Rechtbank Overijssel, 28-04-2015 / 07.005011-95


ECLI:NL:RBOVE:2015:2084

Inhoudsindicatie
In een tbs-verlengingszaak schorst de rechtbank Overijssel het onderzoek voor maximaal drie maanden. De rechtbank wil de strafzaak tegen de man afwachten, hij zou in zich tijdens zijn tbs-verlof schuldig hebben gemaakt aan nieuwe strafbare feiten. Verder wacht de rechtbank op verdere rapporten van de deskundigen.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-04-28
Publicatiedatum
2015-04-28
Zaaknummer
07.005011-95
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht - Strafraadkamer


Parketnummer : 07.005011-95

Uitspraak : 28 april 2015


Beslissing op de vordering van het openbaar ministerie tot verlenging van de termijn, gedurende welke:


[betrokkene],

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats],

thans verblijvende Dr. S. van Mesdag, Helperlinie 5 te Groningen,

hierna te noemen: betrokkene,


ter beschikking is gesteld teneinde van overheidswege te worden verpleegd.


Betrokkene is bij vonnis van de rechtbank te Zwolle d.d. 21 juni 1995 ter beschikking gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege, van welke terbeschikkingstelling de termijn is ingegaan op 16 maart 1998. Deze terbeschikkingstelling is laatstelijk verlengd bij beschikking van deze rechtbank d.d. 29 april 2014 en eindigt behoudens nadere voorziening op 16 maart 2015.


Het openbaar ministerie heeft op 2 februari 2015 een vordering ingediend tot verlenging van bovenvermelde termijn met twee jaar. Bij die vordering zijn de door de wet voorgeschreven stukken overgelegd.


Het onderzoek in raadkamer heeft plaatsgevonden op 14 april 2015.

In raadkamer zijn in het openbaar gehoord:

  • - betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman mr. F.P. Holthuis, advocaat te ‘s-Gravenhage,
  • - de officier van justitie mr. L. Grooters,
  • - T. Hanneman, behandelcoördinator, verbonden aan Dr. S. van Mesdag, als deskundige.

Op 20 januari 2015 hebben T. Hanneman, GZ-psycholoog en H.J. Beintema, psychiater, namens de kliniek rapport en advies uitgebracht over de eventuele verlenging van de termijn van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Geadviseerd is om deze maatregel voor de duur van twee jaar te verlengen.


Verder is, nu het openbaar ministerie een verlenging vordert waardoor de totale duur van de terbeschikkingstelling een periode van zes jaar te boven gaat, op 30 maart 2015 door H.A. Gerritsen, psychiater, en op 31 maart 2015 door P.E. Geurink, psycholoog, rapport en advies uitgebracht.


De officier van justitie heeft in raadkamer primair gevorderd de behandeling van de vordering aan te houden teneinde de uitspraak in de nieuwe strafzaak tegen betrokkene af te wachten, zodat de deskundigen de uitspraak in die strafzaak bij hun onderzoek kunnen betrekken en nader kunnen rapporteren.

Subsidiair heeft de officier van justitie, conform het advies van de kliniek, gevorderd de duur van de TBS met dwangverpleging met twee jaar te verlengen. De officier van justitie heeft daartoe -kort samengevat- aangevoerd dat gezien betrokkenes persoonlijkheidsproblematiek en het hoge recidivegevaar resocialisatie (waarschijnlijk) uitgesloten is en dat de maatschappij tegen betrokkene dient te worden beschermd.


De raadsman heeft primair verzocht betrokkene te laten observeren in het Pieter Baan Centrum (PBC), teneinde meer duidelijkheid te krijgen over betrokkenes diagnose en over de vraag of er nog herhalingsgevaar is. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de nieuwe strafzaak af te wachten, zodat de deskundigen de uitkomst van de strafzaak bij hun onderzoek kunnen betrekken en aanvullend kunnen rapporteren. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht de duur van de verlenging tot één jaar te beperken.


Hervatting van het onderzoek


De rechtbank kan terzake van de onderhavige vordering nog niet tot een eindbeslissing komen. Tijdens de beraadslaging is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, zodat het moet worden heropend. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.


Betrokkene bevindt zich vanaf 1998 in de TBS. De afgelopen jaren heeft betrokkene tweemaal de longstay-status gekregen, maar zijn er ook meerdere resocialisatiepogingen ondernomen. Deze pogingen zijn telkens vanwege ernstige gedragsproblematiek van betrokkene gestaakt. Betrokkene is in april 2014 in het kader van een hernieuwde resocialisatiepoging overgeplaatst naar een resocialisatieafdeling waar hij een stappenplan voor onbegeleid verlof heeft doorlopen. Nadat de toegekende verloven wegens meerdere incidenten waren ingetrokken, zijn de verloven in november 2014 weer opgestart. Tijdens het eerste recreatieve landelijke verlof op 6 december 2014 is betrokkene niet teruggekeerd naar de kliniek. In de nacht van 7 op 8 december 2014 is betrokkene in zijn auto door de politie aangehouden. In zijn auto was een vrouw aanwezig die zich hier naar haar zeggen niet vrijwillig bevond. Betrokkene is, na preventieve detentie, weer in de kliniek teruggeplaatst en vervolgens is een nieuwe longstay-status voor betrokkene aangevraagd. Betrokkene wordt thans verdacht van wederrechtelijke vrijheidsberoving, verkrachting en mishandeling. De behandeling van deze stafzaak staat op 22 juni 2015 bij de rechtbank te Groningen gepland.


De kliniek en de psychiater zijn tot de conclusie gekomen dat bij betrokkene sprake is van een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale narcistische en paranoïde trekken. De psycholoog heeft vanwege het ontbreken van informatie over de nieuwe strafzaak tegen betrokkene geen definitieve conclusies over de diagnose willen stellen. Hij heeft echter wel geconcludeerd dat er aanwijzingen voor antisociale en narcistische kenmerken in betrokkenes persoonlijkheid zijn.


Wat betreft het gevaarscriterium heeft de kliniek het recidiverisico in het kader van onbegeleid verlof als matig ingeschat. De inschatting van de kliniek is verder dat het recidivegevaar in het kader van een onvoorwaardelijke beëindiging matig tot hoog is. Volgens de kliniek is gebleken dat een verblijf in een FPC noodzakelijk is om recidive te voorkomen en dat het uitbreiden van vrijheden tot onaanvaardbare risico’s leidt. De psychiater heeft het risico op een nieuw geweldsdelict als laag ingeschat. Het risico op een nieuw geweldsdelict wordt volgens de psychiater groter naarmate betrokkene meer vrijheid en externe structuur heeft. De psychiater is er op voorhand niet van overtuigd dat het risico op toekomstige partnerdoding, het indexdelict, per definitie matig tot hoog is als de TBS zou worden opgeheven. De psychiater heeft zich in zijn rapport afgevraagd of de risicoprognose van de kliniek niet te negatief is. Hoewel de psychiater de vraagstelling over het recidiverisico heeft beantwoord, heeft hij hierbij de nieuwe strafzaak tegen betrokkene buiten beschouwing gelaten. Hij heeft daarbij vermeld dat zijn conclusies kunnen wijzigen als er wel duidelijkheid over deze strafbare feiten is. De psycholoog is vanwege de nieuwe strafzaak, en de afwezigheid van informatie hierover, van mening dat hij - onder meer - ten aanzien van het recidivegevaar geen gefundeerde uitspraken kan doen. Het is volgens de psycholoog niet uit te sluiten dat kennis van de uitkomst van de strafzaak tot andere diagnostische overwegingen ten aanzien van betrokkene zal leiden. Dit kan volgens de psycholoog weer effect hebben op de klinische en klinisch statistische risicotaxatie. De psycholoog heeft aangegeven dat het zijn voorkeur heeft pas uitspraken over -onder meer- de risicotaxatie te doen als de rechters zich over de strafzaak hebben gebogen. De psycholoog heeft zich daarom van het verrichten van een risicotaxatie onthouden.


