Rechtbank Overijssel, 10-04-2015 / ak_14_2717 en ak_14_2718 en ak_14_2719


ECLI:NL:RBOVE:2015:1822

Inhoudsindicatie
Opgelegde aanslagen zuiveringsheffing voor de jaren 2008, 2009 en 2010 aan groothandel in vis met vergrijpboetes; niet is vast komen te staan dat eiseres meer afvalwater heeft geloosd dan door haar is opgegeven; beroep gegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-04-10
Publicatiedatum
2015-04-15
Zaaknummer
ak_14_2717 en ak_14_2718 en ak_14_2719
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • V-N Vandaag 2015/837
  • Belastingblad 2015/273
  • V-N 2015/38.15.51
  • FutD 2015-1042
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht


Zittingsplaats Zwolle


Registratienummers: Awb 14/2719, Awb 14/2717 en Awb 14/2718

uitspraak van de meervoudige belastingkamer in de gedingen tussen


[eiseres],

gevestigd te Bunschoten-Spakenburg, eiseres,gemachtigde: mr. drs. J.C. Ozinga,


en


de heffingsambtenaar van Tricijn belastingen (thans Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn (GBLT)), verweerder.

[jw.sys.1.proc_jaar]/[jw.sys.1.proc_vnr]


1Ontstaan en loop van het geding


Aan eiseres is op 27 december 2011 voor het jaar 2008 een aanslag zuiveringsheffing opgelegd van € 917.584,76, alsmede een vergrijpboete van € 228.566,75.


Op 31 december 2012 heeft verweerder eiseres voor het jaar 2009 een aanslag zuiveringsheffing opgelegd van € 959.858,15 en een vergrijpboete van € 239.816.46.


Op 30 juni 2013 heeft verweerder eiseres voor het jaar 2010 een aanslag zuiveringsheffing opgelegd van € 198.183,47 en een vergrijpboete van € 46.333,96.


De tegen deze aanslagen gemaakte bezwaren zijn bij uitspraken op bezwaar van 23 oktober 2012, 16 mei 2013 en 28 november 2013 ongegrond verklaard.


Eiseres heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft verweerschriften ingediend.


De beroepen zijn op 10 april 2014 ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland behandeld. Eiseres is verschenen bij haar directeur [naam 1], bijgestaan door haar gemachtigden mr. drs. J.C. Ozinga en mr. A.E.H. van der Voort Maarschalk. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A. Veenendaal en

E. Mannak, vergezeld door E. van ’t Oever, werkzaam bij het Waterschap Vallei en Veluwe en ir. P.J.Tessel, deskundige, werkzaam bij Tauw.


De rechtbank Midden-Nederland heeft het onderzoek ter zitting geschorst en heeft vervolgens de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) te ’s-Gravenhage verzocht rapport uit te brengen.


De StAB heeft op 5 september 2014 rapport uitgebracht.


Op 28 oktober 2014 heeft de rechtbank Midden-Nederland de beroepen doorgezonden naar de rechtbank Overijssel, omdat de rechtbank Midden-Nederland niet bevoegd is de beroepschriften te behandelen.


Op 17 december 2014 heeft verweerder, naar aanleiding van het rapport van de StAB een aanvullend verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft op 18 februari 2015 een reactie ingediend.


De beroepen zijn ter zitting van 3 maart 2015 behandeld. Eiseres is verschenen bij haar directeur [naam 2] bijgestaan door zijn gemachtigde en E. Koornneef.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A. van Veenendaal, E. Mannak,

E. van ’t Oever en ir. P.J. Tessel.


De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.



2De feiten


Eiseres is gevestigd aan de [adres 1] te Bunschoten-Spakenburg en exploiteert een groothandel in zeevis, waar vis wordt verwerkt en ingevroren. Daarnaast verwerkt eiseres visafval. Op 13 februari 2007 hebben Gedeputeerde Staten van Utrecht eiseres een revisievergunning in het kader van de Wet Milieubeheer verleend voor onder meer het in werking hebben van een vergistingsinstallatie. Deze vergistingsinstallatie is met ingang van april 2007 in gebruik genomen.

Eiseres heeft aangifte zuiveringsheffing gedaan over de jaren 2008 tot en met 2010.

