Rechtbank Overijssel, 27-03-2015 / C/08/168584 / KG ZA 15-66


ECLI:NL:RBOVE:2015:1687

Inhoudsindicatie
Executiegeschil notariële akte van verdeling.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-03-27
Publicatiedatum
2015-04-07
Zaaknummer
C/08/168584 / KG ZA 15-66
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer: C/08/168584 / KG ZA 15-66

datum vonnis: 27 maart 2015


Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:



[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

verder te noemen de man,

advocaat: mr. S. Erkel te Enschede,


tegen


[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

verder te noemen de vrouw,

advocaat: mr. E.G. Blankestijn te Enschede.



1Het procesverloop


1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding met 9 producties,
  • - de conclusie van antwoord aan de zijde de vrouw met 4 producties,
  • - productie 10 aan de zijde van de man,
  • - de mondelinge behandeling op 13 maart 2015,
  • - de pleitnota aan de zijde van de man.

1.2

Het vonnis is bepaald op vandaag.


2De feiten


2.1

[1989] zijn partijen met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd.


2.2

Bij beschikking van 18 augustus 2010 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking op 26 augustus 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.


2.3

Partijen hebben de gevolgen van de echtscheiding vastgelegd in het echtscheidingsconvenant d.d. 9 augustus 2010.

2.4

Tot de gemeenschap van partijen behoorde de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] (hierna te noemen: de woning). In het convenant hebben partijen onder meer vastgelegd dat de woning aan de man zou worden toebedeeld onder de voorwaarde dat de vrouw zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en dat de man de helft van de overwaarde, te weten € 128.000,00, aan de vrouw zou voldoen.


2.5

Op 21 oktober 2010 zijn partijen een afwijkende regeling overeengekomen in de akte van verdeling woning na echtscheiding. In deze akte is -voor zover van belang- het volgende bepaald:


“Partijen verklaren dat in verband met bovenstaande verdeling de man is overbedeeld met een waarde van één honderd acht en twintig duizend euro (€ 128.000,00), als gevolg waarvan hij een schuld heeft ten bedrage van één honderd acht en twintig duizend euro € 128.000,00) aan de vrouw.

In afwijking van gemeld echtscheidingsconvenant zijn partijen inzake de betaling van dit bedrag als volgt overeengekomen. Van gemeld bedrag is heden door de man vijftig duizend euro (€ 50.000,00) aan de vrouw voldaan door overmaking naar een bankrekening (derdengeldenrekening) van de notaris.

(…)

Het restant ad. acht en zeventig duizend euro (€ 78.000,00) zal door de man aan de vrouw worden voldaan:

  • - bij aankoop en levering van een eigen woning door de vrouw, of
  • - zodra de zoon van partijen gemeld registergoed aan de [adres] te [plaats] (geheel of ten dele) wenst over te nemen, of
  • - bij verkoop en levering van gemeld registergoed aan de [adres] te [plaats] door de man,
  • - doch uiterlijk vier (4) jaar na heden.

De vrouw stemt er uitdrukkelijk mee in dat, in afwijking van gemeld echtscheidingsconvenant, de akte van verdeling en levering thans wordt getekend en dat zij gemeld restant-bedrag ad. acht en zeventig duizend euro (€ 78.000,00) later ontvangt, zoals hiervoor vermeld.


2.6

In het voorjaar van 2014 heeft de vrouw aan de man gemeld dat zij een woning wenste te kopen en heeft zij aangedrongen op betaling van hetgeen de man nog aan haar verschuldigd was.


2.7

Bij aangetekende brief van 22 mei 2014 heeft de vrouw de man gesommeerd om over te gaan tot betaling van hetgeen de man nog aan de vrouw verschuldigd was.


2.8

Op 21 november 2014 heeft de vrouw executoriaal beslag doen leggen op de woning van de man. Op 10 december 2014 heeft de vrouw executoriaal derdenbeslag doen leggen op alle gelden van de man bij de Rabobank.


