Rechtbank Overijssel, 22-04-2015 / C/08/154293 HA ZA 14-185


ECLI:NL:RBOVE:2015:2188

Inhoudsindicatie
Pandrechten. Geen bescherming ex artikel 3:238 BW.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-04-22
Publicatiedatum
2015-05-01
Zaaknummer
C/08/154293 HA ZA 14-185
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • INS-Updates.nl 2015-0293
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer: C/08/154293 HA ZA 14-185

datum vonnis: 22 april 2015


Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

de naamloze vennootschapABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie,

verder te noemen de Bank,

advocaat: mr. J.W. van Rijswijk te Amsterdam,


en


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[X],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie,

verder te noemen [X],

advocaat: mr. J.B.A. Jansen te Apeldoorn.


In conventie en in voorwaardelijke reconventie :


1Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:


- de dagvaarding, met twaalf producties, alsmede zes beslagstukken,- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie, met vier producties,- de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, met een productie,- de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in voorwaardelijke reconventie, met vier producties,- de conclusie van dupliek in voorwaardelijke reconventie.


1.2.

Partijen hebben vonnis gevraagd. Na aanhouding is de datum van de uitspraak vastgesteld op vandaag.




2. De feiten2.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten, die door de ene partij zijn gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.


2.2.

Bij kredietovereenkomst van 23 maart 2009 heeft de Bank aan ‘Vacanza caravans en campers B.V.’ (verder: ‘Vacanza’) een kredietfaciliteit ter hoogte van € 400.000,- beschikbaar gesteld. Tot zekerheid voor terugbetaling heeft Vacanza op 23 maart 2009 door het aangaan van een ‘combi-pandakte met volmacht’ onder meer haar voorraden, inventaris en vorderingen verpand aan de Bank. Uit hoofde van deze kredietfaciliteit heeft de Bank een vordering gekregen op Vacanza van € 278.969,50.


2.3.

[S] is enig bestuurder van gedaagde [X]. Blijkens een door de Bank overgelegd en door gedaagde niet betwist organogram was gedaagde via andere vennootschappen ([A], [B] en [C]) indirect medebestuurder en aandeelhouder van Vacanza. Op 29 maart 2011 heeft [C] (verder: ‘[C]’) 66.67 % van de aandelen in Vacanza verworven. De resterende 33,3 % bleef in bezit van [D].


2.4.

[X] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij een vordering op Vacanza heeft van € 195.000,- uit hoofde van twee tussen haar en Vacanza op 7 februari 2012 en op 3 december 2012 gesloten kredietovereenkomsten.


2.5.

Een op 3 december 2012 gedateerde pandakte tussen [X] en Vacanza is geregistreerd op 18 januari 2013. Volgens die akte heeft Vacanza op 7 februari 2012 en op 12 maart 2012 ten behoeve van [X] een pandrecht gevestigd op eerst zeven, en later op nogmaals acht caravans. In totaal eenentwintig caravans van Vacanza, waarvan dertien nieuwe en acht occasions, zijn door [X] in pand genomen.


2.6.

De acht occasions zijn kort voor de faillietverklaring verkocht en geleverd aan een derde partij in Rusland. Via [E] heeft [X] als verkoopprijs van die caravans een gefactureerd bedrag van € 50.000,- ontvangen.


2.7.

Op 6 februari 2013 is het faillissement van Vacanza uitgesproken, met benoeming van mr. M.J.J. Severiens tot curator.


2.8.

De dertien nieuwe caravans zijn medio maart 2013 bij Vacanza teruggeplaatst. In april 2013 heeft [E] deze nieuwe caravans gekocht voor € 127.500,-. De netto verkoopopbrengst was € 114.205,50.


2.9.

Partijen verschillen van mening over de vraag aan wie die verkoopopbrengst toekomt. Daarom zijn zij op 11 maart 2013 een escrow-overeenkomst aangegaan, die zakelijk inhoudt dat laatstgenoemd bedrag zou worden gedeponeerd bij de Stichting Derdengelden Dijks Leijssen Advocaten. Dat is inmiddels gebeurd. De Stichting zal het bedrag onder zich houden totdat zij op grond van de escrow-overeenkomst verplicht is om dit uit te betalen.