Bij brief van 23 december 2010 heeft verweerder eiseres bericht dat het Waterschap Vallei & Eem bezig is met een discrepantieonderzoek omdat het aantal vervuilingseenheden (v.e.’s) dat de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) in Amersfoort moest verwerken, beduidend hoger was dan het aantal v.e.’s dat via de zuiveringsheffing werd geïnd. Tijdens dat discrepantieonderzoek is gaandeweg vastgesteld dat de discrepantie in belangrijke mate teruggevoerd kan worden op het industrieterrein aan de [adres 2] Spakenburg, het industrieterrein waarop het bedrijf van eiseres is gevestigd.

Omdat gebleken is dat eiseres in april 2007 een vergistingsinstallatie in gebruik heeft genomen en het algemeen bekend is dat vanuit deze installaties, naast de lozing van afvalwater, grote hoeveelheden digestaat vrijkomen, is eiseres verzocht nadere gegevens te verschaffen.


Bij brief van 24 januari 2010 (lees: 2011) heeft eiseres aangegeven dat de vergistingsinstallatie in de herfst van 2007 daadwerkelijk in gebruik is genomen, en dat het digestaat verwerkt wordt in een zuiveringsinstallatie, welke bestaat uit een dekanter- en een membraaminstallatie op basis van ultrafiltratie en omgekeerde osmose. Deze installaties maken het mogelijk om water te onttrekken aan het digestaat. In de periode van april 2007 tot en met december 2010 is een hoeveelheid van 33.016,6 m³ water geloosd. Het digestaat wordt vanaf 12 maart 2010 per as afgevoerd en gebruikt als meststof in het buitenland, in de periode van april tot en met december 2010 was dat 13.202,39 ton. Desgevraagd heeft eiseres bij brief van 28 maart 2010 (lees: 2011) aangegeven welke hoeveelheden biogas er maandelijks op het bedrijf zijn geproduceerd vanaf augustus 2007.


Verweerder heeft eiseres bij brief van 23 mei 2011 nadere vragen gesteld, omdat na 9 maart 2010, nadat meerdere handhavingsactiviteiten hadden plaatsgevonden, de vuilvracht afkomstig van het industrieterrein Zuidwenk ineens zeer sterk gedaald bleek te zijn tot een niveau dat nagenoeg overeen kwam met het totaal aantal v.e.’s dat voor dat industrieterrein wordt berekend. Daarbij is aangegeven dat overwogen wordt om voor de heffingsjaren 2008, 2009 en 2010 af te wijken van de gegevens die eiseres heeft verstrekt in de aangiftes voor die jaren en om voor deze jaren boetes op te leggen op grond van artikel 67d, eerst lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).


Nadien hebben gesprekken tussen partijen plaatsgevonden en is er meer correspondentie tussen partijen geweest.


Vervolgens heeft verweerder eiseres de bestreden aanslag over het jaar 2008 opgelegd. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.


Op 30 maart 2012 is in opdracht van het Waterschap Vallei & Eem rapport uitgebracht door Tauw B.V. te Deventer met betrekking tot het discrepantieonderzoek.


Op 7 september 2012 heeft in het kader van de bezwaarprocedure tegen de aanslag 2008 een hoorzitting plaatsgevonden, waarna bij uitspraak op bezwaar van 23 oktober 2012 dit bezwaar ongegrond is verklaard.


Op 31 december 2012 heeft verweerder eiseres de bestreden aanslag over het jaar 2009 opgelegd, en op 30 juni 2013 de bestreden aanslag over het jaar 2010.


In het kader van de bezwaren tegen de aanslagen over de jaren 2009 en 2010 is verwezen naar de stukken in de procedure omtrent 2008. Deze bezwaren zijn bij uitspraken op bezwaar van 16 mei 2013 en 28 november 2013 eveneens ongegrond verklaard.



3Beoordeling van het geschil


In geschil is de vraag of verweerder op juiste gronden is afgeweken van de door eiseres gedane aangifte zuiveringsheffing over de jaren 2008 (Awb 14/2719), 2009 (Awb 14/2717) en 2010 (Awb 14/2719) en eiseres over deze jaren terecht vergrijpboetes op heeft kunnen leggen.


De rechtbank stelt voorop dat op verweerder de last rust om te bewijzen dat de door hem in beroep verdedigde aanslagen en boetes terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. De beantwoording van de vraag of verweerder aan deze bewijslast heeft voldaan, hangt mede af van wat door eiseres hiertegen is aangevoerd.


Eiseres bestrijdt de aanslagen en de opgelegde vergrijpboetes omdat zij is aangeslagen voor v.e.’s die niet door haar geloosd zijn, laat staan illegaal. Het is ook door verweerder niet bewezen of aangetoond dat eiseres, buiten haar meetvoorzieningen om, veel meer v.e.’s heeft geloosd dan is opgegeven. De aanslag berust louter op onbetrouwbare aannames en externe factoren worden in het geheel niet meegenomen.