3Het geschil


3.1

De man vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,




I. primair de vrouw te veroordelen tot opheffing van alle door haar ten laste van de man en op grond van de akte van verdeling gelegde executoriale beslagen binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis en de tenuitvoerlegging van de akte van verdeling te schorsen en de vrouw te gebieden de tenuitvoerlegging geschorst te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

II. subsidiair de tenuitvoerlegging van de akte van verdeling te schorsen en de vrouw te gebieden de tenuitvoerlegging geschorst te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

III. meer subsidiair de vrouw te veroordelen tot opheffing van alle door haar ten laste van de man en op grond van de akte van verdeling gelegde executoriale beslagen voor zover deze zien op een hoger bedrag dan primair € 30.041,65 en subsidiair een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis en de tenuitvoerlegging van de akte van verdeling te schorsen voor zover deze het bedrag van primair € 30.041,65 en subsidiair een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag te boven gaat en de vrouw te gebieden de tenuitvoerlegging geschorst te houden voor zover deze het bedrag van primair € 30.041,65 en subsidiair een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag te boven gaat, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

IV. uiterst subsidiair de tenuitvoerlegging van de akte van verdeling te schorsen voor zover deze het bedrag van primair € 30.041,65 en subsidiair een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag te boven gaat, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

V. een voorlopige voorziening te treffen zoals de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te bepalen;

VI. de vrouw te veroordelen in de proceskosten en in de nakosten.


3.2

De man stelt daartoe dat hij tijdens zijn huwelijk met de vrouw vermogen onder uitsluitingsclausule heeft ontvangen uit hoofde van twee nalatenschappen. De eerste nalatenschap betreft de nalatenschap van zijn oom en tante van € 46.020,82. Na aftrek van successierechten en na verhoging van rente is een bedrag van € 29.887,45 uitbetaald. De tweede nalatenschap betreft de nalatenschap van de ouders van de man. Vanuit deze nalatenschap is een bedrag van in totaal € 59.200,56 ontvangen. In totaal is dus een bedrag van € 89.088,01, dat door de man onder uitsluitingsclausule is verkregen, ten onrechte in de gemeenschap van goederen gevloeid. De man heeft een reprisevordering op de vrouw van 50% van € 89.088,01 = € 44.544,00. De man stelt primair dat de reprisevordering nooit besproken is tijdens de mediation en in het daaropvolgende convenant. Subsidiair stelt de man dat hij nooit de wil heeft geuit om afstand te doen van zijn reprisevordering. De man heeft derhalve een verrekenbare vordering op de vrouw, zodat hij per saldo niet € 78.000,00, maar € 33.456,00 is verschuldigd aan de vrouw. Vanuit het eerst gelegde beslag op de bankrekening bij de Rabobank is inmiddels een bedrag van € 3.414,35 voldaan, zodat de man nog slechts een bedrag van € 30.041,65 aan de vrouw is verschuldigd. De man is bereid dit bedrag aan de vrouw te betalen, maar door de blokkerende werking van het beslag is dit voor hem onmogelijk.


3.3

De vrouw voert verweer. Op dit verweer wordt hierna -voor zover van belang- nader ingegaan.


4De beoordeling


4.1

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vrouw in beginsel gerechtigd is om de notariële akte van verdeling d.d. 21 oktober 2010 jegens de man ten uitvoer te leggen.


In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een notariële akte van verdeling slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant (in casu: de vrouw) -mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde (in casu: de man) die door de executie zullen worden geschaad- geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien a) de te executeren titel klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of b) de tenuitvoerlegging op grond van na het verlijden van de notariële akte voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand zal doen ontstaan voor de geëxecuteerde, zodat onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is.


4.2

In de notariële akte d.d. 21 november 2010 is de wijze van verdeling van de woning vastgesteld. In dat kader is onder meer bepaald dat de man wegens overbedeling een bedrag van € 78.000,00 aan de vrouw dient te voldoen bij aankoop en levering van een eigen woning door de vrouw. Niet in geschil is dat de vrouw thans een eigen woning wenst te kopen en onder meer aanspraak maakt op het bedrag van € 78.000,00.


