg aan mij of ik een persoon kon wegbrengen die in de Coffeeshop zat. (…) Dit was naar coffeeshop [coffeeshop] in Zwolle, net achter het tankstation Total. U vraagt mij waar de jongen heen moest. De jongen gaf mij aan dat hij naar het station moest en hoeveel hij daarvoor moest betalen. Ik gaf aan dat dit 12,- euro was. De jongen vroeg toen hoeveel hij moest betalen om naar Deventer te gaan. Dit moest ik eerst overleggen met de centrale. In overleg met de centrale moest de jongen voor deze rit 70,- euro betalen. (…) Ik heb de jongen vervolgens naar Deventer gebracht. (…) De jongen heeft mij 70,- euro betaald en ik zag en hoorde dat hij briefgeld aan het tellen was. (…) Ik vond de jongen heel erg nerveus. De jongen vroeg mij meerdere malen of er camera’s in de taxi hingen. Ik vroeg hem naar de zoveelste keer waarom hij dit wilde weten. Ik hoorde hem zeggen dat dit alleen maar interesse was. Ik gaf hem aan dat als hij mij met rust zou laten er verder niks aan de hand was. (…) Ik heb de jongen vlakbij het station in Deventer afgezet op een kruispunt. (…) Op mijn rittenstaat staat dat ik daar om 21.55 uur, aankwam. (…) Ik kan de jongen als volgt omschrijving:

-Blank/getint

-173 centimeter (niet lager dan dat ik ben)

-Mager postuur

-Zwarte schoenen (donker van kleur)

-Lichte spijkerbroek

-Wollen trui, wit van kleur

-Jas, zwart van kleur opgerold in zijn handen. Geen bontkraag

-Erg nerveus (…)


Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 december 2014 (pag. 1:14) waarin verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant], respectievelijk brigadier en BOA, onder meer het volgende hebben gerelateerd:

(…) Getuige [getuige 2] had een verklaring afgelegd waaruit naar voren kwam dat hij een jonge man in zijn taxi naar Deventer had gebracht. Hij had deze man opgepikt in coffeeshop [coffeeshop] in Zwolle. De passagier kwam op hem nerveus over en betaalde zijn rit met 7 bankbiljetten van 10 euro. (…) Aan getuige [getuige 2] toonden wij, verbalisanten de beelden van de dader van de overval. Dit zijn de beelden van het moment dat de dader ongeveer 1 uur voor de overval in de shop aanwezig is. Hij kijkt dan om zich heen en loopt wat rond in de shop. Kennelijk is hij aan het voor verkennen. Hij draagt dan een blauwe basebalpet, maar heeft de capuchon niet over zijn hoofd. Dit was ten tijde van de overval wel het geval.

Bij het zien van de beelden verklaarde getuige [getuige 2]:

* ik denk wel dat dit de man is die ik ook in mijn taxi heb gehad,

* ik herken hem aan de vorm van zijn gezicht, korte haar en wat spitse oren,

* ik herken hem ook aan de manier waarop bij zijn armen beweegt,

* ik zie dat hij onder zijn jas een witte trui draagt net als de jongen die ik in de taxi had,

* de schoenen zijn ook soortgelijk,

* ik herken de jas niet. de jongen die ik vervoerde had zijn jas opgerold bij zich en deed hem aan toen hij uitstapte. (…)

Verder gaf getuige [getuige 2] aan dat de jongen slecht Nederlands sprak. Hij had een buitenlands accent. (…)


Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 december 2014 (pag. 1:17 en 1:18) waarin verbalisant [verbalisant], brigadier, onder meer het volgende heeft gerelateerd:

(…) Beelden Tankstation Total

Kort samengevat is op de beelden van het tankstation te zien dat de overvaller de overval pleegt en dat hij 40 minuten daarvoor ook in de shop van het tankstation is geweest.

Dat het om dezelfde persoon gaat is af te leiden uit het postuur en uiterlijk van de persoon. Tijdens de overval droeg de overvaller een capuchon over zijn hoofd, maar een deel van zijn gezicht blijft zichtbaar.

De kleding:

*donkere jas met opvallend embleem op de linkerborst en witte tekst (vermoedelijk merk) op de onderkant van de linker mouw. Op de jas zat een capuchon met bontkraag.

