Rechtbank Overijssel, 19-05-2015 / C/08/171474 / KG ZA 15-164


ECLI:NL:RBOVE:2015:2307

Inhoudsindicatie
Kort gedingrechter oordeelt dat de Belastingdienst de beslaglegging niet hoeft op te heffen.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-05-19
Publicatiedatum
2015-05-27
Zaaknummer
C/08/171474 / KG ZA 15-164
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • FutD 2015-1363 met annotatie van Fiscaal up to Date
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Zwolle


zaaknummer / rolnummer: C/08/171474 / KG ZA 15-164


Vonnis in kort geding van 19 mei 2015


in de zaak van


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

METRUM PB B.V.,

gevestigd te Zwolle,

eiseres,

advocaat mr. M.A. Kerkdijk te Zwolle,


tegen


de publiekrechtelijke rechtspersoon

ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST,

zetelend te Zwolle,

verweerder,

vertegenwoordigd door A.J. Schrijver, werkzaam als vakgroepcoördinator invordering bij de belastingdienst en mr. A.J.A. Willemsen, als jurist werkzaam bij de belastingdienst.



Partijen zullen hierna Metrum PB en de Ontvanger genoemd worden.


1De procedure

Eerder is in deze zaak een tussenvonnis gewezen dat op 13 mei 2015 is uitgesproken. Daarbij is overwogen dat bij (het onderhavige) eindvonnis de gronden waarop de beslissing in het tussenvonnis rust, zullen worden gegeven.


2De feiten

2.1.

Metrum PB heeft een achterstand in haar betalingsverplichtingen aan de belastingdienst van ruim € 484.000,00.


2.2.

Door middel van het formulier “Verzoek Betalingsregeling en uitstel van betaling van belasting en/of premie” heeft de heer [naam], algemeen directeur van Metrum PB Holding, bestuurder van Metrum PB, op 18 februari 2015 uitstel van betaling verzocht. In de toelichting op het verzoek is aangegeven:

“In oktober 2014 heeft de onderneming een doorstart kunnen maken waarbij vanwege de reorganisatie extra kosten zijn gemaakt en aanloopkosten.

Daarnaast is de omzet lager uitgekomen dan begroot. Normaliter hadden we dat kunnen opvangen met een externe financiering. Echter vanwege een gebrek aan krediethistorie komen we nu nog niet in aanmerking voor een bankfinanciering. We verwachten dat we in de loop van het jaar externe partij financiering aan kunnen trekken.


Het marktsentiment is goed. De opdrachten bij onze consultants zijn fors toegenomen en daarnaast zijn we nieuwe activiteiten aan het ontplooien die op korte termijn zullen bijdragen aan onze omzet en resultaat.”


Het namens Metrum PB gedane voorstel luidt: “Uitstel van betaling tot en met maart 2015. Vanaf april alle lopende aanslagen betalen en daarnaast tot ultimo 2015 de achterstand inlopen met gelijkblijvende maandelijkse termijnen.”.


Als zekerheid is in het formulier genoemd een pandrecht op debiteuren.


2.3.

Bij beslissing van 2 maart 2015 is het verzoek om uitstel van betaling afgewezen.


2.4.

Metrum PB heeft tegen genoemde beslissing bij schrijven van 13 maart 2015 een beroepschrift ingediend bij de directeur van de Belastingsdienst/kantoor Utrecht. In het kader van de behandeling van het verzoekschrift zal op 20 mei 2015 een hoorzitting plaatsvinden.


2.5.

De Ontvanger heeft op 7 mei 2015 ten laste van Metrum PB executoriaal beslag laten leggen onder TRFI B.V., de factoringmaatschappij waarmee Metrum PB een overeenkomst heeft gesloten. De Ontvanger heeft onder verschillende andere debiteuren van Metrum PB executoriaal beslag laten leggen, waaronder de gemeente Landerd.


3Het geschil


3.1.

Metrum PB vordert dat de voorzieningenrechter - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - de Ontvanger zal veroordelen binnen 24 uur na dit vonnis het ten laste van Metrum onder de factoringmaatschappij gelegde beslag, al dan niet onder nader te stellen voorwaarden, op te heffen alsmede de Ontvanger zal gebieden de huidige invorderingsmaatregelen te staken en gestaakt te houden en de Ontvanger zal verbieden nieuwe invorderingsmaatregelen te treffen, beide gedurende een termijn van minimaal 10 weken, althans tot het moment dat onherroepelijk is beslist op het verzoek van Metrum PB ter zake uitstel van betaling c.q. een betalingsregeling, althans een nader te bepalen termijn, onder verbeurte van een dwangsom van € 50.000,00 per overtreding en € 5.000,00 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt.


3.2.

De Ontvanger voert verweer.


3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat Metrum PB ten tijde van de dagvaarding een belastingschuld had van ruim € 484.000,00.


4.2.