3. Het standpunt van de Bank


3.1.

De Bank heeft uit hoofde van haar met Vacanza gesloten kredietovereenkomst een vordering op (de faillissementsboedel van) Vacanza tot een bedrag van € 278.969,50. Zij is ingevolge de met Vacanza op 23 maart 2009 aangegane ‘combi-pandakte met volmacht’ pandhouder van (onder meer) de handelsvoorraad van Vacanza, en daarom als separatist gerechtigd om haar vordering te verhalen op de in escrow gehouden opbrengst van de dertien nieuwe caravans, die deel uitmaakten van de handelsvoorraad van Vacanza.


3.2.

Daarom vordert de Bank in conventie om voor recht te verklaren dat zij gerechtigd is tot het bedrag op de escrow-rekening.


3.3.

De Bank vordert daarnaast uit hoofde van onrechtmatige daad veroordeling van [X] tot betaling van € 60.000,-, zijnde de opbrengst van de acht occasions, die ook tot de handelsvoorraad van Vacanza behoorden. [X] heeft dat bedrag ontvangen.


3.4.

[X] heeft geen ouder pandrecht op de goederen dan de Bank. Immers, die door [X] gepretendeerde pandrechten dateren pas van 7 februari 2012 en 3 december 2012, terwijl het pandrecht van de Bank al werd gevestigd op 23 maart 2009.


3.5.

Anders dan [X] heeft aangevoerd, kan het beroep van de Bank op haar pandrecht niet leiden tot ongerechtvaardigde verrijking. Het pandrecht van de Bank is immers rechtsgeldig gevestigd. Het inroepen van dat recht is dus gerechtvaardigd.


3.6.

Evenmin is sprake van onrechtmatig handelen van de Bank, noch is haar beroep op haar pandrecht naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid jegens [X] onaanvaardbaar. Volgens [X] is dit het geval, omdat de Bank met een succesvol beroep op haar pandrecht zou profiteren van financiële middelen, die [X] aan Vacanza heeft verstrekt, maar die redenering van [X] is onjuist.


3.7.

[X] stelt weliswaar dat zij slechts tegen verkrijging van een eersterangs pandrecht bereid was om Vacanza te financieren, maar het viel onder de eigen verantwoordelijkheid van [X] om na te gaan of Vacanza wel in een positie was om aan [X] zo’n pandrecht te verstrekken.


3.8.

Op grond van artikel 3:238 lid 2 jo. lid 1 BW wordt een lager gerangschikte pandhouder beschermd tegen onbekendheid met een ouder pandrecht, indien de lager gerangschikte pandhouder op het moment van invuistpandneming het oudere pandrecht niet kende noch behoorde te kennen.


3.9.

Van zo’n geval is hier geen sprake. Hoewel op de Bank geen verplichting rustte om Vacanza van haar pandrecht op de hoogte te stellen, was [X] al voor de vestiging van haar pandrecht al op de hoogte van het oudere recht van de Bank, (onder meer) doordat dit al ter sprake was gekomen in een gesprek op 14 februari 2011 tussen de Bank, [X] en haar accountant. [X] kon ook op de hoogte zijn omdat zij, alvorens in Vacanza te investeren, naar Vacanza een onderzoek heeft ingesteld en dit ook door financieel deskundigen heeft laten doen.


3.10.

Bovendien is in het concept-jaarrapport van Vacanza over 2011, dat aan de Bank werd verstuurd op 13 juli 2013 en waarvan [X] als (indirect) bestuurder van Vacanza al eerder op de hoogte moet zijn geweest, melding gemaakt van de verpanding van (onder meer) de voorraden van Vacanza aan de Bank.


3.11.

Evenmin kan [X] met succes een beroep doen op een eigendomsvoorbehoud van de leverancier van de caravans, welk voorbehoud belette dat Vacanza de eigendom van de caravans verwierf, zodat de Bank daarop geen pandrecht heeft kunnen verkrijgen.


3.12.

Uit de kredietovereenkomsten en pandovereenkomsten van [X] met Vacanza blijkt nergens van een zekerheidsconstructie die een eerdere financier van Vacanza, ‘Deutsche Leasing Factoring GmbH’ (verder: DLF), voorrang zouden geven boven andere zekerheidshouders.


3.13.

De Bank heeft, door geen bezwaar te maken tegen de vestiging van een pandrecht door [X], geen afstand gedaan van haar eigen, oudere pandrecht. Voor afstand van recht is een meerzijdige rechtshandeling vereist. Die ontbreekt in dit geval. Het enkel uitblijven van een reactie of protest kan niet leiden tot afstand van een recht. Bijkomende bijzondere omstandigheden heeft [X] niet gesteld.


3.14.

Het beroep van de Bank op haar pandrecht is ook overigens geenszins onredelijk. Zij had immers aan Vacanza een kredietfaciliteit verstrekt van € 400.000,-, uit hoofde waarvan zij een vordering op Vacanza heeft gekregen van € 278.969,50. Verhoging van dat krediet vond de Bank niet verantwoord en zij was daartoe ook niet verplicht. Het staat de Bank vrij om die vordering (voor zover mogelijk) te verhalen op de caravans in de aan haar verpande handelsvoorraad van Vacanza.


4. Het standpunt van [X]


4.1.

[X] bestrijdt de vordering met de volgende verweren.


4.2.

De Bank heeft geen eerste pandrecht op de onderhavige caravans verworven. Tot begin 2011 financierde Vacanza de aankoop van caravans via de Deutsche Leasing Factoring (DLF). Importeurs of fabrikanten leverden aan Vacanza caravans onder eigendomsvoorbehoud. DLF nam van hen de vordering op Vacanza tot betaling van de koopprijs over, inclusief het eigendomsvoorbehoud. Vacanza verwierf de eigendom van de caravans dus niet, zodat de Bank deze ook niet in pand kreeg. De Bank was van deze werkwijze volledig op de hoogte.


4.3.

De Bank zou door toewijzing van de vorderingen ongerechtvaardigd worden verrijkt. Immers, [X] heeft Vacanza gefinancierd, omdat de Bank dat niet meer wilde. Zonder die financiering door [X] zou Vacanza de onderhavige caravans niet in eigendom hebben verworven. De Bank was zelf niet meer bereid om aan Vacanza nog krediet te verschaffen. Zonder financiering door [X] zou de Bank de caravans niet in pand hebben gekregen.


4.4.

Het beroep van de Bank op haar pandrecht is bovendien naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, nu de Bank welbewust heeft besloten om de voorraad van Vacanza niet langer te financieren, terwijl zij er volledig van op de hoogte was dat [X] die financiering op zich nam.


4.5.

De Bank heeft [X], toen deze haar voornemen tot financiering van Vacanza besprak met de Bank, [X] niet eens op de hoogte gesteld van haar pandrecht op de handelsvoorraad van Vacanza. Onder deze omstandigheden gaat het niet aan dat de Bank profiteert van door [X] genomen risico’s, die de Bank zelf niet meer durfde te nemen.


4.6.

De Bank was op de hoogte van de door [X] gevestigde pandrechten, maar heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt. Door niet te protesteren heeft de Bank afstand gedaan van haar eigen pandrecht.


4.7.

[X] heeft voor wat betreft de opbrengst van de acht occasions in het kader van een minnelijke regeling met de curator in het faillissement van Vacanza al een bedrag betaald. [X] heeft voor die caravans geen € 60.000,-, maar € 50.000,- ontvangen.


4.8.

Gezien het voorgaande, aldus [X], moet de eis in conventie worden afgewezen, terwijl in voorwaardelijke reconventie voor recht moet worden verklaard dat [X] gerechtigd is tot het bedrag op de escrow-rekening, met opheffing van de door de Bank gelegde beslagen en met veroordeling van de Bank tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten.


5. De beoordeling


5.1.

Vast staat dat Vacanza op 23 maart 2009 door het aangaan van een ‘combi-pandakte met volmacht’ onder meer haar handelsvoorraden heeft verpand aan de Bank.


5.2.

Dit pandrecht omvat de onderhavige caravans. De rechtbank verwerpt het betoog van [X], dat deze caravans krachtens eigendomsvoorbehoud na levering eigendom zijn gebleven van DLF en dus geen eigendom van Vacanza zijn geworden, zodat zij niet onder het pandrecht van de Bank op de voorraad van Vacanza zijn gevallen. [X] heeft dat standpunt onvoldoende onderbouwd.


5.3.

Immers, een door [X] overgelegd contract tussen Vacanza en DLF dateert uit 2009, terwijl [X] zelf heeft gesteld dat DLF zich begin 2011 terugtrok als financier van Vacanza, terwijl de onderhavige caravans door Vacanza zijn verkocht kort voor haar faillissement op 6 februari 2013. Gezien dit onbetwiste tijdsverloop valt zonder aanvullende documentatie, die ontbreekt, niet vast te stellen dat één of meer van de caravans niet in eigendom aan Vacanza zijn overgedragen.


5.4.

Het moet er daarom voor worden gehouden dat de Bank die caravans in pand heeft gekregen krachtens een eerder gevestigd pandrecht dan dat van [X], aangezien Vacanza niet eerder dan op 3 december 2012 tot haar handelsvoorraad behorende caravans aan [X] in pand heeft gegeven.


5.5.

De Bank heeft dus een ouder pandrecht op de onderhavige caravans dan [X]. [X] wordt niet door artikel 3:238 lid 2 jo. lid 1 BW beschermd tegen de door haar gestelde en door de Bank betwiste onbekendheid met dit oudere pandrecht van de Bank, omdat [X] ten tijde van haar inpandneming van de caravans die eerdere verpanding aan de Bank kende, althans die in de zin van de hiervoor genoemde wetsbepaling had behoren te kennen.


5.6.

Zoals de Bank onbetwist heeft gesteld, kon [X] ten tijde van de vestiging van haar pandrecht op de hoogte zijn van het oudere pandrecht van de Bank omdat zij, alvorens in Vacanza te investeren, naar Vacanza een onderzoek heeft ingesteld en dit ook door financieel deskundigen heeft laten doen. Bovendien is in het concept-jaarrapport van Vacanza over 2011, dat aan de Bank werd verstuurd op 13 juli 2013 en waarvan [X] als (indirect) bestuurder van Vacanza al veel eerder op de hoogte moet zijn geweest, melding gemaakt van de verpanding van (onder meer) de voorraden van Vacanza aan de Bank.


5.7.

Anders dan [X] stelt wordt de Bank door het inroepen van haar pandrecht niet ongerechtvaardigd verrijkt. Het pandrecht van de Bank is rechtsgeldig gevestigd. Het inroepen van dat recht is daarom gerechtvaardigd.


5.8.

Daaraan kan ook niet afdoen dat, zoals [X] heeft aangevoerd, [X] Vacanza heeft gefinancierd omdat de Bank dat niet meer wilde, en dat zonder die financiering door [X] Vacanza de onderhavige caravans niet in eigendom hebben verworven en de Bank de caravans niet in pand zou hebben gekregen.


5.9.

Immers, voordat [X] Vacanza financierde, had de Bank al een aanzienlijke vordering op Vacanza. Verhoging van dat krediet vond de Bank niet verantwoord en zij was daartoe ook niet verplicht. De Bank handelt geenszins onbehoorlijk door die vordering (voor zover mogelijk) te verhalen op de caravans in de aan haar in 2009 verpande handelsvoorraad van Vacanza. Van ongerechtvaardigde verrijking van de Bank is onder de gegeven omstandigheden geen sprake.


5.10.

In dezelfde zin beantwoordt de rechtbank het verweer, dat het beroep van de Bank op haar pandrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat de Bank welbewust heeft besloten om de voorraad van Vacanza niet langer te financieren, terwijl zij er volledig van op de hoogte was dat [X] die financiering op zich nam.


5.11.

De beslissing van de Bank om het door haar aan Vacanza verleende krediet niet (verder) te verhogen was jegens [X] niet onredelijk, noch onbillijk, noch onzorgvuldig of anderszins onrechtmatig. De Bank oordeelde verzwaring van haar risico niet verantwoord. Het stond de Bank vrij om die afweging te maken. Zij hoefde geen andere beslissing te nemen omdat [X] het financieringsrisico anders taxeerde.


5.12.

Uit het voorgaande volgt, dat de Bank gerechtigd is tot de in escrow gehouden opbrengst van de dertien nieuwe caravans. De Bank maakt daarop terecht aanspraak op grond van haar oudere pandrecht. Anders dan [X] heeft aangevoerd heeft de Bank, door niet te protesteren tegen de later door [X] gevestigde pandrechten, geen afstand gedaan van haar eigen pandrecht. Het enkel uitblijven van een reactie of protest kan niet leiden tot afstand van een recht. Bijkomende bijzondere omstandigheden heeft [X] niet gesteld.


5.13.

Ook de vordering van de Bank tot betaling van de opbrengst van de acht occasions is voor toewijzing vatbaar, met dien verstande dat van het gevorderde bedrag van € 60.000,- niet meer dan € 50.000,- kan worden toegewezen omdat [X] met een door de Bank niet betwiste factuur heeft onderbouwd dat zij voor de caravans niet meer heeft ontvangen dan laatstgenoemd bedrag.


5.14.

Daaraan kan niet afdoen dat [X] met betrekking tot de zeer kort voor de faillissementsdatum gerealiseerde verkoop van de acht occasions een minnelijke regeling heeft getroffen met de curator in het faillissement van Vacanza. De Bank was geen partij bij die regeling en ontkent dat zij van de inhoud daarvan op de hoogte is.


5.15.

Deze minnelijke regeling tussen [X] en de curator is in dit geding ook niet overgelegd, zodat de Bank zich daarover niet heeft kunnen uitlaten en ook de rechtbank van de regeling geen kennis heeft kunnen nemen en deze dus (nog afgezien van de inhoud daarvan) ook niet in aanmerking kan nemen bij de beoordeling van de vorderingen van de Bank.


5.16.

[X] moet als de in conventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden belast met de proceskosten.


In voorwaardelijke reconventie:


5.17.

De eis in voorwaardelijke reconventie is ingesteld onder voorwaarde van (kort samengevat) afwijzing van de vorderingen van de Bank in conventie. Nu die voorwaarde niet wordt vervuld, zal de rechtbank vaststellen dat geen eis in reconventie is ingesteld.


6De beslissing

De rechtbank:


In conventie: I. Veroordeelt [X] om aan de Bank te betalen € 50.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag van 6 februari 2013 tot de dag der voldoening.


II. Verklaart voor recht dat de Bank rechthebbende is op het escrow-bedrag van € 114.205,50 op de escrow-rekening bij de Stichting Derdengelden Dijks Leijssen Advocaten, te vermeerderen met de geaccumuleerde rente over dat bedrag van de dag, waarop het bedrag op de escrow-rekening is gedeponeerd, tot de dag waarop het bedrag aan de Bank wordt vrijgegeven.


III. Veroordeelt [X] in de proceskosten, aan de zijde van de Bank tot deze uitspraak begroot op € 2.784,87 voor verschotten (vast recht € 1.892,-, kosten dagvaarding € 98,36 en beslagkosten € 794,51) en op € 4.263,- voor salaris van haar advocaat (Tarief V, drie punten).


IV. Verklaart de hiervoor onder I. en III. vermelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.


V. Wijst af het meer of anders gevorderde.


In voorwaardelijke reconventie: VI. Stelt vast, dat geen eis in reconventie is ingesteld.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Hangelbroek en op 22 april 2015

in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.