Rechtbank Overijssel, 01-05-2015 / 08/770118-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:2216

Inhoudsindicatie
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing, waarbij het slachtoffer letsel heeft opgelopen. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van tweeënveertig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk dient te worden opgelegd.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-05-01
Publicatiedatum
2015-05-06
Zaaknummer
08/770118-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummer: 08/770118-14

Datum vonnis: 1 mei 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1980 in [geboorteplaats] (Marokko),

wonende in [woonplaats],

nu verblijvende in PI Arnhem, HvB Arnhem Zuid te Arnhem.



1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 april 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.M. Brugman en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman

mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


feit 1: al dan niet samen met een ander of anderen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met de dood dan wel zware mishandeling;


feit 2: al dan niet samen met een ander of anderen, [slachtoffer 4] met geweld of bedreiging met geweld heeft afgeperst en/of bestolen, dan wel dat hij, al dan niet samen met een ander of anderen, [slachtoffer 4] heeft mishandeld en/of heeft bedreigd met dood dan wel zware mishandeling.


Voluit luidt – na wijziging – de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


1.

hij op of omstreeks 07 november 2014 in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in zijn handen gehad en/of een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gericht en/of gericht gehouden op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3] en/of (hard/met kracht) tegen de voordeur van de woning heeft/hebben geduwd (teneinde te trachten de woning binnen te stormen/te komen/ te dringen) en/of een snijbeweging langs zijn keel gemaakt en/of (voorafgaand en/of daarbij en/of daarna) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "waar is je vader" en/of (nadat hij, verdachte een briefje met daarop een telefoonnummer aan die [slachtoffer 1] had gegeven) "hier moet naartoe gebeld worden" en/of "Ik maak je dood" en/of "We zijn nog niet klaar" en/of lk maak je af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;


2.

hij op of omstreeks 04 november 2014 in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 4] te dwingen tot de afgifte van geld en/of (een) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),


en/of


met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres] weg te nemen goederen en/of geld van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 4], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

- heeft aangebeld bij de woning aan de [adres] en/of

- zich heeft voorgedaan als ware hij van de Gemeente en/of gemeenteamtenaar en/of (nadat hij, verdachte, was binnen gelaten)

- ( vervolgens) de voordeur weer heeft geopend (teneinde zijn twee gemaskerde mededaders binnen te laten) en/of

- die [slachtoffer 4] van achteren om/bij de nek heeft/hebben vastgepakt/ vastgegrepen en/of

- ( hard/met kracht) die [slachtoffer 4] in/op/tegen het gezicht en/of het lichaam

heeft/hebben geslagen en/of

- de rolgordijnen van de woning heeft/hebben dichtgedaan en/of

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in zijn/hun handen heeft/ hebben vastgehad en/of

- die [slachtoffer 4] onder schot heeft/hebben gehouden en/of

- een stroomstootwapen te voorschijn heeft/hebben gehaald en/of getoond en/of

- zwarte strips/tie-raps te voorschijn heeft/hebben gehaald, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat


hij op of omstreeks 04 november 2014 in de gemeente Almere tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 4] heeft mishandeld door meermalen, althans éénmaal, (hard/met kracht) in/op/tegen het gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer 4] te slaan;


en/of


hij op of omstreeks 04 november 2014 in de gemeente Almere, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in zijn/hun hand(en) vastgehad en/of met een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, die [slachtoffer 4] onder schot gehouden en/of een stroomstootwapen in zijn/hun hand(en) vastgehad.


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het onder feit 1 en feit 2 primair cumulatief ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en met oplegging van bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen en te vermeerderen met de wettelijke rente alsmede de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling van het bewijs


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 en het onder feit 2 primair cumulatief tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie gesteld dat op basis van de verklaringen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in samenhang met de verklaring van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] dat zij naar de woning zijn gegaan, het tenlastegelegde bewezen kan worden. Volgens de officier van justitie dient meer waarde te worden gehecht aan de verklaringen van aangevers dan aan die van de verdachten. De verklaringen van de aangevers hebben, hoewel zij op onderdelen niet gelijkluidend zijn, alle wel dezelfde strekking, terwijl uit de verklaringen van verdachten inconsistenties en onwaarschijnlijkheden naar voren komen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie gesteld dat op basis van de verklaring van aangever, de aangetroffen sporen in de woning van aangever, de bij de doorzoeking in de woning van medeverdachte [medeverdachte] aangetroffen goederen en de verklaring van zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte], bewezen kan worden dat verdachte de feit 2 primair tenlastegelegde poging tot diefstal met geweld in vereniging alsmede de poging tot afpersing in vereniging heeft gepleegd.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder feit 1 en feit 2 primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Wat betreft feit 1 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] weliswaar naar de woning zijn gegaan, maar dat enkel hebben gedaan om het nieuwe telefoonnummer van verdachte af te geven. Van een bedreiging van aangevers is geen sprake geweest. De door aangevers afgelegde verklaringen kunnen niet betrouwbaar worden geacht.