Ingevolge artikel 25 Invorderingswet 1990, kan de Ontvanger onder door hem te stellen voorwaarden aan een belastingschuldige voor bepaalde tijd uitstel van betaling verlenen. Bij besluit van 12 juni 2008, nr. CPP2008/1137M, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 16 december 2014, Stcrt. 2014, 38032 (hierna te noemen: Leidraad Invordering 2008), zijn nadere (beleids)regels gesteld met betrekking tot de toepassing van deze bevoegdheid.


4.3.

Metrum PB beroept zich op het onder 25.1.1 van de Leidraad Invordering 2008 opgenomen uitgangspunt dat de Ontvanger gedurende het verzoek om uitstel handelt overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek is toegewezen.


4.4.

De Ontvanger bevestigt dat het onder 25.1.1 van de Leidraad Invordering 2008 opgenomen uitgangspunt ook geldt zolang nog niet op een tegen de afwijzing gericht beroep is beslist. De Ontvanger wijst echter op het eveneens onder 25.1.1 van de Leidraad Invordering 2008 opgenomen uitgangspunt dat de Ontvanger - ondanks het verzoek om uitstel - wel invorderingsmaatregelen kan treffen als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad. De Ontvanger heeft op grond van dit belang besloten, ondanks het verzoek om uitstel, invorderingsmaatregelen te nemen.


4.5.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.


4.6.

Geen aanleiding bestaat voor de conclusie dat de door Metrum PB in het kader van het verzoek om uitstel van betaling geboden zekerheid in de vorm van een pandrecht op de debiteuren kan worden aangemerkt als een zekerheid die op eenvoudige wijze kan worden gesteld, bewaakt en uitgewonnen. De door Metrum PB voorgestelde pandrechten hebben voor een aanzienlijk deel betrekking op reeds langer openstaande facturen waarvan de betalingstermijn al is verstreken. Waarom deze facturen nog immer niet zijn voldaan is niet inzichtelijk geworden. In ieder geval is van één van de debiteuren, te weten de gemeente Landerd, ter zitting aannemelijk geworden dat zij betwist het (gehele) factuurbedrag aan Metrum PB verschuldigd te zijn.


4.7.

Anders dan Metrum PB is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Ontvanger bij de beoordeling van het verzoek om uitstel, en de afwijzing daarvan, mocht meewegen dat door de bestuurder van Metrum PB namens andere vennootschappen gemaakte afspraken niet zijn nagekomen. De Ontvanger heeft in dit kader een uiteenzetting gegeven van de betalingsproblemen van een tweetal vennootschappen waarvan [naam] (middellijk) bestuurder is (geweest). De eerste vennootschap, [naam] & Partners Advies BV, is gefailleerd met achterlating van een fiscale schuld van ruim € 500.000,00, na herhaalde mededeling dat men bezig was participanten te zoeken, aanvullend krediet te krijgen etcetera, terwijl de belastingschuld per saldo alleen maar groter werd. De tweede vennootschap, Purple Blue B.V. heeft een belastingschuld van € 161.000,00, waarbij een afgesproken betalingsregeling niet is nagekomen. Nu deze uiteenzetting door Metrum PB niet is betwist, zal bij de beoordeling van dit geschil worden uitgegaan van de juistheid daarvan.


Ondanks de omstandigheid dat deze ervaringen met de bestuurder van Metrum PB betrekking hadden op andere vennootschappen is het gerechtvaardigd dat de Ontvanger onder meer met het oog op deze ervaringen geen uitstel verleent zonder een daaraan voorafgaande afdoende financiële zekerheid. Hierbij wordt ook in aanmerking genomen dat Metrum PB over de door haar genoemde externe financiering geen nadere informatie verstrekt. Dat Metrum PB inmiddels een andere bestuurder zou hebben aangesteld, doet aan het voorgaande niet af, al was het maar omdat deze wijziging in ieder geval nog niet geformaliseerd is, zoals ter zitting desgevraagd werd aangegeven van de zijde van Metrum PB.


4.8.

Het voorgaande leidt tot de verwachting dat het beroep bij de directeur van de Belastingdienst ongegrond zal worden verklaard. Het voorgaande leidt daarnaast tot het oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de belangen van de Staat bij het uitblijven van invorderingsmaatregelen worden geschaad. Anders dan Metrum PB stelt bestaat een zwaarwegend belang bij het zo snel mogelijk treffen van invorderingsmaatregelen. De belastingschuld zal immers in verband met nieuwe aanslagen in de periode dat nog niet op het beroep is beslist nog aanzienlijk kunnen toenemen.


4.9.

De slotsom is dat de vorderingen van Metrum PB dienen te worden afgewezen.


4.10.

Metrum PB zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Ontvanger worden begroot op € 613,00 wegens griffierecht.


5De beslissing

De voorzieningenrechter


5.1.

veroordeelt Metrum PB in de proceskosten, aan de zijde van de Ontvanger tot op heden begroot op € 613,00.



Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2015.