*Onder de jas draagt hij een lichtkleurig trui/vest.

* Zwarte schoenen die ietwat glimmend zijn.

* donkere broek (…)

Noot verbalisant:

Aangeefster gaf tijdens het doen van de aangifte aan dat de dader eerder in de shop van het tankstation was geweest en daar enkele minuten had rondgekeken zonder wat te kopen.

Beelden coffeeshop [coffeeshop]

(…) Kort samengevat is op deze beelden te zien dat de overvaller voor de overval op vrijdag 12 december 2014, omstreeks 18.30 uur de coffeeshop binnen komt. Hij is van de beelden herkenbaar aan zijn uiterlijk, postuur, kleding, schoenen en haardracht.

Kort na binnenkomst verlaat hij de coffeeshop en komt dan circa 10 minuten na de overval de coffeeshop weer binnen. Hij heeft dan de jas opgerold onder zijn arm. Vervolgens verlaat hij de coffeeshop en neemt een taxi.

Tijdslijn beelden:

Voorverkenning :

Entree coffeeshop voor de overval 18:30 uur

Binnenkomst tankstation kennelijk voorverkenning 19:03:28 uur

(loopt kennelijk doelloos rond te drentelen)

Aanspreken medewerkster tankstation 19:06 uur

(vragen om een klein zakje chips)

Verlaten tankstation 19:06:42 uur

Overval :

Binnenkomst met capuchon over hoofd 19:43:37 uur

loopt snel naar balie legt pistool op de balie

eist geld en stop de gekregen bankbiljetten

in zijn jaszak

Verlaat tankstation 19:44:23 uur

Coofeeshop [coffeeshop]:

Entree na de overval met jas opgerold onder de arm 19:54:39 uur

Verlaten coffeeshop met jas opgerold onder de arm 20:47:27 uur

Stap in de taxi voor de coffeeshop 20:47:30 uur

(…) Te zien is dat de verdachte een witte trui draagt met een rits aan de voorzijde. Aan de ritssluiting hangt een zwart lipje. Deze trui is soortgelijk als de trui die de verdachte ten tijde van zijn aanhouding droeg. (…)


Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] d.d. 29 december 2014 (pag. 1:33 en 1:34) waarbij hij onder meer het volgende heeft verklaard:

(…) Vandaag, maandag 29 december 2014, zat ik met mijn vriendin [getuige 4], op mijn

iPad via ‘uitzending gemist’ de uitzending te kijken van het opsporingsprogramma ‘Opsporing Verzocht’ van 16 december 2014. In deze uitzending werden beelden getoond van de overval op een tankstation in Zwolle.

Bij het zien van de beelden van zowel het tankstation als van de coffeeshop, herkende ik de dader onmiddellijk. Het is [verdachte] uit [woonplaats 1]. [verdachte] is ongeveer 25 of 26 jaar oud. Ik ken hem al sinds de middelbare school dus dit is al zo’n 15 jaar. (…) We woonden vroeger allebei in het dorp [woonplaats 3]. We zagen elkaar tijdens het uitgaan. We hingen ook op straat met elkaar. We hebben destijds ook samen drugs gebruikt. Ik gebruikte dan cocaïne en hij gebruikte Speed. (…) De laatste 9 maanden kom ik [verdachte] nog wel eens tegen in het dorp, (…)

Op de beelden die werden getoond bij ‘Opsporing Verzocht’ herkende ik [verdachte] onmiddellijk aan de volgende zaken:

- zijn manier van lopen

- zijn houding en postuur

- zijn hand- en armgebaren. Op de beelden spreekt hij op een gegeven moment met de verkoopster van het tankstation. Ik zag dat hij hierbij een handbeweging maakt en zijn arm hierbij omhoog houdt. Hij houdt zijn hoofd dan een beetje scheef. Deze manier van doen is specifiek voor [verdachte]. Ik weet dit omdat ik hem al zo lang ken.

- zijn gezicht. [verdachte] is blank met een grauwe huidskleur. Hij ziet er slecht uit door de drugs. Hij heeft ingevallen wangen.

- Zijn lengte. [verdachte] is ongeveer 175-180 cm lang

- Zijn haar. [verdachte] heeft kort donkerbruin tot zwart haar.

- Zijn leeftijd. [verdachte] is 25 of 26 jaar oud.

- Zijn kleding. Ik heb [verdachte] ongeveer twee weken geleden, samen met mijn vriendin, voor het laatst gezien op het station in [woonplaats 3]. Hij had toen dezelfde jas aan als op de beelden van de overval. Dit is een donkere jas met een capuchon met een bontkraag en een logo van een merk op de borst. Hij had toen de capuchon op zijn hoofd. (…)

- [verdachte] spreekt ‘straattaal’ en binnensmonds. Hij praat zoals Arabische jongens onderling met elkaar praten. (…)

Toen ik [verdachte] enkele weken geleden op het station in [woonplaats 3] zag, zag ik dat hij in elkaar gedoken zat met zijn jas aan met de capuchon met bontkraag op zijn hoofd. Hij zag er slecht uit en had een ingevallen gezicht. Je kunt echt zien dat hij nog aan de drugs zit. (…)

De eigen waarneming en constatering van de rechtbank van de tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 19 maart 2015 getoonde beelden van het tankstation en de coffeeshop. De rechtbank heeft geconstateerd dat de persoon op de beelden van het tankstation van 19.03 uur en de coffeeshop van 19.54 uur een gelijke haarlijn en haarkleur hebben als verdachte. Verder heeft de rechtbank geconstateerd dat verdachte een dialect spreekt wat het beste te duiden is als ‘straattaal’.


Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 januari 2015 (pag. 1:42 en 1:43) waarin verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant], brigadiers, onder meer het volgende hebben gerelateerd:

(…) Na zijn aanhouding werd in de fouillering van de verdachte [verdachte] een factuur

van een overnachting aangetroffen. Op de factuur staan twee data vermeld, te weten 12 en 13 december 2014. Genoemde factuur zal als bijlage bij dit proces-verbaal worden gevoegd.

Ten einde duidelijk te krijgen welke periode de verdachte [verdachte] precies in het hotel had verbleven deden we navraag bij het personeel. Wij spraken met [naam 4]. Zij is als General Manager werkzaam in genoemd [bedrijf 3] hotel.

In ons bijzijn raadpleegde zij het gasten register en gaf aan dat [verdachte] op zaterdag 13 december 2014 te 01.11 uur in het hotel had ingecheckt. (…) Hij had het hotel direct cash afgerekend, te weten 140 euro, waarvan 50 euro borg. (…) Hij had zich gelegitimeerd middels een verblijfsdocument. De verdachte had op 13 december 2015, te 07.43 uur uitgecheckt. (…)


Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 januari 2015 (pag. 1:46 en 1:47) waarin verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant], brigadiers, onder meer het volgende hebben gerelateerd:

(…) In de woning spraken we met de ouders van de verdachte [verdachte], te weten

[bedrijf 3], geboren [geboortedatum 2] 1964 en [naam 5], geboren [geboortedatum 3] 1966. (…)

Wel vroeg ik, verbalisant [verbalisant] aan de vader of hij de beelden van de overval in Zwolle, getoond in Opsporing Verzocht had gezien.

Hij antwoordde dat hij de uitzending later op internet had opgezocht. Hij herkende van de getoonde beelden zijn zoon als zijnde de jongen die in de witte trui de coffeeshop binnen ging. Hij herkende hem voor 100%. Door mij, verbalisant [verbalisant] werden aan vader beelden getoond, waarbij moeder (…) mee keken.

Beelden:

* 1e aankomst verdachte in coffeeshop, waarbij hij zijn jas nog aan heeft en een blauwe basebalpet op zijn hoofd draagt. (…)

Bij het zien van de beelden hoorden wij vader zeggen: “dit is mijn zoon, ik herken hem”

* vervolgens werden de beelden getoond waarop te zien is dat de verdachte enige minuten rond loopt in de shop van het tankstation zonder wat te kopen.

Bij het zien van deze beelden hoorden wij vader zeggen: “dit kan heel goed mijn zoon zijn, hij lijkt erg veel op [verdachte]”

* vervolgens werden de beelden getoond waarop te zien is dat de verdachte de overval pleegt.