Ten aanzien van feit 2 primair heeft de verdediging in de eerste plaats aangevoerd dat verdachte weliswaar met [medeverdachte] en een derde persoon naar de woning van aangever zijn gegaan, maar dat was om een betalingsregeling te treffen voor een nog openstaande schuld van aangever [slachtoffer 4] aan verdachte. Van een poging tot diefstal en/of poging tot afpersing is naar de uiterlijke verschijningsvorm geen sprake geweest. De verklaring van aangever kan niet betrouwbaar worden geacht, nu aangever geen openheid van zaken heeft gegeven over de achtergrond van de gebeurtenissen en hij bovendien op punten zelfs leugenachtig heeft verklaard.

In de tweede plaats heeft de verdediging de rechtbank verzocht om, in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde komt en waarbij de verklaring van [getuige] -voor zover het gaat over het vermeende dragen van bivakmutsen- voor het bewijs wordt gebezigd, het onderzoek ter terechtzitting te heropenen en de geluidsopnames van het verhoor van getuige [getuige] bij de politie op een nader te bepalen terechtzitting uit te luisteren, teneinde te horen wat deze getuige al dan niet heeft verklaard over de aanwezigheid van bivakmutsen.

Wat betreft het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.


5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


Ten aanzien van feit 1


Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 7 november 2014 naar de woning van [slachtoffer 3] in Enschede zijn gegaan, die op dat moment met haar kinderen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in de woning aanwezig was.

Bij de woning aangekomen belt medeverdachte [medeverdachte], gekleed in een Oxxio-jas, aan waarna [slachtoffer 1] de voordeur opent. Als [medeverdachte] haar een briefje geeft met daarop het nieuwe telefoonnummer van verdachte, ziet [slachtoffer 1] vanachter de op de oprit geparkeerde auto verdachte vandaan komen en begint zij te roepen.

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij zou aanbellen omdat als verdachte dat zou doen, de deur wellicht niet geopend zou worden. Verdachte heeft zich daarom achter de auto verscholen. Als [slachtoffer 1] verdachte ziet, begint zij in het Marokkaans te roepen waarna haar broer [slachtoffer 2] bij de deur verschijnt. Samen doen zij de deur dicht waarna verdachte en [medeverdachte] voor de woning langs weglopen. Zij zien moeder [slachtoffer 3] voor het raam staan, zo verklaart verdachte.

Zowel [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] als moeder [slachtoffer 3] hebben verklaard dat zij zagen dat verdachte en [medeverdachte] een wapen bij zich hadden. [slachtoffer 1] heeft verklaard over een wapen dat de blanke man (medeverdachte [medeverdachte]) op haar richtte toen hij voor de woning langs wegliep en dat hij daarbij een snijdende beweging langs zijn hals maakte en over het wapen dat verdachte bij zich had; [slachtoffer 2] heeft eveneens verklaard over de wapens die de mannen bij zich hadden toen zij voor de deur stonden. Ten overstaan van de rechter-commissaris hebben zij – drie maanden na het voorval – wederom verklaard dat beide verdachten een wapen bij zich hadden en dat medeverdachte [medeverdachte] een snijdende beweging langs zijn hals maakte.

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben ontkend wapens bij zich te hebben gehad en snijdende bewegingen langs hun hals te hebben gemaakt. Zij waren enkel naar de woning gegaan om het nieuwe telefoonnummer van verdachte af te geven in de hoop dat dan telefonisch contact door vader [slachtoffer 4] of [slachtoffer 2] zou worden opgenomen.