4.3

Ten aanzien van de hiervoor onder 4.1 onder a genoemde omstandigheid overweegt de voorzieningenrechter dat de man heeft gesteld dat hij een bedrag van in totaal € 89.088,01 onder uitsluitingsclausule heeft verkregen, dat deze erfenissen niet besproken zijn tijdens de mediation en in het daaropvolgend convenant en dat dit bedrag ten onrechte in de gemeenschap van goederen is gevloeid. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat sprake is van een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de akte van verdeling. Hierbij acht de voorzieningenrechter allereerst van belang dat in de literatuur en rechtspraak verschillend wordt geoordeeld over de werking van de uitsluitingsclausule, zodat de voorzieningenrechter thans niet kan vaststellen dat de man een vergoedingsrecht op de gemeenschap had. Deze vraag vergt een nader onderzoek, waarvoor dit kort geding zich niet leent. Zelfs indien er thans vanuit zou kunnen worden gegaan dat de man een vergoedingsrecht op de gemeenschap had, dan acht de voorzieningenrechter vervolgens van belang dat uit de door de vrouw overgelegde aantekeningen van de mediator blijkt dat de erfenissen in ieder geval tijdens de mediation genoemd zijn. Deze aantekeningen luiden -voor zover van belang- als volgt:

“ * erfenissen geweest, elk, in woning gestopt.

overleggen,”.

De beantwoording van de vraag in hoeverre de erfenissen tijdens de mediation inhoudelijk besproken zijn en welke consequentie dat heeft ten opzichte van het convenant en de akte van verdeling, vergt een nader onderzoek, waarvoor dit kort geding zich evenmin leent. Dit klemt temeer nu ook de vrouw stelt tijdens het huwelijk een erfenis onder uitsluitingsclausule te hebben verkregen. Gelet op het vorenstaande is thans derhalve niet komen vast te staan dat de hiervoor onder 4.1 sub a genoemde omstandigheid zich hier voordoet.


4.4

Evenmin is aannemelijk geworden dat door omstandigheden die zijn opgekomen na het verlijden van de notariële akte voor de man een noodtoestand ontstaat indien de vrouw tot executie van de notariële akte overgaat. Daartoe is onvoldoende dat de man volgens eigen zeggen eerst medio 2014 via zijn advocaat erachter kwam dat hij nog een reprisevordering op de vrouw had. Dit klemt temeer nu de erfenissen -zoals hiervoor is overwogen- in ieder geval tijdens de mediation zijn genoemd. Daarnaast heeft de man gesteld dat de vrouw misbruik van recht maakt nu het de bedoeling van partijen was dat de man in de woning kon blijven wonen. De voorzieningenrechter volgt de man hierin niet.


Reeds bij aangetekende brief van 22 mei 2014 is de man gesommeerd om over te gaan tot betaling van hetgeen hij nog aan de vrouw verschuldigd was. De man betwist de hoogte van deze vordering maar erkent een bedrag van € 30.041,65 aan de vrouw verschuldigd te zijn. Hij betaalt echter (vrijwillig) niets, treft geen betalingsregeling en laat na een andere vorm van zekerheid te stellen. Dat de man geen financiering kan regelen vanwege het beslag doet -wat hier ook van zij- hieraan niet af. De man wist al in 2010 dat hij uiterlijk in oktober 2014 in ieder geval een substantieel bedrag aan de vrouw diende te betalen. Het beslag is overigens ook eerst nadien, te weten in november 2014 en december 2014, gelegd.


4.5

Gelet op het voorgaande dienen de vorderingen van de man te worden afgewezen.


4.6

Omdat partijen gewezen echtelieden zijn, zal de voorzieningenrechter de proceskosten compenseren.


5De beslissing


De voorzieningenrechter:


I. Wijst de vorderingen af;


II. Compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.



Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. A.E. Zweers, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 maart 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.