Rechtbank Overijssel, 12-03-2015 / 08.955289-14 (P)


ECLI:NL:RBOVE:2015:2285

Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel veroordeelt een 53-jarige vrouw uit Hoogeveen tot een voorwaardelijke celstraf van 4 maanden, met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden en een taakstraf van 240 uur. De vrouw heeft toegestaan dat haar ex-vriend een seksuele relatie is aangegaan met haar destijds twaalf/dertienjarige dochter. Ze heeft toegestaan dat hij in haar woning verbleef en het bed deelde met haar dochter. Vervolgens heeft ze toegestaan dat haar dochter gedurende ongeveer een half jaar bij de ex-vriend in zijn woning verbleef. Verdachte wist dat hij seksuele handelingen met haar dochter verrichtte, maar heeft niets gedaan om haar dochter daartegen te beschermen, bijvoorbeeld door contact te zoeken met hulpverleningsinstanties. De vrouw heeft haar dochter hierdoor in de steek gelaten op een moment dat zij haar moeder hard nodig had. Zie ook ECLI:NL:RBOVE:2015:2284.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-03-12
Publicatiedatum
2015-05-12
Zaaknummer
08.955289-14 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Zwolle


Parketnummer: 08.955289-14 (P)

Datum vonnis: 12 maart 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] 1962 in [geboorteplaats],

wonende aan de [woonplaats].


1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 februari 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.J. Timmer en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. J.A.M. Kwakman, advocaat te Assen, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Medeplichtig is geweest aan het plegen van ontuchtige handelingen met haar dochter door [medeverdachte] in haar woning te laten verblijven en hem niet te weerhouden van het hebben van seksuele contacten met haar dochter.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


[medeverdachte] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 juni 2009 tot en met 30 april 2013 te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland en/of te Hoogeveen, gemeente Hoogeveen, met [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] 1997), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende die [medeverdachte] één of meermalen:

- zijn penis en/of vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of

- zijn penis in de anus en/of de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of

- aan de vagina en/of schaamlippen van die [slachtoffer] gelikt en/of

- de borsten van die [slachtoffer] gestreeld en/of betast, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest door die [medeverdachte], gedurende een lange periode, te laten verblijven in haar, verdachtes, woning en/of (vervolgens) die [medeverdachte] (onder meer tijdens de nachtelijke uren) te laten verblijven in één slaapkamer met die [slachtoffer] en/of (vervolgens) die [medeverdachte] niet te weerhouden van zijn strafbare handelingen.


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van vijf jaren en als bijzondere voorwaarden reclasseringscontact en begeleiding en ondersteuning door Stichting MEE.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling van het bewijs


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


5.1

Inleiding


Op 8 juli 2013 is er door [slachtoffer] (hierna ook: aangeefster), geboren [geboortedatum 2] 1997, aangifte gedaan. Ze heeft verklaard dat zij vanaf haar twaalfde tot en met haar vijftiende een relatie heeft gehad met [medeverdachte] (hierna ook: [medeverdachte]), geboren [geboortedatum 3] 1972. [medeverdachte] is de ex-vriend van de moeder van aangeefster, zijnde verdachte. Aangeefster heeft verklaard dat [medeverdachte] bij haar, verdachte en haar broertje in Steenwijk woonde en al gedurende de periode dat hij nog een relatie met verdachte had aan haar begon te zitten. Toen de relatie tussen verdachte en [medeverdachte] werd verbroken, maar [medeverdachte] nog wel bij hen in de woning verbleef, ontstond er een relatie met aangeefster. Aangeefster heeft verklaard dat zij twaalf jaar oud was toen zij voor het eerst anale seks had met [medeverdachte] en dat zij rond haar dertiende verjaardag ook vaginale seks hebben gehad. Er was ook sprake van orale seks. Aangeefster heeft verklaard dat het initiatief tot seks van [medeverdachte] kwam. Hij vertelde haar dat seks bij een relatie hoorde. Toen [medeverdachte] en enige tijd later ook verdachte met twee van haar kinderen naar Hoogeveen verhuisden heeft aangeefster gedurende een langere periode bij [medeverdachte] ingewoond. Aangeefster was toen veertien jaar oud. Volgens aangeefster had zij gedurende de relatie bijna dagelijks seks met [medeverdachte]. Ze heeft verklaard dat [medeverdachte] haar nooit echt heeft gedwongen, maar dat zij zich wel gedwongen voelde. Als zij geen seks wilde liep het namelijk vaak uit op ruzie.

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte wist dat zij seks had met [medeverdachte] en dat zij dit heeft toegestaan.


Naar aanleiding van de aangifte van [slachtoffer] is er door de politie onderzoek gedaan en zijn [medeverdachte] en verdachte gehoord.