Op grond van artikel 338 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter slechts worden aangenomen indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen. Hoewel de door aangevers en getuigen afgelegde verklaringen alle gelden als wettige bewijsmiddelen die voor het bewijs van het tenlastegelegde kunnen dienen, heeft de rechtbank op basis van die bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Zo is over het moment van herkenning van verdachte en de wetenschap dat zij dezelfde mannen zijn die drie dagen eerder in de woning van hun vader waren gedrongen en hem letsel hadden toegebracht, wisselend door aangevers en getuigen verklaard. Daarnaast wijkt de verklaring van [slachtoffer 1], inhoudende dat zij zich pas toen zij onder de douche stond herinnerde dat het de schoonvader van verdachte was die had aangebeld, af van hetgeen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in hun proces-verbaal daarover hebben gerelateerd. Zij relateren namelijk dat, nadat [slachtoffer 1] was gevraagd naar het signalement van de man die aanbelde, [slachtoffer 1] gelijk heeft verklaard dat het volgens haar de schoonvader van de getinte man was.

Gelet op dit alles is de rechtbank van oordeel dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat aan de verklaring van aangevers voor zover die ziet op de vermeende bedreiging, andere motieven dan het enkel naar waarheid verklaren, ten grondslag hebben gelegen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 1 tenlastegelegde.


Ten aanzien van feit 2


De rechtbank acht op grond van de verklaring van aangever, de verklaring van verdachte ter zitting in samenhang met zijn verklaring afgelegd bij de politie en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 4 november 2014 in Almere samen met medeverdachte [medeverdachte] en een ander heeft geprobeerd [slachtoffer 4] af te persen door geweld te gebruiken en [slachtoffer 4] te bedreigen met geweld.

Het verweer van de verdediging dat de verklaring van aangever niet betrouwbaar is, wordt verworpen, nu die verklaring niet alleen in grote lijnen, maar ook voor wat betreft details overeenkomst met de verklaringen die de verdachten in deze zaak hebben afgelegd.


De verdediging heeft voorwaardelijk verzocht de door getuige [getuige] afgelegde verklaring ter zitting af te luisteren, ingeval de rechtbank het gebruik van bivakmutsen bewezen zou achten. Nu de rechtbank het gebruik van bivakmutsen niet bewezen acht, behoeft dit verzoek geen bespreking.

5.3

De conclusie


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder feit 2 primair in de eerste plaats tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 4 november 2014 in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 4] te dwingen tot de afgifte van geld en/of een goed toebehorende aan die [slachtoffer 4], met zijn mededaders,

- heeft aangebeld bij de woning aan de [adres] en

- zich heeft voorgedaan als ware hij van de gemeente en nadat hij, verdachte, was binnen gelaten

- vervolgens de voordeur weer heeft geopend teneinde zijn twee gemaskerde mededaders binnen te laten en

- die [slachtoffer 4] van achteren om de nek heeft vastgepakt en

- met kracht die [slachtoffer 4] in het gezicht en het lichaam heeft geslagen en

- de rolgordijnen van de woning heeft dichtgedaan en

- een pistool in hun handen heeft vastgehad en

- die [slachtoffer 4] onder schot heeft gehouden en

- een stroomstootwapen te voorschijn heeft gehaald en getoond en

- zwarte strips/tiewraps te voorschijn heeft gehaald,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.


De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 2 primair in de eerste plaats meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 45 en 317 jo 312 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: poging tot afpersing door twee of meer verenigde personen.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.





8De op te leggen straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing, waarbij het slachtoffer letsel heeft opgelopen.

Verdachte is samen met zijn ex-schoonvader en een derde man naar de woning van het slachtoffer gegaan met als doel een betalingsregeling te treffen voor de vordering die hij stelt te hebben op het slachtoffer. Omdat het slachtoffer hem al anderhalf jaar zou ontwijken en er, ondanks tussenkomst van advocaten, geen contact tussen hen beiden tot stand zou komen, heeft verdachte het initiatief genomen om samen met zijn ex-schoonvader en de derde man waarvan verdachte wist dat het slachtoffer hem ook iets verschuldigd was, het recht in eigen hand te nemen en geprobeerd met (bedreiging met) geweld een regeling te treffen. Verdachte heeft er voor gezorgd dat zijn ex-schoonvader door zich voor te doen als medewerker van de gemeente door het slachtoffer in de woning gelaten werd, waarna hij en de derde man ook in de woning konden komen. Binnen in de woning is door verdachte geweld gebruikt, het slachtoffer is geslagen en bedreigd met het meegenomen vuurwapen en het stroomstootwapen. Verdachte heeft in deze zaak het recht in eigen hand genomen en heeft daarmee het normale rechtssysteem dat geldt voor civielrechtelijk geschillen genegeerd. De wetgever staat eigenrichting eenvoudigweg niet toe, nu bij eigenrichting veelal - en zo ook hier - strafbare handelingen worden gepleegd.


De verdediging heeft betoogd dat het binnentreden in de woning door verdachte en zijn ex-schoonvader in de woning van het slachtoffer bij de beoordeling van de strafmaat niet gelijk kan worden gesteld aan een willekeurige woningoverval bij onbekende derden. Omdat aan dit conflict een zakelijk geschil ten grondslag ligt, is een aanmerkelijk lagere straf passend, aldus de verdediging. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de ernst en impact van het onderhavige feit dat onderscheid in de afdoening niet rechtvaardigt. Net als bij een woningoverval met een willekeurig gekozen slachtoffer, geldt ook hier dat door de handelwijze van verdachte en medeverdachte een zware inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en bovendien diens privacy is aangetast. Bovendien hebben verdachte en medeverdachte het recht in eigen hand genomen, wat de rechtbank als strafverzwarende factor zal meewegen.


De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit de oplegging van een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur rechtvaardigt.

Een afpersing behoort tot de categorie misdrijven die een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer inhouden en waarvan de slachtoffers vaak nog lange tijd emotionele gevolgen ondervinden. Dat in de onderhavige zaak het slachtoffer niets heeft afgeven, zodat het juridisch geoordeeld bij een poging is gebleven, maakt dat niet anders.

Bij de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de oriëntatiepunten die door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor woningovervallen zijn vastgesteld, te weten een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren bij licht geweld/bedreiging en een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren bij ander geweld, en de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit in verhouding tot andere strafbare feiten, die tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Tevens heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van

23 januari 2015 eerder ter zake een vermogensdelict en geweldsmisdrijven is veroordeeld.

Samenvattend overweegt de rechtbank dat uitgaande van het oriëntatiepunt van drie jaren gevangenisstraf, geldende voor een first offender, in het nadeel van verdachte moet worden meegewogen dat verdachte geen first offender is, dat bij de overval een vuurwapen aanwezig was en dat een stroomstootwapen is gebruikt, alsmede dat sprake was van eigenrichting.


Over de persoon van verdachte is door de reclassering gerapporteerd. In het rapport van

20 januari 2015 adviseert de reclassering mede vanwege het als hoog tot gemiddeld ingeschatte recidiverisico – het zakelijke geschil met het slachtoffer is thans nog niet opgelost zodat het financiële belang nog steeds aanwezig is en verdachte heeft in een kort tijdsbestek zowel het slachtoffer als diens familie opgezocht – een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.


Alles overziend acht de rechtbank vanwege de ernst van het feit het passend en geboden dat aan verdachte een gevangenisstraf van een langere duur dan door de officier van justitie geëist wordt opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van tweeënveertig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk dient te worden opgelegd. Aan het voorwaardelijk op te leggen strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden van meldplicht, een gedragsinterventie (agressietraining) en een contactverbod met de heer [slachtoffer 4] verbinden. Voor het opleggen van de overige door de reclassering geadviseerde voorwaarden ziet de rechtbank geen gronden aanwezig. De aan het voorwaardelijke strafdeel gekoppelde proeftijd zal de rechtbank bepalen op drie jaren.


9De schade van benadeelden


De vorderingen

[slachtoffer 4], wonende te [woonplaats] aan de [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 15.060,48. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • - kosten psycholoog ad € 375,-;
  • - mantelzorg ad € 1.690,-;
  • - reiskosten ad € 1.161,16;
  • - tandartskosten ad € 4.334,32;
  • - immateriële schade ad € 7.500,-.

[slachtoffer 2], wonende te [woonplaats] aan de [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 9.088,33. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • - kosten psycholoog ad € 375,-;
  • - mantelzorg ad € 1.231,33;
  • - immateriële schade ad € 7.500,-.

[slachtoffer 1], wonende te [woonplaats] aan de [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 6.321,04. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • - kosten psycholoog ad € 375,-;
  • - mantelzorg ad € 1.213,33;
  • - verlies verdienvermogen ad € 1.732,71;
  • - immateriële schade ad € 3.000,-.