Waar de psycholoog, indien de nieuwe strafzaak buiten beschouwing wordt gelaten, mogelijkheden ziet een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging te onderzoeken en de psychiater een aangepast resocialisatietraject tot de mogelijkheden vindt behoren, heeft de kliniek aangegeven thans de longstay als enige optie te zien.


De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek niet volledig is, nu met name ten aanzien van het gevaarscriterium geen duidelijkheid is verkregen. De psycholoog is niet tot definitieve conclusies ten aanzien van de risicotaxatie gekomen en de psychiater heeft een advies gegeven dat na uitkomst van de strafzaak zou kunnen wijzigen. Daarbij heeft de psychiater bij de conclusies van de kliniek de vraag opgeworpen of de inschatting van de kliniek niet te negatief is. Gezien het feit dat de behandeling van betrokkene zich thans in een cruciale fase bevindt als het gaat om het bepalen van de richting voor de toekomst, dient bij de beoordeling van de vordering alle zorgvuldigheid te worden betracht.


Het voorstel van de raadsman betrokkene in het PBC te laten observeren acht de rechtbank niet noodzakelijk. De kliniek, de psychiater en de psycholoog zijn op grond van het door hen verrichte onderzoek in staat geweest een (voorlopige) diagnose te stellen. De kliniek en de deskundigen zijn wat betreft de diagnose (op dit moment) tot dezelfde conclusies gekomen. Verder is niet gebleken dat de psychiater en de psycholoog niet zelf tot een inschatting van het recidivegevaar in staat zullen zijn. De enige reden waarom op dat punt geen definitieve conclusies zijn getrokken, is voornamelijk gelegen in het feit dat de vereiste informatie over de strafzaak tegen betrokkene heeft ontbroken.


De rechtbank acht het gezien het hiervoor overwogene van belang dat de deskundigen hun onderzoek hervatten en daarbij het vonnis in de strafzaak, die op 22 juni 2015 bij de rechtbank te Groningen tegen betrokkene zal dienen, zullen betrekken. De deskundigen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld nader over hun bevindingen en conclusies te rapporteren. Hierbij dient tevens de gebruikelijke vraagstelling, waaronder de vraag naar inschatting van het risico op gewelddadig gedrag, door hen te worden beantwoord. De rechtbank zal daartoe het onderzoek heropenen en vervolgens de behandeling van de vordering aanhouden. De rechtbank zal aldus niet binnen de in artikel 509t, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn op de vordering kunnen beslissen.


Gezien de omstandigheid dat het afwachten van de strafzaak en het laten opmaken van nadere rapportage in het belang van betrokkene is, en daartoe ook door de raadsman is verzocht, zal betrokkene met de heropening en aanhouding van het onderzoek niet in zijn belangen worden geschaad.


BESLISSING


Het onderzoek wordt heropend en meteen voor onbepaalde tijd, maximaal drie maanden, geschorst, teneinde:


  • - het vonnis in de strafzaak tegen betrokkene, die op 22 juni 2015 bij de rechtbank te Groningen zal dienen, af te wachten;
  • - de psychiater H.A. Gerritsen, en de psycholoog, P.E. Geurink, met inachtneming van vorenbedoeld vonnis, nader te laten rapporteren, met beantwoording van de gebruikelijke vraagstelling, waaronder met name de vraag over de inschatting van het risico op gewelddadig gedrag.

De rechtbank stelt daartoe de stukken in handen van de officier van justitie.


De voorzitter beveelt de oproeping van betrokkene, met afschrift hiervan aan diens raadsman, om op de nader te bepalen terechtzitting te verschijnen.


Aldus gewezen door mr. F. van der Maden, voorzitter, mrs. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en M. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.E. Martini als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 april 2015.