[medeverdachte] heeft bekend dat hij een seksuele relatie met aangeefster heeft gehad. Hij heeft verklaard dat zij vanaf ongeveer maart 2010 toenadering tot elkaar begonnen te zoeken Hij had verliefde gevoelens voor haar en er is een relatie ontstaan waarbij ook sprake was van gemeenschap. Eerst anaal en oraal en later ook vaginaal. In de woning van verdachte hebben zij ook samen een kamer gedeeld en later is aangeefster bij hem in Hoogeveen komen wonen. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij aangeefster nooit heeft gedwongen en dat hij er vanuit ging dat er sprake was van een gelijkwaardige relatie.


Verdachte heeft, kort samengevat, verklaard dat zij tot eind februari 2010 een relatie met [medeverdachte] heeft gehad. Nadat hun relatie was verbroken is zij erachter gekomen dat er sprake was van een relatie tussen aangeefster en [medeverdachte] doordat zij berichten op de telefoon van haar dochter heeft gelezen. Doordat haar dochter in juni/juli 2010 met haar heeft gesproken over anale seks kwam ze erachter dat aangeefster en [medeverdachte] seks hadden met elkaar. Verdachte heeft verklaard dat zij haar dochter wel heeft gevraagd of zij niet gedwongen werd. Zij heeft de relatie tussen haar dochter en [medeverdachte] toegestaan, omdat ze dacht dat aangeefster gelukkig was en het zelf graag wilde.


5.2

Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie acht het ten laste gelegde gelet op de aangifte, de verklaring van [medeverdachte] en de bekennende verklaring van verdachte wettig en overtuigend bewezen.


5.3

Het standpunt van de verdediging


De raadsvrouw heeft aangegeven dat kan worden vastgesteld dat [medeverdachte] ontuchtige handelingen met [slachtoffer] heeft gepleegd, die op dat moment nog geen zestien jaar oud was. Verdachte wist echter pas vanaf juni/juli 2010 dat er sprake was van seksuele handelingen en kan derhalve over de periode tot juli 2010 niet als medeplichtige veroordeeld worden, omdat daarvoor opzet en dus kennis nodig is.


5.4

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


De rechtbank overweegt dat sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom in de bijlage van dit vonnis volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.


De rechtbank acht gelet op de aangifte van [slachtoffer], de verklaring van [medeverdachte] en de bekennende verklaring van verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte wist dat er sprake was van een relatie tussen [medeverdachte] en haar dochter die destijds twaalf/dertien jaar oud was en dat zij sexueel contact hadden. Verdachte heeft dit toegelaten en toegestaan dat zij samen een kamer in haar woning deelden. Ook heeft zij toegestaan dat haar dochter in Hoogeveen bij [medeverdachte] ging wonen. Door aldus te handelen is verdachte [medeverdachte] behulpzaam geweest bij het plegen van ontuchtige handelingen met haar dochter. Verdachte had als moeder van aangeefster immers de zorgplicht om haar tegen dergelijke handelingen in bescherming te nemen en daarmee ook een rechtsplicht om in te grijpen.


De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich in de ten laste gelegde periode aan medeplichtigheid aan ontuchtige handelingen heeft schuldig gemaakt, maar zal er bij het bepalen van de op te leggen straf rekening mee houden dat zij feitelijk vanaf juni/juli 2010 op de hoogte was het feit dat er sprake was van gemeenschap tussen aangeefster en [medeverdachte].

5.5

De conclusie


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


[medeverdachte] in de periode van 29 juni 2009 tot en met 30 april 2013 te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland en te Hoogeveen, gemeente Hoogeveen, met [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] 1997), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, telkens ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende die Kuipers meermalen:

- zijn penis en vingers in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en

- zijn penis in de anus en de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en

- aan de vagina en schaamlippen van die [slachtoffer] gelikt en

- de borsten van die [slachtoffer] gestreeld en betast,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar telkens opzettelijk behulpzaam is geweest door die [medeverdachte], gedurende een lange periode, te laten verblijven in haar, verdachtes, woning en die [medeverdachte] onder meer tijdens de nachtelijke uren te laten verblijven in één slaapkamer met die [slachtoffer] en die [medeverdachte] niet te weerhouden van zijn strafbare handelingen.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 245 juncto artikel 48 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


het misdrijf: Medeplichtigheid aan het met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.


8De op te leggen straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft toegestaan dat [medeverdachte] een seksuele relatie is aangegaan met haar destijds twaalf/dertienjarige dochter [slachtoffer]. Ze heeft toegestaan dat [medeverdachte] in haar woning verbleef en het bed deelde met haar dochter. Vervolgens heeft ze toegestaan dat haar dochter gedurende ongeveer een half jaar bij [medeverdachte] in zijn woning verbleef. Verdachte wist dat [medeverdachte] seksuele handelingen met haar dochter verrichtte, maar heeft niets gedaan om haar dochter daartegen te beschermen, bijvoorbeeld door contact te zoeken met hulpverleningsinstanties. Verdachte heeft haar dochter hierdoor in de steek gelaten op een moment dat zij haar moeder hard nodig had. De relatie tussen [medeverdachte] en [slachtoffer] heeft meerdere jaren kunnen duren en [slachtoffer] heeft vanaf haar twaalfde tot en met haar vijftiende veelvuldig seks gehad met [medeverdachte]. Wat dit met [slachtoffer] heeft gedaan heeft zij middels haar slachtofferverklaring naar voren gebracht. Er is bij haar een posttraumatische stressstoornis geconstateerd en ze volgt therapieën om van de gevolgen van het gebeuren te kunnen herstellen.


De rechtbank acht het kwalijk dat verdachte als moeder haar dochter niet in bescherming heeft genomen. Zij is daarmee mede verantwoordelijk voor het leed dat [slachtoffer] is aangedaan.


De rechtbank heeft kennis genomen van het psychologisch rapport dat omtrent de persoon van verdachte is uitgebracht. Hieruit komt naar voren dat verdachte een zwakbegaafde vrouw is wier draagkracht al jaren op chronische basis overschreden wordt. Ze is een kwetsbare vrouw die niet is opgewassen tegen de hoge eisen die aan het ouderschap gesteld worden. Haar persoonlijkheid kenmerkt zich door vermijdende, afhankelijke en borderline trekken. Verdachte heeft, volledig uit haar doen nog vanwege de afwijzing van [medeverdachte] en teruggeworpen op (gebrek aan) eigen kracht, in dezen geen enkel oog gehad voor de noden van haar kind. De angst voor conflicten (in dit geval met haar kinderen) heeft er toe geleid dat ze hen altijd heeft proberen te ondersteunen in wat ze wilden, zonder hierbij hun belang in het oog te kunnen houden, hetgeen feitelijk sterk verwaarlozend is, aangezien het ernstige onveiligheid voor de kinderen heeft gebracht. Zij heeft vermoedelijk, vanuit haar onmacht, waar het de haar ten laste gelegde feiten aangaat, het misbruik gefaciliteerd, gestimuleerd en toegestaan vanuit een drogreden dat er sprake was van een gelijkwaardige relatie. Zij zag haar eigen rol voor zowel de medeverdachte als haar dochter als ‘ondersteunend’.

Genoemd gedrag is verklaarbaar vanuit de beperkte cognitieve vermogens van verdachte

(die door de chronische spanning verder gedrukt worden) in combinatie met de vermijdend

angstige trekken in haar persoonlijkheid. Alles overziend wordt derhalve door de psycholoog geadviseerd verdachte voor de haar ten laste gelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar te achten.


De psycholoog adviseert verdachte, in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk op te leggen strafdeel, onder reclasseringstoezicht te stellen. Hierbinnen

zal toegewerkt moeten worden naar een stevig (praktisch) steunsysteem rond verdachte om

haar te ontlasten en waarbij de mogelijkheid geboden wordt voor een luisterend oor in een structurerend contact. Hierbij wordt gedacht aan het inschakelen van bijvoorbeeld stichting MEE.


Ook door de reclassering is geadviseerd om verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en begeleiding en ondersteuning door stichting MEE.


De rechtbank acht, gezien de ernst van het feit, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank houdt echter rekening met de persoon van verdachte, zoals uit het rapport van de psycholoog naar voren komt, en het feit dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Dat maakt dat de rechtbank in dit geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zal leggen, maar zal volstaan met een langdurige werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarden zoals door de psycholoog en de reclassering is geadviseerd.


Door de officier van justitie is gevorderd om aan de bijzondere voorwaarden een proeftijd voor de duur van vijf jaren te koppelen. Gelet op het beperkte recidiverisico ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding. Zij zal volstaan met een proeftijd voor de duur van drie jaren.


9De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 22c, 22d, 14a, 14b, 14c, 14d en 57 Sr.

10De beslissing


De rechtbank:


bewezenverklaring

  • - verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven onder 5.5 omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:het misdrijf: Medeplichtigheid aan het met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.
  • - verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;
  • - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:- omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;- omdat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de verdachte geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de verdachte geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis telefonisch zal melden bij Reclassering Nederland op het telefoonnummer: 050-3188188. Hierna moet verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit, gedurende de proeftijd, noodzakelijk acht. Verdachte moet zich gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland;
  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich vanwege haar zwakbegaafdheid zal laten begeleiden en ondersteunen door Stichting MEE of soortgelijke instantie, zolang de reclassering dit, gedurende de proeftijd, nodig acht.
  • - draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

  • - veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 uren;
  • - beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.


Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. van Eerde, voorzitter, mr. G.A. Versteeg en

mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Seuters, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2015.



































Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar bewijsmiddelen, zijn dit bijlagen uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL04RE-2013034697. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


Nu verdachte zowel bij de politie als ter terechtzitting het ten laste gelegde feit heeft bekend, volstaat de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen.


Voor het bewijs verwijst de rechtbank naar:


- Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 8 juli 2013;

- Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] d.d. 7 augustus 2013;

- Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 6 augustus 2013.