[slachtoffer 3], wonende te [woonplaats] aan de [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 9.588,33. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • - kosten psycholoog ad € 375,-;
  • - mantelzorg ad € 1.213,33;
  • - verhuiskosten ad € 5.000,-;
  • - immateriële schade ad € 3.000,-.

De immateriële schade is telkens gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partijen behouden zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen.


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen ontvankelijk zijn in hun vorderingen en dat, behoudens de post verhuiskosten vermeld op de vordering van mevrouw [slachtoffer 3], de vorderingen dienen te worden toegewezen en dat zij dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft niet-ontvankelijkheid van alle benadeelde partijen bepleit op grond van het feit dat de vordering niet, althans onvoldoende zijn onderbouwd.


Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 4] te [woonplaats] is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De vordering is door de verdediging betwist en door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is niet komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit de gestelde schade heeft toegebracht aan het slachtoffer.

Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stellingen alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onaanvaardbare vertraging van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.


Ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 4], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] is de rechtbank van oordeel, dat nu verdachte van het feit waar de door de benadeelde partijen geleden schade betrekking op heeft wordt vrijgesproken, de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.


10De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 27 Sr.

11De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
  • - verklaart bewezen, dat verdachte het onder feit 2 primair in de eerste plaats tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 2 primair in de eerste plaats meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:poging tot afpersing door twee of meer verenigde personen;
  • - verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren;
  • - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;- omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland;
  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich binnen 3 werkdagen na het onherroepelijk worden van het vonnis tussen 9.00 en 10.30 uur meldt bij de balie van Reclassering Nederland, Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht en dat veroordeelde zich gedurende door Reclassering Nederland te bepalen perioden blijft melden zo frequent als Reclassering Nederland dat gedurende die periode nodig acht;
  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;
  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een GI-LdH Agressietraining (ART Wiltshire-NL), waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan veroordeelde gegeven zullen worden;
  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect, – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 4], wonende te [woonplaats], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
  • - draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • - bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 4], wonende te [woonplaats] aan de [adres] in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering tot veroordeling van verdachte in de door hem geleden schade en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;


- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats] aan de [adres] in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering tot veroordeling van verdachte in de door hem geleden schade en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;


- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats] aan de [adres] in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering tot veroordeling van verdachte in de door haar geleden schade en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;


- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 3], wonende te [woonplaats] aan de [adres] in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering tot veroordeling van verdachte in de door haar geleden schade en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.


Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. S.M.M. Bordenga en

mr. M.A.H. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2015.


Mr. S.M.M. Bordenga is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer 2014111857 en 2014315308 (genaamd onderzoek Aardwolf). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 april 2015, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Op 4 november 2015 was ik een van twee mannen die later in de woning van [slachtoffer 4] in Almere binnenkwamen. [slachtoffer 4] herkende mij en hij noemde mijn naam. Er was een worsteling tussen hem met [medeverdachte].

Ik heb [slachtoffer 4] één klap gegeven. Hij lag op de grond.

Het was mijn bedoeling om met [slachtoffer 4] te praten over de betaling en om een betalingsregeling te treffen.

[medeverdachte] ging er nog van uit dat [slachtoffer 4] geld zou geven.

Ik heb een telefoon van [slachtoffer 4] kapotgegooid. [slachtoffer 4] rende toen naar het balkon.

De derde man is mee gegaan omdat hij hem kende en omdat hij ook een zakelijk geschil met [slachtoffer 4] had.

Desgevraagd zeg ik de officier van justitie dat [slachtoffer 4] bij de worsteling in de hal op de grond is gevallen. Ik heb hem in de woning één klap gegeven; hij had bloed aan zijn lip.

Desgevraagd zeg ik de officier van justitie dat het mijn idee was om [medeverdachte] en de derde man mee te nemen naar [slachtoffer 4].


2.

Een proces-verbaal van verhoor van 12 december 2014 (pag. 369 van het dossier), voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven:

Er is tussen mij en [medeverdachte] afgesproken dat [medeverdachte] zou aanbellen als medewerker van de gemeente. Dat wij twee minuten later achter hem aan zouden gaan. Eerst bij het aanbellen beneden, deed [medeverdachte] zich voor als medewerker van de gemeente. Toen de deur beneden werd geopend, gingen we met zijn drieën de hal binnen.

Ik hoorde dat [medeverdachte] zei: “Kom”. Dit was voor ons het teken dat we naar boven moesten komen. Hierop zijn we naar boven gelopen en zijn we de woning van [slachtoffer 4] binnengegaan.

Ik weet alleen dat het hele gesprek met [slachtoffer 4] erop gericht was om met hem te praten.

Er is alleen een beetje geweld gebruikt, ik heb een klap op zijn kaak gegeven. Er is een worsteling geweest. Ik heb met hem geworsteld.

Er is een telefoon in de keuken afgegaan, toen ik terug was in de woonkamer, was hij op het balkon. [medeverdachte] ging achter hem aan. lk zei tegen [medeverdachte], kom we gaan weg.

Ik weet dat [medeverdachte] hem bij de arm vasthad

Ik heb gezien dat [medeverdachte] op het balkon stond te worstelen met [slachtoffer 4]. lk schreeuwde dat [medeverdachte] moest meekomen, maar [medeverdachte] zei: "Nee we moeten dat geld hebben, daar zijn we voor gekomen".



3.

Een proces-verbaal van bevindingen van 4 november 2014 van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], voor zover inhoudende het relaas van de verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 4 november 2014 kregen wij, verbalisanten, de melding kregen te gaan naar de [adres] te Almere.

Wij belden aan en werden binnen gelaten door het slachtoffer. Wij zagen dat hij onder het bloed zat, met name in zijn gezicht, linker voet en her en der bloedvlekken op zijn kleding, en dat zijn T-shirt kapot was. Wij zagen meerdere bloedvlekken op de grond in de hal en woonkamer van deze woning zitten. Ook zagen wij tiewraps in de woonkamer op de grond liggen.

Ik, verbalisant [verbalisant 3], bekeek de woning grondig en zag in de hal van de woning meerdere kleine bloedvlekken op de houten vloer en op de deurmat zitten.

In de woonkamer zag ik over de gehele vloer kleine bloedvlekken liggen, zowel op de houten vloer als op het tapijt. Ik zag op de houten vloer naast de bank een tiewrap liggen. Ik zag een deur naar een balkon. Vlak voor deze deur lagen op de grond twee tiewraps welke door elkaar geregen waren. Ik zag op het balkon een aantal kleine bloedvlekken op de grond liggen. Hier zag ik ook een grotere bloedvlek liggen, welke ik in diameter 3 a 4 centimeter schat. Op de reling van het balkon zag ik ook meerdere kleine bloedvlekken zitten.

Ik bekeek de verwondingen van aangever. Ik zag dat hij een snee had in zijn linker wenkbrauw en in zijn linker grote teen. Op zijn linker voet zat nog een wond in de buurt van de wreef. Ik zag dat op de rug van zijn beide handen lichte schaafwonden zaten. Ik zag dat zijn witte T-shirt kapot gescheurd leek.


4.

Een proces-verbaal van verhoor van 14 november 2014 (pagina 343 van het dossier), voor zover inhoudende de verklaring van medeverdachte [medeverdachte], zakelijk weergegeven:

Het was van tevoren afgesproken dat als ik binnen was, ik de deur zou openen voor [verdachte]. Toen ik de deur opende kwam [slachtoffer 4] ook weer terug uit de keuken. [slachtoffer 4] zei meteen "[verdachte]". Toen ik de deur opende kwamen [verdachte] en die andere man binnen. Toen ontplofte de boel. Ik probeerde [slachtoffer 4] vast te houden. Ik heb hem met mijn beide handen bij zijn rechterarm gepakt. [verdachte] pakte hem toen bij zijn andere arm. Toen vielen wij met z'n drieën op de grond.

De derde man had een alarmpistool bij zich.

[verdachte] had een stroomstootwapen bij zich. Er was ook een busje pepperspray meegekomen. Het alarmpistool, het stroomstootwapen en de pepperspray waren allemaal van [verdachte].


V: Wie zijn idee was het om de wapens mee te nemen?

A: Dat was [verdachte] zijn idee. Op de dag zelf bleek dat [verdachte] wapens bij zich had. lk wist dat toen wij binnen waren.

V: Wanneer is het stroomstootwapen tevoorschijn gekomen?

A: Dat hebben we laten zien, zodat hij zich rustig zou houden. Ik heb het stroomstootwapen laten zien en daarna is hij weer in de tas gegaan. In de notebooktas van mijn werk. lk had deze tas bij mij, hij is zwart van kleur.