Bij het zien van deze beelden hoorden wij vader zeggen: “dit kan heel goed mijn zoon zijn” (…)

* vervolgens werden er beelden getoond waarop de verdachte in een witte trui met de jas opgevouwen onder zijn arm de coffeeshop na de overval binnen gaat. Bij het zien van deze beelden hoorden wij vader zeggen: “dit is 100% mijn zoon. Ik kan hem heel goed herkennen van deze beelden.

(…) Bij het zien van de beelden in het tankstation gaf moeder aan dat de dader wel op [verdachte]

leek. (…)


Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 februari 2015 (pag. 1:19 tot en met 1:29, inclusief fotobladen) waarin verbalisant [verbalisant], brigadier, onder meer het volgende heeft gerelateerd:

(…) Tijdens de doorzoeking in de woning van de verdachte werd een soortgelijke jas aangetroffen als die de overvaller droeg. De capuchon met bontkraag zat echter niet op de jas. De capuchon is middels een rits afneembaar.

Tijdens zijn aanhouding ging de verdachte gekleed in een witte trui en droeg hij donkere schoenen.

Genoemde kleding en schoenen werden vergeleken met de kleding die de overvaller droeg.

Dit leverde de volgende overeenkomsten op.

JAS:

Merk embleem “Ellesse” op linkerborst jas en onderzijde linkermouw

zie hiervoor bijgevoegde fotobladen l, 2,en 3.

SCHOENEN:

Donkere lage schoenen rond de neus en op wreef glimmende delen.

zie hiervoor bijgevoegde fotobladen 4, 5 en 6.

TRUI:

Lichtkleurige trui met rits. Aan ritsluiting zit zwart lipje.

Te zien is dat de overvaller onder zijn jas een lichte trui draagt.

Na de overval heeft de overvaller zijn jas uitgetrokken en loopt in de lichte trui naar de coffeeshop, alwaar hij enige tijd verblijft.

zie bijgevoegde fotobladen 7, 8, 9 en 10.

NOOT VERBALISANT:

Op de bewegende beelden in tankstation en coffeeshop zijn de vergelijkingen duidelijker waar te nemen dan op bijgevoegde prints. (…)


Het proces-verbaal relaas van onderzoek d.d. 13 februari 2015 (pag. 11) waarin verbalisant [verbalisant], brigadier, onder meer het volgende heeft gerelateerd:

(…) Na zijn aanhouding werd bij de verdachte [verdachte] een treinkaartje aangetroffen van Zutphen naar Brummen. Uit het treinkaartje valt op te maken dat deze in Zutphen is aangeschaft op de dag van de overval, te weten 12 december 2014, te 22.10 uur. (…)


Het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 5 januari 2015 (pag. 44 en 45) waarbij verdachte onder meer het volgende heeft verklaard:

(…) V= Waar betaal je het hotel dan van?

A= Het was maar 90 euro meneer. Ik krijg een uitkering. Daar betaal ik dat van. Ook heb ik misschien wel wat verpand of verkocht, ik had het gewoon op zak dat geld. Ik had onder andere een telefoon en een horloge verpand. (…)

V= We tonen je nu een factuur van genoemd hotel, je bent daar in de nacht van 12 op 13 december geweest. Je hebt de 24e december je telefoon ingeleverd bij het pandjeshuis dus je kunt het hotel hier niet van betaald hebben, hoe zit dat nu dan?

A= Meneer, mijn horloge en mijn telefoon hebben 100 euro opgebracht. Hier heb ik onder andere het hotel van betaald.

V= Maar dat kan niet, je hebt 13 december in het hotel gelogeerd, dus toen had je de telefoon nog niet verpand, we zullen het voor je uittekenen. Hoe zit dat nu?

A= Dan was het met ander geld, misschien wel het geld van de opbrengst van mijn horloge. Ik had rond de 80 euro voor mijn horloge gekregen, deze had ik verkocht aan het pandjeshuis. (…)


Als bewijsmiddelen voor feit 2 gelden:

het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 maart 2015, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering;

de aangifte van [naam 6] namens Bart Smit te Arnhem (pag. 2:3 tot en met 2:5).


Als bewijsmiddelen voor feit 3 gelden:

het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 maart 2015, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering;

de aangifte van [naam 6] namens [bedrijf 1] Computerservice (pag. 3:10 tot en met 3:12, inclusief bijlage goederen).