Rechtbank Overijssel, 08-04-2015 / C/08/168855 / KG ZA 15-76


ECLI:NL:RBOVE:2015:1844

Inhoudsindicatie
Beslaglegging op geld en sieraden.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-04-08
Publicatiedatum
2015-04-13
Zaaknummer
C/08/168855 / KG ZA 15-76
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer / rolnummer: C/08/168855 / KG ZA 15-76 (ib)


Vonnis in kort geding van 8 april 2015


in de zaak van


[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. I. Mercanoğlu te Enschede,


tegen


de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST OOST/ENSCHEDE,

kantoor houdende te Enschede,

gedaagde,

in persoon verschenen.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding,
  • - de mondelinge behandeling,
  • - de pleitnota van eiser,
  • - de pleitnota van gedaagde.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

Eiser heeft een relatie met mevrouw [X]. Eiser en [X] wonen samen.


2.2.

Bij een huiszoeking in 2013 is een bedrag van ruim € 37.000,-- (ongeveer € 30.000,-- verpakt en opgeborgen in de meterkast en ongeveer € 7.000,--- op het lichaam van eiser) gevonden.


2.3.

Op 31 oktober 2013 is op grond van artikel 94 Wetboek van Strafvordering (Sv) beslag gelegd op, onder meer en voor zover relevant, een geldbedrag van € 37.163,70, gouden sieraden en twee mobiele telefoons. Bij beschikking van 11 februari 2014 heeft de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, onder meer, gelast dat het geldbedrag van € 37.163,70, de gouden sieraden en de twee mobiele telefoons aan eiser worden teruggegeven.


2.4.

Gedaagde heeft in de periode van 2009 tot en met 2014 diverse dwangbevelen aan eiser betekend. Het totaalbedrag van de opgelegde aanslagen bedroeg € 46.192,-- exclusief rente.


2.5.

Gedaagde heeft in de periode van 2012 tot en met 2014 diverse dwangbevelen aan [X] betekend. Het totaalbedrag van de opgelegde aanslagen bedroeg 55.632,-- exclusief rente.


2.6.

Uit kracht van voornoemde dwangbevelen heeft gedaagde op 17 maart 2014 op een bedrag in contanten van € 31.480,-- niet alleen beslag gelegd ten laste van eiser, maar ook ten laste van [X]. Op 18 maart 2014 heeft gedaagde de beslagen op grond van artikel 435, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) over en weer betekend aan eiser en [X].


2.7.

Op 27 maart 2014 heeft gedaagde ten laste van eiser nog beslag gelegd op een 14 karaats gouden halsketting, een herenhorloge en een ring met schakels (hierna: de sieraden).


2.8.

Op 19 januari 2015 is een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen tussen de inspecteur van de belastingdienst en [X].


3Het geschil


3.1.

Eiser vordert samengevat - te bepalen dat:

I. het beslag onrechtmatig is gelegd,

II. de voortduring van het beslag onrechtmatig is,

III. dat het beslag dient te worden opgeheven,

IV. het inbeslaggenomen geld teruggegeven dient te worden,

V. de persoonlijke bezittingen van eiser teruggegeven dienen te worden,

met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure.


3.2.

Eiser heeft aan zijn vorderingen - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat de aan hem opgelegde belastingaanslagen zijn gecorrigeerd en dat hij geen belastingschuld (meer) heeft. Eiser heeft geld van een oom, twee kennissen en een vriend geleend om een autohandelzaak te openen. Hij kan aantonen van wie hij het geld heeft geleend en dat hij een terugbetalingsverplichting heeft. De voortduring van het beslag is onrechtmatig en hij wordt in zijn belangen geschaad. Het inbeslaggenomen geld en de sieraden dienen teruggegeven te worden, aangezien gedaagde onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet tot executie van de dwangbevelen kan overgaan.


3.3.

Gedaagde voert verweer.


3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling

4.1.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vloeit het spoedeisend belang voort uit de aard van het gevorderde. Overigens wordt het spoedeisend belang door gedaagde niet betwist.


4.2.

Vooropgesteld wordt dat het op de weg van eiser ligt om, met inachtneming van de beperkingen van het kort geding, aannemelijk te maken dat de beslagen op het geldbedrag en de sieraden onterecht zijn gelegd en dat het geldbedrag en de sieraden aan hem moeten worden teruggegeven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is eiser daarin niet geslaagd. Daartoe wordt het volgende overwogen.


4.3.

Eiser heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken dat hij een resterende belastingschuld heeft van ongeveer € 1.794,-- en dat [X] naar inschatting van gedaagde een resterende fiscale schuld heeft te voldoen van minimaal € 46.000,--.


4.4.

Tussen partijen is in geschil tot welk vermogen het inbeslaggenomen geld behoort.

Eiser stelt dat het geldbedrag aan hem in eigendom toebehoort. Hij heeft geldbedragen geleend van een oom, twee kennissen en een vriend om een autohandelzaak te openen. Ter onderbouwing heeft eiser verwezen naar een viertal - ter zitting overgelegde - geldleningsovereenkomsten. Gedaagde stelt dat het meer dan aannemelijk is dat het in beslag genomen geld van [X] is. Ter onderbouwing wordt verwezen naar het - ter zitting overgelegde - ambtsbericht van de heer [H] van 25 maart 2015.


4.5.

In voornoemd ambtsbericht staat - onder meer en voor zover relevant - het volgende vermeld:

“Onderdeel uit het proces-verbaal nr. PL05KL 2013111105-9 dd 31 oktober 2013 mbt de doorzoeking in de woning:


Er is een bedrag ad € 30000,-- gevonden in de meterkast. Mw. [X] verklaart in het PV: Het is mij onbekend waar het geld vandaan komt van wie het is, mijn man handelt in auto’s en ik heb een winkeltje gehad, daarvan misschien. Even later verklaart zij: het is 100 procent uit de autohandel en kort daarna verklaart zij: het is honderdduizend procent zeker van de autohandel.


Uit het fiscaal onderzoek is niet gebleken dat [eiser] een autohandel heeft gehad en dat verklaart hij in de diverse gesprekken met mij meerdere malen. Ook blijkt uit een controlerapport van de Belastingdienst dd 24 januari 2013 dat hij geen autohandel heeft gehad. Conclusie is dat het ibg geld niet afkomstig kan zijn uit de autohandel van [eiser]. Blijft over dat het geld afkomstig is uit de opbrengst van het winkeltje van [X]. (…) Er is door de Belastingdienst over de periode 1 januari 2013 tot en met augustus 2013 een bedrag van € 30.642 gecorrigeerd als meer inkomen uit de winkel van mw. [X]. Dit rechtvaardigd [lees: rechtvaardigt] de gedachte dat het ibg geld uit de winkel afkomstig is.”


4.6.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, gelet op de wisselende en tegenstrijdige verklaringen van [X] over de herkomst van het geld, welke verklaringen niet overeenstemmen met de verklaringen van eiser, de door gedaagde geschetste gang van zaken omtrent de door [X] verschuldigde belasting(en), de plekken waar het geld is gevonden, namelijk in de meterkast en op het lichaam van eiser, het niet op voorhand evident is dat het inbeslaggenomen geld in eigendom toebehoort aan eiser. In het licht van het voorgaande kan voorshands aan de door eiser overgelegde (kopieën van) geldleningsovereenkomsten niet zonder meer de waarde worden toegedicht die eiser daaraan wenst toe te kennen. Alles in ogenschouw nemende, ook in onderlinge samenhang bezien, is er een zodanige twijfel tot welk vermogen het inbeslaggenomen geld behoort, dat nader feitenonderzoek en/of nadere bewijslevering op dit punt nodig is. Voor dergelijk onderzoek leent een kort gedingprocedure zich naar zijn aard evenwel niet.


4.7.

Met inachtneming van het vorenoverwogene is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat gedaagde niet onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld door beslag te leggen op het geldbedrag van € 31.480,--. Voorts is niet komen vast te staan dat gedaagde onrechtmatig jegens eiser handelt door ten laste van [X] beslag te leggen op het geldbedrag van € 31.480,--.


4.8.

Nu eiser niet, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft weersproken dat sprake is van een resterende belastingschuld van ongeveer € 1.794,-- kan evenmin worden gezegd dat het beslag op de sieraden onrechtmatig is.


4.9.

Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen van eiser zullen worden afgewezen. Daarbij tekent de voorzieningenrechter nog aan dat het gevorderde onder I en II in een kort gedingprocedure als de onderhavige al niet voor toewijzing in aanmerking kan komen, omdat daarin geen declaratoir vonnis kan worden gegeven.


4.10.

Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagde worden begroot op € 613,-- aan verschotten (griffierecht).


5De beslissing

De voorzieningenrechter


5.1.

Wijst de vorderingen af.


5.2.

Veroordeelt eiser in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op € 613,--.


5.3.

Verklaart onderdeel 5.2. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.



Dit vonnis is gewezen door mr. G.G. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2015.

1 type: coll: