Rechtbank Overijssel, 22-04-2015 / 08/710128-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:2028

Inhoudsindicatie
Verdachte is zonder toestemming en tegen de wil van zijn voormalige echtgenote de woning waar zij woonachtig is binnengedrongen en heeft, ondanks verzoek hiertoe, geweigerd de woning direct te verlaten. De rechtbank veroordeelt hem tot betaling van een geldboete van € 300,-.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-04-22
Publicatiedatum
2015-04-22
Zaaknummer
08/710128-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummer: 08/710128-14

Datum vonnis: 22 april 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1970 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].


1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

8 april 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. T. Klooster en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw

mr. S. Groothuismink, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


feit 1: gedurende een periode zijn echtgenote, [slachtoffer], meermalen heeft mishandeld;

feit 2: is binnengedrongen in de woning van [slachtoffer].


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


1.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2010 tot en met 01 maart 2013

te Enschede

opzettelijk mishandelend zijn echtgenote, althans een persoon, te weten [slachtoffer]

[slachtoffer], gedurende bovengenoemde periode (onder meer)

- ( meermalen) (telkens) die [slachtoffer] (hardhandig) heeft vastgepakt en/of door

elkaar heeft geschud en/of (hardhandig) op de grond heeft gegooid en/of

- een kopstoot heeft gegeven en/of

- ( meermalen) (telkens) die [slachtoffer] op het lichaam heeft geslagen en/of

- ( meermalen) in de tepel(s) heeft geknepen, waardoor deze letsel heeft

bekomen en/of pijn heeft ondervonden;


2.

hij in of omstreeks in de maand februari 2013 te Enschede wederrechtelijk is

binnengedrongen in een woning gelegen aan de [straat] en in gebruik

bij [slachtoffer], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte;


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, ter zake het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis en een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde een dadelijk uitvoerbaar verklaard contactverbod jegens [slachtoffer]. De officier van justitie heeft toewijzing gevorderd van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 1.000,- en oplegging daarbij van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Wetboek van Strafrecht (Sr).


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling van het bewijs


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


5.1

Feit 1


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2010 tot 1 maart 2013 zijn echtgenote [slachtoffer] stelselmatig heeft mishandeld, waarbij verdachte die [slachtoffer] hardhandig heeft vastgepakt, door elkaar heeft geschud, op de grond heeft gegooid, een kopstoot heeft gegeven, op het lichaam heeft geslagen en in de tepels heeft geknepen. De officier van justitie heeft haar standpunt gebaseerd op de aangifte en de aanvullende verklaring van aangeefster, de verklaring van de zoon van verdachte en aangeefster, het proces-verbaal inhoudende een uitwerking van geluidsopnamen, een letselverklaring van de huisarts van aangeefster van 27 januari 2011, een verklaring van de broer van aangeefster [getuige 1], als ook de verklaringen van [getuige 2] en van de fysiotherapeut [getuige 3] nu beiden verklaren over omstandigheden en door hen geconstateerd letsel bij aangeefster.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat hoewel er in het dossier wettig bewijs aanwezig is voor het onder 1 tenlastegelegde, de overtuiging dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, ontbreekt. De verdediging heeft voor het onder 1 tenlastegelegde vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat veel omstandigheden maken dat grote twijfels rijzen bij de aangifte van mevrouw [slachtoffer]. De raadsvrouw heeft betoogd dat het dossier geen betrouwbare verklaringen over de vermeende mishandelingen bevat en dat evenmin foto’s van enig letsel in het dossier aanwezig zijn. Verdachte heeft ontkend dat hij zijn voormalig echtgenote heeft mishandeld. Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van letsel, dan wel wat de oorzaak van dit vermeende letsel is geweest.


De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Voor een bewezenverklaring van een mishandeling moet sprake zijn van het opzettelijk toebrengen van pijn of lichamelijk letsel.


Aangeefster heeft verklaard gedurende een periode van ruim drie jaar meermalen door verdachte, haar echtgenoot destijds, te zijn mishandeld. Volgens aangeefster heeft verdachte haar gedurende die periode hardhandig vastgepakt, door elkaar geschud, op de grond gegooid, een kopstoot gegeven, geslagen en geknepen. Hoewel onderhavig dossier naast de aangifte enige voor verdachte belastende verklaringen en omstandigheden bevat, is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende concrete en objectieve ondersteunende bewijsmiddelen naar voren zijn gekomen, waardoor bij de rechtbank de overtuiging ontbreekt dat verdachte gedurende een periode van ruim drie jaar zijn toenmalige echtgenote meermalen heeft mishandeld. De rechtbank heeft uit de wettige bewijsmiddelen aldus niet de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat zij verdachte daarvan zal vrijspreken.


5.2

Feit 2


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de aangifte, de verklaring van verdachte en een getuigenverklaring kan worden bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor het onder 2 tenlastegelegde vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat geen sprake was van een wederrechtelijk binnendringen van verdachte in de woning aan de [straat] in Enschede, nu verdachte met [slachtoffer] had afgesproken dat verdachte wat kleding, spullen en de hond kwam ophalen. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte regelmatig langskwam bij deze woning voor post of om zijn zoon op te halen. Gelet op de verklaring van verdachte dat hij af en toe langs kwam voor de post en voor zijn zoon, heeft de raadsvrouw twijfels bij de objectiviteit van de verklaring van de getuige [getuige 1].


De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Voor bewezenverklaring van artikel 138 Sr moet sprake zijn van het wederrechtelijk binnendringen in een woning die bij een ander in gebruik is. Naar het oordeel van de Hoge Raad is sprake van wederrechtelijk binnendringen indien dit tegen de onmiskenbare wil van de rechthebbende geschiedt.


Als vaststaand wordt aangenomen dat de woning aan de [straat] in Enschede in ieder geval in de maand februari 2013 bij aangeefster [slachtoffer] in gebruik was en dat verdachte hier niet meer woonachtig was. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte, op het moment dat aangeefster de deur van de woning opende, aangeefster aan de kant duwde en zonder haar toestemming de woning heeft betreden. Getuige [getuige 1], de broer van aangeefster, heeft gezien dat verdachte zich, door aangeefster uit de weg te duwen, de toegang tot de woning heeft verschaft, enige tijd in de woning verbleef en heeft gehoord dat verdachte, ondanks verzoeken van aangeefster daartoe, de woning niet direct heeft verlaten. Verdachte zelf heeft verklaard dat hij in de woning aan de [straat] in Enschede is geweest en dat aangeefster hem heeft verzocht de woning te verlaten, doch dat hij dit niet direct heeft gedaan.


De rechtbank overweegt dat de verklaring van aangeefster grotendeels en ook op essentiële punten steun vindt in de verklaring van getuige [getuige 1]. De rechtbank heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid van beide verklaringen. Op basis van de aangifte en de verklaring van getuige [getuige 1] staat voor de rechtbank vast dat verdachte zich op gewelddadige wijze de toegang tot de woning heeft verschaft. Deze wijze van toegang verschaffen, staat naar het oordeel van de rechtbank haaks op verdachtes stelling dat hij uitdrukkelijke toestemming had om de woning te betreden. Dat, zoals verdachte heeft gesteld, een afspraak is gemaakt met aangeefster om post, spullen en de hond op te komen halen, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat verdachte zich daarmee tevens toestemming heeft verworven om de woning te betreden. Nu aangeefster met woorden voorts aan verdachte te kennen heeft gegeven dat verdachte de woning diende te verlaten, moet ook voor verdachte duidelijk zijn geweest dat hij zich tegen de wil van aangeefster in de woning bevond. Op basis van het voormelde staat voor de rechtbank vast dat verdachte zich tegen de onmiskenbare wil van aangeefster en aldus wederrechtelijk in de woning bevond en acht de rechtbank het onder 2 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Dat verdachte op andere momenten eveneens in de woning is geweest, doet aan de wederrechtelijkheid van het binnentreden op onderhavig moment niet af. De rechtbank verwerpt aldus het verweer van de verdediging hieromtrent.


5.3

De conclusie


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


2.

hij in de maand februari 2013 te Enschede wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen aan de [straat] en in gebruik bij [slachtoffer].


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 138 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op: feit 2 het misdrijf: in de woning bij een ander in gebruik wederrechtelijk binnendringen.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.


8De op te leggen straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte is zonder toestemming en tegen de wil van zijn voormalige echtgenote [slachtoffer] de woning waar zij woonachtig is binnengedrongen en heeft, ondanks verzoek van [slachtoffer] hiertoe, geweigerd de woning direct te verlaten. De rechtbank betitelt daarbij de wijze waarop verdachte de woning is binnengestormd, waarbij hij zonder aanleiding [slachtoffer] hardhandig aan de kant heeft geduwd en de woning heeft betreden, als een ernstige vorm van binnendringen. Verdachte heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer]. Dit rekent de rechtbank verdachte aan, te meer nu de woning een plek zou moeten zijn waar [slachtoffer] zich veilig moet kunnen voelen en ongestoord moet kunnen leven.


De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf en de hoogte daarvan rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Voor een feit als het onderhavige is geen oriëntatiepunt vastgesteld. De rechtbank acht strafverminderend dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Op basis van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een geldboete van € 300,- passend en geboden is.


9De schade van benadeelde


[slachtoffer], wonende te [woonplaats] aan de [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de post: immateriële schade/smartengeld.


Dit is gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partij behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen. Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.


Ingevolge artikel 51f Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich ter zake zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Van rechtstreekse schade is sprake als iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering wegens het ontbreken van rechtstreekse schade, nu verdachte van het onder 1 tenlastegelegde feit wordt vrijgesproken. Ten aanzien van het bewezenverklaarde feit 2 is geen rechtstreekse schade gesteld. De benadeelde partij wordt derhalve niet ontvankelijk verklaard en kan haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.


10De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 23, 24, 24c, 27 Sr.

11De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
  • - verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2 meer of anders is tenlastegelegd, dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:feit 2 het misdrijf: in de woning bij een ander in gebruik wederrechtelijk binnendringen;
  • - verklaart verdachte strafbaar voor het onder 2 bewezenverklaarde;

straf

  • - veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen;
  • - beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de geldboete in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor één in verzekering doorgebrachte dag

€ 50,00 (vijftig euro) aftrek plaatsvindt;


schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer], wonende te [woonplaats] aan de [adres], in het geheel niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.



Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aksu, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. E.J.M. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockötter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2015.

De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.


Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Twente, Cluster Oost, team Enschede West, met nummer PL0500-2014096376. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


- het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 maart 2015, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Ik ben in de maand februari 2013 in de woning aan de [straat] in Enschede geweest. Het was een donderdagavond. Deze woning is in gebruik bij [slachtoffer]. Ik ging naar de woning om de post op te halen. Ik heb bij de woning aangebeld. [slachtoffer] deed de deur open. Ik ben de woning binnen gegaan. Ik ben op de bank gaan zitten en ik heb de post daar open gemaakt, maar dat vond [slachtoffer] niet goed. [slachtoffer] vroeg me om weg te gaan, maar ik wilde nog graag een kus van mijn zoon [zoon].


- het proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer] van 4 juli 2014, pagina 22 en 23, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Vorig jaar heeft [verdachte] (de rechtbank leest: verdachte) de woning betreden zonder mijn toestemming. Hij (de rechtbank leest: verdachte) was bij mij aan de deur gekomen. [verdachte] stormde naar binnen. [verdachte] knalde de deur open en duwde mij met kracht tegen de muur. In de woonkamer ging [verdachte] op de bank liggen. [verdachte] woonde niet meer in deze woning maar gedroeg zich er wel naar.


- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 22 juli 2014, pagina 44 en 45, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Ik zal verklaren wat er op donderdag 14 februari 2013 is gebeurd. Ik ben samen met mijn vrouw bij [slachtoffer] (de rechtbank leest: aangeefster) op bezoek gegaan. Omstreeks 21:30 a 22:00 uur werd er aangebeld. We konden niet zien wie er aanbelde. [slachtoffer] liep naar de voordeur en opende de deur. Ik en mijn vrouw zaten aan de eettafel. Vanaf de tafel hadden wij zicht op de hal. Toen [slachtoffer] de voordeur opende zag ik een mannenhand/arm die [slachtoffer] bij haar schouder greep en krachtig weg duwde. Op dat moment zag ik dat [verdachte] (de rechtbank leest: verdachte) de hal binnen stormde. [verdachte] stormde de woonkamer binnen en ging languit op de bank liggen. [slachtoffer] liep achter hem aan. [slachtoffer] smeekte [verdachte] om de woning te verlaten maar hij zei alleen maar dat het ook zijn woning was. Ze (de rechtbank leest: aangeefster) heeft hem (de rechtbank leest: verdachte) meerdere malen gevraagd weg te gaan, maar

hij gaf hier geen gehoor aan.


1 HR 19 juni 2012, NJ 2012/400.