Rechtbank Overijssel, 10-04-2015 / C/08/168775 / KG ZA 15-73


ECLI:NL:RBOVE:2015:1870

Inhoudsindicatie
Geschil over beëindiging samenwerkingsverband. Wel sprake van een maatschap, maar standpunten te discutabel om een voorlopige voorziening te treffen.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-04-10
Publicatiedatum
2015-04-14
Zaaknummer
C/08/168775 / KG ZA 15-73
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/646
  • OR-Updates.nl 2015-0153
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer: C/08/168775 / KG ZA 15-73

datum vonnis: 10 april 2015


Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:


1. de vennootschap onder firma

[eiseres 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [eiser],

3. [eiseres 2],

beide wonende te [woonplaats 1],

eisers,

advocaat: mr. Z. Alkan te Almelo,


tegen


[gedaagde],

h.o.d.n. Feel Balanced,

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde,

advocaat: mr. M.S. van Knippenberg te Enschede.


Partijen zullen hierna als ‘[eiseres 1]’, ‘[eiser]’, ‘[eiseres 2]’ en ‘[gedaagde]’ worden aangeduid.


1De procedure


1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, inclusief producties

- de conclusie van antwoord

- de pleitnotitie van eisers

- de pleitnotitie van [gedaagde]

- de mondelinge behandeling.


1.2.

Vonnis is bepaald op vandaag.


2De feiten


2.1.

In deze zaak staat het navolgende vast.


2.2.

[eiser] houdt zich voornamelijk bezig met een praktijk voor Energetische Therapie. Tevens geeft [eiser] opleidingen, workshops, lezingen en dergelijke. Samen met [eiseres 2] heeft [eiser] sinds vorig jaar de vennootschap onder firma [eiser] opgericht.


2.3.

[gedaagde] houdt zich bezig met de uitoefening van diverse alternatieve therapieën, de verkoop van hiervoor gespecialiseerde producten en daarnaast geeft [gedaagde] workshops en opleidingen voor groei en ontwikkeling.


2.4.

[eiser] en [gedaagde] hebben elkaar in 2005 leren kennen en zijn een samenwerkingsverband aangegaan.


3De standpunten van partijen


3.1.

Eisers vorderen - kort samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen om:

I. voorlopig - totdat in een bodemprocedure erover is beslist - te dulden dat eisers met onmiddellijke ingang zijn gebruikelijke werkzaamheden c.q. opdrachten weer hervat en [eiser] toegelaten wordt tot de drie locaties te Enschede, Den Haag en Duitsland;

II. aan eisers te betalen een voorschot op de reeds achterstallige maandelijkse betalingen tot en met februari 2015 groot € 13.752,00, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen voorschot;

III. aan [eiser] te betalen:

a. primair een voorschot op de doorbetaling van de vergoeding groot € 2.887,58 per maand vanaf maart 2015 tot het moment waarop de maatschap rechtsgeldig is geëindigd, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen voorschot;

b. subsidiair een voorschot op doorbetaling van de vergoeding ad € 2.887,58 per maand vanaf maart 2015 tot het moment waarop de duurzame samenwerkingsovereenkomst op een rechtsgeldige wijze is geëindigd, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen voorschot;

IV. tot betaling van de kosten en de nakosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.


3.2.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van eisers.


3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover hier van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling


4.1.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vloeit het gestelde spoedeisend belang voort uit de aard van het gevorderde.


4.2.

Kern van dit geschil is de juridische kwalificatie van de samenwerking tussen [eiser] en [gedaagde] zoals die vanaf 2005 heeft plaatsgevonden, alsmede de financiële consequenties die het verbreken van die samenwerking tussen partijen zou moeten hebben. [eiser] stelt dat sprake is van een maatschap en dat, totdat de maatschap rechtsgeldig zal zijn beëindigd, dient te worden afgerekend zoals dit ook in het verleden is gedaan door middel van een maandelijks voorschot. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een maatschap, maar van overeenkomsten van opdrachten. Nu [eiser] geen opdracht meer heeft gehad, hoeft [gedaagde] hem ook geen financiële compensatie te geven.


4.3.

Zoals ter zitting ook reeds is besproken staat tussen partijen - dat wil zeggen [eiser] en [gedaagde] - vast dat er een intensieve samenwerking heeft plaatsgevonden tussen [eiser] en [gedaagde] die reeds jaren heeft geduurd en waarbij partijen de winst hebben gedeeld. De maatschap is een overeenkomst, waarbij twee of meerdere personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het voordeel dat daaruit ontstaat met elkaar te delen. Daarvan is hier sprake.


4.4.

Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het geschil zich toespitst op de verhouding [eiser] en [gedaagde]. Een vennootschap onder firma kan bovendien geen deel uit maken van een personenvennootschap, zodat [eiser] niet ontvankelijk zal worden verklaard. Nu ook [eiseres 2] kennelijk geen lid van de maatschap was zal ook zij niet-ontvankelijk worden verklaard.


4.5.

De voorzieningenrechter is aldus van oordeel dat er sprake is van een maatschap tussen enerzijds [eiser] en anderzijds [gedaagde]. De voorzieningenrechter komt tot dit voorlopig oordeel op grond van het volgende.


4.6.

Niet in geschil is dat [eiser] en [gedaagde] ieder arbeid hebben ingebracht. Aan het vereiste van inbreng is derhalve voldaan. Dat er thans discussie is over de omvang en bijdrage van hetgeen is ingebracht doet daar niet aan af. Wel is deze discussie van belang voor de vraag hoe de uiteindelijke afrekening tussen partijen dient te geschieden.

Ook staat voldoende vast dat het uit de samenwerking tussen partijen ontstane voordeel is gedeeld, immers is ieder jaar berekend wat de totale winst was, waarna deze winst werd verdeeld. In zoverre kan de voorzieningenrechter [eiser] volgen en daarin krijgt hij ook gelijk.


4.7.

Maar daarmee houdt het - althans in dit kort geding - op. Uit de stukken dan wel uitlatingen van partijen is niet te achterhalen welk aandeel der maten ieder gehad heeft dan wel hun bijdrage is geweest, waar de rechten liggen ten aanzien van de methode ‘Touch of Matrix’ en het boek, en per wanneer partijen uit elkaar zijn gegaan of nog moeten gaan. [eiser] stelt dat dit begin dit jaar is, terwijl [gedaagde] suggereert dat partijen reeds vorig jaar te kennen hebben gegeven dat ze ieder hun eigen weg zouden gaan en dat partijen al minstens een half jaar over de (financiële) afwikkeling twisten. [gedaagde] stelt daarbij voorts dat hij [eiser] ook nimmer de toegang heeft ontzegd ten aanzien van de vestiging in Duitsland - dit wilde [eiser] zelf niet meer - en Rotterdam. [gedaagde] is van mening dat [eiser] vanuit Duitsland en Rotterdam zijn gang kan gaan, maar dit nalaat. [gedaagde] kan en hoeft niet in het levensonderhoud van hen beiden te voorzien. [eiser] zal ook zelf opdrachten moeten gaan verwerven. Onder die omstandigheden kan niet gezegd worden dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar is dat [gedaagde] gehouden is tot het voldoen van een maandelijks voorschot nu hij de enige is die inkomsten verwerft. De vordering tot betaling van een voorschot stuit bij deze stand van zaken reeds af op deze omstandigheid.


4.8.

[eiser] heeft echter wel een punt wanneer hij zegt dat cursisten, die zich willen aanmelden voor een cursus, met name via de website binnenkomen en dat [gedaagde] het beheer van die website regelt. Het vorengaande brengt met zich, zoals de voorzieningenrechter reeds uitvoerig met partijen ter zitting heeft besproken, dat zij de beëindiging van hun samenwerking op een nette manier dienen te regelen en dat partijen hiervoor onder meer de hulp van een accountant nodig hebben. De over en weer aangevoerde standpunten en stellingen zijn nog veel te discutabel om op basis daarvan in een - met onvoldoende waarborgen omklede - kort geding procedure als de onderhavige vergaande maatregelen te treffen die de verhoudingen tussen partijen (nog meer) op scherp zal zetten.


4.9.

Gelet op het hiervoor overwogene zal de voorzieningenrechter de vorderingen afwijzen.

In de omstandigheid dat een proceskostenveroordeling de afwikkeling van de maatschap en de onderlinge verhoudingen nog verder kan verstoren, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren.


De beslissing


De voorzieningenrechter:


I. verklaart [eiser] en [eiseres 2] niet-ontvankelijk.


II. wijst af de vorderingen.


III. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.



Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. W.K.F. Hangelbroek, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.