Verweerder heeft hiertegenover gesteld dat er voldoende feiten en omstandigheden zijn aangetoond die - redelijkerwijs met uitsluiting van vrijwel alle andere denkbare mogelijkheden - aannemelijk maken dat eiseres wel buitengewoon grote hoeveelheden afvalwater op het gemeenteriool heeft geloosd. Verweerder heeft hiertoe verwezen naar de op 8 en 9 maart 2010 op en rond het terrein van eiseres uitgevoerde controle-acties. Uit de resultaten van een meetcampagne in februari en maart 2010 blijkt dat er significante verschillen bestaan tussen de meetresultaten vòòr 8 maart 2010 en de meetresultaten na 9 maart 2010. Daarnaast is geconstateerd dat de vuilvracht de week direct na deze controle aanzienlijk is gedaald, zeker nu eiseres met ingang van 12 maart 2010 gestart is met het over de weg afvoeren van digestaat. Uit de nadien gedane metingen en bemonsteringen blijkt een structurele afname in de vuilvracht bij het hoofdrioolgemaal te Spakenburg.

Ook is het lozingsgedrag op zondagen gemeten. Verwacht kan worden dat er in de gemeente Bunschoten-Spakenburg op zondagen weinig afvalwater wordt geloosd en dat dit ook geldt voor de afvalwaterlozing vanaf het industrieterrein Zuidwenk in Spakenburg. Voor de periode van 9 maart tot en met 31 maart 2010 is deze verwachting door de uitgevoerde metingen bevestigd. Gedurende drie zondagen voorafgaand aan 8 maart 2010 is een 12x grotere afvalwatervracht geloosd. Dit duidt op lozing door slechts één bedrijf.


Daarnaast is verweerder van mening dat het digestaat uit de vergisters direct geloosd moet zijn op het riool omdat dit niet recyclebaar is.

Een en ander is nader uitgewerkt in het rapport van Tauw Technologie te Deventer van 30 maart 2012.


Eiseres heeft hiertegenover gesteld dat bij de controle-acties op 8 en 9 maart 2010 op en rond haar terrein geen enkele onrechtmatigheid is aangetroffen of geconstateerd die kan leiden tot de aan haar opgelegde aanslagen. Bij die controle zijn geen illegale lozingen dan wel illegale lozingspunten gedetecteerd, terwijl daar wel intensief naar is gezocht. Het sedert 12 maart 2010 afvoeren van digestaat per as is puur een toevallige samenloop, nu eiseres vanaf november 2009 reeds besloten heeft om de capaciteit van de digestaat verwerkingsinstallatie te vergroten naar aanleiding van de geplande uitbreiding van groengasproductie. In verband hiermee is in december 2009 contact gezocht met diverse erkende transporteurs om het digestaat af te voeren. De transporteur diende vervolgens een exportvergunning aan te vragen om het digestaat af te zetten in het buitenland. Enig verband tussen de controle en de afvoer per as is geheel afwezig nu een dergelijk afvoersysteem niet in een termijn van drie dagen op te zetten is gelet op de wetgeving omtrent het exporteren van digestaat.

Daarnaast heeft eiseres gesteld dat de inschatting van de hoeveelheid digestaat door Tauw, gebaseerd op grond van gegevens uit 2010, niet representatief is voor de situatie in 2008. Eiseres heeft hiertoe een reactie van ir. H. Spanjers en ir. G. Kooijman van de TU Delft overgelegd, waarin wordt geconcludeerd dat de argumenten van Tauw niet kunnen worden gebruikt voor de stelling dat eiseres verantwoordelijk is voor de discrepantie.


De rechtbank Midden-Nederland heeft aanleiding gezien de StAB rapport uit te laten brengen. In dit rapport van 5 september 2014 heeft de StAB onder meer aangegeven dat:

  • - van april 2004 tot juni 2009 geen metingen zijn verricht en dat de eerste meting bij rioolgemaal Zuidwenk dateert van juni 2009. Bij de zuivering Amersfoort worden routinematig wel metingen verricht. De aanslag voor 2008 is opgelegd aan de hand van een aanname dat er ook in dit jaar een overschrijding zou zijn geweest en dat de uiteindelijk berekening van de definitieve aanslag gebaseerd lijkt te zijn op de hoeveelheid biogas en niet de hoeveelheid digestaat;
  • - uit de vaststelling van de hoogte van de heffingsaanslag blijkt dat uitgegaan is dat voor beide jaren (2010 tot aan de handhavingsactie) de volledige hoeveelheid digestaat is geloosd en dat aan de hand van terugrekeningen op basis van de hoeveelheid geproduceerd biogas, vastgesteld is hoeveel digestaat ontstaan zou moeten zijn. Indien er illegaal digestaat geloosd zou zijn, is zonder kwantitatieve benadering niet met zekerheid te zeggen of de volledige digestaatstroom geloosd zou zijn, of slechts een deel ervan;
  • - een illegale lozing met behulp van een illegale leiding langs een meetvoorziening bij het bedrijf geleid zou kunnen worden, maar een min of meer constante stroom van 37 m³ per dag, zoals berekend in het rapport van Tauw van februari 2011, zou door middel van registratie bij de afvoer van het gehele terrein in theorie opgemerkt kunnen worden;
  • - onzeker blijft in hoeverre de digestaatsamenstelling uit 2010 representatief is voor de eerdere jaren;
  • - de bemonstering van het onbehandelde digestaat uit de vergistingstanks op 25 augustus 2010 en 20 september 2010 plaats heeft gevonden, derhalve buiten de beoordelingsperiode van maart 2007 tot en met februari 2010;
  • - het aan het eind van de periode van maart 2007 tot maart 2010 technisch niet meer mogelijk is de digestaatcomponenten nagenoeg volledig te recyclen. Met behulp van de input aan biomassa/substraat kan worden berekend dat vanaf medio 2009 de algemene ontwerpwaarde van 15% vergistingsinstallaties wordt overschreden;
  • - het opwerkte digestaat, dat de StAB bij het bezoek aan eiseres gezien heeft, is een zeer dichte vaste massa, die niet direct met het afvalwater te lozen is. Er dient een extra proceshandeling plaats te vinden waarbij water wordt toegevoegd en geroerd om het digestaat te kunnen lozen als afvalwater, maar het is onlogisch om het digestaat eerst op te werken en vervolgens weer te verdunnen om te kunnen lozen.

Partijen hebben op het rapport van de StAB gereageerd. Eiseres heeft bij haar reactie het commentaar van Royal HaskoningDHV gevoegd. Hierin is onder meer gesteld dat nimmer expliciet is vastgesteld dat eiseres illegale lozingen heeft gedaan, terwijl zich bij eiseres een monstername-inrichting bevindt en verweerder extra metingen heeft laten verrichten. Alle beweringen omtrent illegale lozingen worden gedaan op basis van indirect bewijs, terwijl direct bewijs nooit is verkregen.


De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken naar voren komt dat de aan eiseres opgelegde aanslagen gebaseerd zijn op vermoedens en aannames dat eiseres in de periode van 1 januari 2008 tot en met 8 maart 2010 digestaat geloosd heeft, omdat dit digestaat eerst per 12 maart 2010 per as afgevoerd wordt. De hoeveelheid digestaat die volgens verweerder in de hiervoor genoemde periode geproduceerd is, is door Tauw berekend aan de hand van de input van biomassa en het geproduceerde biogas.


De rechtbank stelt vast dat waterschapsinspecteurs na onderzoek op 8 en 9 maart 2010 op en rond het terrein van eiseres conclusies met betrekking tot illegale lozingen hebben getrokken, terwijl daarvoor geen bewijs aanwezig was. Omdat eiseres het grootste visverwerkende bedrijf op dit industrieterrein is, hebben de inspecteurs geconcludeerd dat het geloosde water wel van eiseres af moet komen, zonder dat (illegale) afvalwaterleidingen zijn aangetroffen die deze conclusies onderbouwen.


De voor 2008 en 2009 opgelegde aanslagen zijn gebaseerd op monstermetingen die in 2010 en 2011 zijn genomen. Zoals ter zitting toegelicht zijn in 2011 nieuwe monsters genomen omdat er onzekerheid bestond over de in 2010 genomen monsters.

Op basis van deze monsters heeft verweerder geconcludeerd dat eiseres vanaf 2008 (illegaal) digestaat loost op het gemeenteriool.

De rechtbank kan verweerder hier niet in volgen. Niet alleen bestaat er onzekerheid over het proces in de vergistingstanks en de vraag in hoeverre en hoelang het digestaat gerecycled kan worden, nu de verschillende deskundigen blijkens de in deze geschillen uitgebrachte rapportages hier anders over denken, maar verweerder heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat eiseres meer geloosd heeft op het gemeenteriool dan door haar in de aangifte is vermeld.


De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat volgens het rapport van de StAB in ieder geval tot medio 2009 het digestaat nog recyclebaar was, en dat eiseres zelf eind 2009 is gaan onderzoeken op welke wijze het digestaat afgevoerd kon gaan worden. Daarnaast is van belang dat niet gebleken is dat de aangeboden vuilvracht daadwerkelijk is afgenomen, nu de in 2010 vastgestelde discrepantie onverminderd hoog is gebleven in de daarop volgende jaren, ondanks het feit dat eiseres het digestaat vanaf 12 maart 2010 per as afvoert.


Nu niet vast is komen te staan dat eiseres meer afvalwater geloosd heeft dan door haar is opgegeven, is de rechtbank van oordeel dat de nader aan eiseres opgelegde aanslagen en de vergrijpboetes niet in stand kunnen blijven.


Uit vorenstaande volgt dat de beroepen gegrond zijn en de bestreden uitspraken op bezwaar vernietigd dienen te worden. De rechtbank ziet eveneens aanleiding de aan eiseres opgelegde aanslagen over de jaren 2008 tot en met 2010 te vernietigen, voorzover deze meer bedragen dan welke volgen uit de door eiser gedane aangiften.



4Proceskosten


De gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank verzocht om volledige proceskostenvergoeding ter zake van de bezwaar- en beroepsprocedures tegen de eiseres opgelegde aanslagen, waaronder niet alleen de kosten van juridische bijstand en de kosten van deskundigen, maar ook managementstijd, overlast en de lange duur van de procedures verstaan moet worden. De rechtbank wijst dit verzoek af en zal een proceskostenvergoeding toekennen overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor zowel

de bezwaar- als de beroepsprocedures.

Voor de berekening van de kosten voor de bezwaarprocedures gaat de rechtbank uit van de volgende proceshandelingen:

1. punt voor het bezwaarschrift van 30 januari 2012 en 0,5 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting van 7 september 2012 met betrekking tot de aanslag over 2008, 1 punt voor het bezwaarschrift van 20 december 2012 met betrekking tot de aanslag over 2009, en 1 punt voor het bezwaarschrift van 7 augustus 2013 met betrekking tot de aanslag over 2010, derhalve 3,5 punten x € 245,00 = € 857,50.


Voor de berekening van de kosten in de beroepsprocedures gaat de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, uit van samenhangende zaken, nu de beroepsprocedures door de bestuursrechter gelijktijdig zijn behandeld. Op grond hiervan komen de volgende proceshandelingen voor vergoeding in aanmerking: 1 punt voor de beroepschriften, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze met betrekking tot het door de StAB uitgebrachte rapport, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 10 april 2014 en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting van 3 maart 2015, derhalve

3 punten x wegingsfactor 1 x € 490,00 per punt = € 1.470,00.


Daarnaast bestaat aanleiding de uitgebrachte deskundigenrapportages voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Hoewel eiseres de kosten van de door ir. H. Spanjers en ir. G. Kooijman van de TU Delft uitgebrachte reactie op het rapport van Tauw niet gespecificeerd zijn, ziet de rechtbank aanleiding om, met toepassing van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, een vergoeding toe te kennen van € 464,36 (4 uur x € 116,09).

Voor de evenmin nader gespecificeerde kosten voor de rapportages van Royal HaskoningDHV van 22 augustus 2014 en 16 februari 2015, alsmede het verschijnen ter zitting, kent de rechtbank een vergoeding toe van € 696,54 (6 uur x € 116,09).


Nu het verzoek volledige vergoeding van proceskosten betreft en het verzoek daartoe is afgewezen is er daarnaast geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:73a, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht.



5Beslissing


De rechtbank


  • - verklaart de beroepen gegrond;
  • - vernietigt de uitspraken op bezwaar van 23 oktober 2012, 16 mei 2013 en 28 november 2013;
  • - vernietigt de bestreden aanslagen van 27 november 2011, 31 december 2012 en 30 juni 2013, voor zover daarbij een hogere aanslag dan de aanslag op aangifte is opgelegd, alsmede de opgelegde vergrijpboetes;
  • - veroordeeld verweerder in de proceskosten, tot op heden begroot op € 3.488,40;
  • - gelast dat verweerder aan eiseres het door haar in de beroepszaken betaalde griffierecht van € 310,00, € 318,00 en € 328,00 (totaal € 956,00) vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzitter, en mr. H.R. Schimmel en

mr. L.Y. Gramsbergen, leden, in aanwezigheid van Y. van der Zaan-van Arnhem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op





















Afschrift verzonden op: