Rechtbank Overijssel, 21-05-2015 / 08.910027-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:2449

Inhoudsindicatie
Poging tot diefstal met geweld.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-05-21
Publicatiedatum
2015-05-22
Zaaknummer
08.910027-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Zwolle


Parketnummer: 08.910027-14

Datum vonnis: 21 mei 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [1985] in [geboorteplaats 1],

wonende te [adres 4] te [woonplaats].



1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 24 juni 2014, 16 september 2014, 11 november 2014, 20 januari 2015, 23 april 2015, 8 mei 2015 en 19 mei 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. drs. M.A.P.J.J. Lousberg en van hetgeen wat door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. P.C. Borkhuis, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging op 23 april 2015, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- feit 1: op 2 april 2014 al dan niet samen met anderen heeft geprobeerd een diefstal met geweld te plegen, danwel dat hij daaraan medeplichtig is geweest;

- feit 2: een bloedsuikermeter heeft geheeld.


Voluit luidt de tenlastelegging na wijziging van die tenlastelegging op 23 april 2015 aan de verdachte, dat:


(De rechtbank heeft in het kader van de duidelijkheid, de feiten 2 en 3 vernummerd in de feiten 1 en 2).


1.

hij op of omstreeks 2 april 2014 te Vaassen in de gemeente Epe ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een woning/pand/winkel/magazijn ([X])

aan de [adres 1] weg te nemen goederen/geld van zijn/hun gading,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan die [C] en/of [M]

[M] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, en daarbij die

voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te

doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer]

[slachtoffer], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden

en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf

en/of aan zijn/haar mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij

het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s) , althans alleen,

- (terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) mutsen en/of capuchons over

hun hoofden droegen en/of sjaals voor hun gezichten hadden, althans hun

hoofden en/of gezichten bedekt hadden)

- om/rondom de/het woning/pand/magazijn heeft/hebben gelopen en/of

- door het raam van de/het woning/pand/magazijn heeft/hebben gekeken en/of

- meermalen, althans éénmaal, (langdurig en/of indringend) op beide bellen bij

de achterdeur van die/dat woning/pand/winkel/magazijn heeft/hebben aangebeld,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


althans, voor zover het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, ter zake dat


[C] en/of [M] op of omstreeks 2 april 2014 te Vaassen in de gemeente Epe ter uitvoering van het door hem/hen voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning/pand/winkel/magazijn ([X]) aan de [adres 1] weg te nemen goederen/geld van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [C] en/of [M] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, en om daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij

het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn/hun mededader(s), althans alleen,

- terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) mutsen en/of capuchons over

hun hoofden droegen en/of sjaals voor hun gezichten hadden, althans hun

hoofden en/of gezichten bedekt hadden,

- om/rondom de/het woning/pand/magazijn heeft/hebben gelopen en/of

- door het raam van de/het woning/pand/magazijn heeft/hebben gekeken en/of

- meermalen, althans éénmaal, (langdurig en/of indringend) op beide bellen bij

de achterdeur, althans een deur, van die/dat woning/pand/winkel/magazijn heeft/hebben aangebeld, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft geboden en/of verschaft en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest, door [C] en/of [M] en/of diens mededader(s) op of omstreeks 2 april 2014 met een auto vanuit Deventer te vervoeren naar de voornoemde woning/pand/winkel/magazijn ([X]) aan de [adres 1] te Vaassen (gemeente Epe), althans met een auto te vervoeren naar Vaassen (gemeente Epe) en (vervolgens) hem/hen af te zetten in de nabijheid van de Apeldoornseweg, althans hem/hen af te zetten te Vaassen, en/of (vervolgens) aldaar op hem/hen te wachten en/of zich voor hem/hen beschikbaar te houden in verband met de/een door [C] en/of [M] en/of diens mededader(s) uit te voeren (voornoemde) overval, althans inbraak, in/uit een woning/pand/winkel/magazijn ([X]) aan de [adres 1].


2.

hij in of omstreeks de periode van 11 maart 2014 tot en met 4 april 2014 in

de gemeente Deventer, in elk geval in Nederland, een bloedsuikermeter heeft

verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten

tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die bloedsuikermeter

wist – dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden - dat het (een) door

misdrijf verkregen goed(eren) betrof;



3De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.



4. De vordering van de officier van justitie en het standpunt van de verdediging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, onder overlegging van zijn op schrift gestelde requisitoir, gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld ter zake het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde tot:

- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 dagen, met aftrek van de door verdachte reeds in voorarrest reeds doorgebrachte periode;

- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 492 dagen met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals verwoord in het rapport van de Reclassering d.d. 8 september 2014;

- een werkstraf voor de duur van 240 uren.


Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten. Haar cliënt kan volgens de raadsvrouw hooguit als medeplichtige worden aangemerkt.

Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake is van een strafbare poging omdat geen begin van uitvoering heeft plaatsgevonden. De medeverdachten hebben zich slechts opgehouden bij de betreffende woning, hebben aangebeld en door het raam gekeken.


Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw ook vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat verdachte de bloedsuikermeter heeft gevonden in een tas, afkomstig van medeverdachte [C], waarvan de inhoud - zo had [C] hem gezegd - kon worden weggegooid. Verdachte had daarom geen enkele reden om te veronderstellen dat de bloedsuikermeter ten tijde van het verkrijgen ervan van enig misdrijf afkomstig was.




5De beoordeling


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


5.1

De overwegingen van de rechtbank


Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde,


Op 4 april 2014 heeft [slachtoffer] te Vaassen aan de [adres 1] (tabakswinkel) aangifte gedaan van poging diefstal met geweld.

Aangeefster heeft verklaard dat op 2 april 2014 omstreeks 22.20 uur lang en indringend aan de achterdeur werd gebeld. Het bellen ging met tussenpozen. Toen ook de sensor aanging welke linksachter naast het huis is gemonteerd, vertrouwde ze het niet. Toen zij uit het raam keek ontwaarde zij haar buren, die aangaven dat er twee personen met een capuchon op rond haar huis hadden gelopen.


Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting d.d. 23 april 2015 verklaard dat hij, samen met medeverdachten [C] en [M] in de avond op 2 april 2014, in zijn auto naar Vaassen is gereden met als doel bij een tabakszaak c.q. woning in te breken. Op 25 maart 2014 heeft een voorverkenning plaatsgevonden om te bezien hoe men de woning/winkel het makkelijkst kon benaderen voor een inbraak. Verdachte zou 1/5 deel van de buit krijgen voor zijn aandeel. [C] en [M] hebben tijdens die voorverkenning met elkaar afgesproken dat het raam geen optie zou zijn. Er zou gewoon worden aangebeld.


Verdachte heeft verder verklaard dat hij, op aangeven van [C], de avond van 2 april 2014 rond 22.00 uur de auto heeft geparkeerd op een parkeerplaats aan de Oude Apeldoornseweg te Vaassen. Hierna zijn [C] en [M] uitgestapt. Verdachte zou twee uur wachten. Als [C] en [M] dan nog niet terug waren zou hij naar huis rijden.

Zo rond 22.45 uur is verdachte zonder de medeverdachten weggereden. Hij reed langs de tabakszaak/winkel en zag dat daar de politie aanwezig was. Verdachte is toen doorgereden richting huis. Toen hij bijna thuis was, is hij door de vriendin van [C] gebeld met het verzoek [C] op te halen in Vaassen. [C] was door de politie aangehouden wegens openbare dronkenschap. Verdachte is toen teruggereden en heeft [C] opgehaald. Tijdens die rit heeft [C] verteld hoe het een en ander was verlopen. [C] en [M] zouden om de betreffende winkel/woning zijn heengelopen en meerdere keren hebben aangebeld. Er werd echter niet gereageerd. Daarna hebben zij nogmaals aangebeld. Niet veel later werd er gereageerd door een van de buren en zijn [C] en [M] weggegaan.

Verdachte heeft verklaard dat [C] hem heeft verteld dat hij daarbij door een van de buren met een zaklantaarn in zijn gezicht zou zijn geschenen. Vanaf de sigarenboer zijn zij over de Laan van Fasna gelopen en toen de Oude Apeldoornseweg ingegaan. Zij zagen toen politie aankomen. [M] is toen de bosjes ingedoken en [C] deed alsof hij dronken was en ging midden op straat lopen.


De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte, inhoudende dat het de bedoeling was om een inbraak te gaan plegen, voldoende door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund. De verklaringen van verdachte sluit aan op die van de getuigen [K] en [S] en van aangeefster, zodat de rechtbank concludeert dat de opzet erop was gericht om om een diefstal te plegen in de tabakswinkel/woning.

Op basis van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan niet worden geconcludeerd dat bij of ten behoeve van de voorgenomen diefstal geweld zou worden gebruikt, dan wel gedreigd zou worden met geweld. Bij verdachten zijn geen wapens en/of andere dreigmiddelen aangetroffen en ook de getuigen verklaren daar niet over. Ook valt niet op te maken dat tussen de medeverdachten vooraf is gesproken over het eventueel toepassen van geweld. Het rondhangen bij de woning, het aanbellen en door het raam kijken acht de rechtbank onvoldoende voor de aanname dat bij de diefstal geweld zou worden gebruikt of daarmee zou worden gedreigd. De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daarvan vrijspreken.


Voor een strafbare poging is vereist dat het voorgenomen misdrijf zich heeft geopenbaard door een begin van uitvoering van dat misdrijf. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt een gedraging als een begin van uitvoering als zij naar haar uiterlijke verschijningsvorm geacht moet worden te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf.


Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de vastgestelde gedragingen, te weten: het laat op de avond rondhangen bij een winkelpand/woning, met capuchons op door de ramen kijken en langdurig meerdere malen aanbellen, naar haar uiterlijke verschijningsvorm geacht moet worden te zijn gericht op de voltooiing van de diefstal. De rechtbank acht dus een strafbare poging diefstal bewezen.


De rechtbank ziet zich nu gesteld voor de vraag of de rol van verdachte gekwalificeerd moet worden als medepleger of als medeplichtige.

De bijdrage van verdachte bestond uit het vervoeren van de medeverdachten naar Vaassen, het wachten totdat de klus was geklaard en het weer terugbrengen van de medeverdachten naar huis. Deze gedragingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet worden gekwalificeerd als medeplegen omdat deze intellectuele en/of materiële bijdrage van verdachte van onvoldoende gewicht is geweest om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank zal verdachte daarom van het primair tenlastegelegde vrijspreken.


De gedragingen van verdachte kunnen naar het oordeel van de rechtbank wel worden gekwalificeerd als medeplichtigheid nu verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest in de vorm zoals hierboven beschreven. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.


Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting op 23 april 2015 verklaard dat de vriendin van medeverdachte [C] op 12 maart 2014, vóór het incident te Vaassen, twee tassen met spullen bij hem thuis heeft achtergelaten. De vriendin had gezegd dat de tassen aan [C] toebehoorden maar dat alles kon worden weggegooid. Verdachte heeft de tassen eerst in de schuur en later in de tuin gezet. Toen verdachte op enig moment in de tassen keek zag hij onder andere de bloedsuikermeter. Verdachte heeft deze bloedsuikermeter op enig moment apart gelegd, omdat die misschien wel geld waard was.

Op 4 april 2014 is de bloedsuikermeter tijdens een zoeking in de woning van verdachte in beslag genomen.


De rechtbank overweegt dat niet exact valt vast te stellen op welk moment verdachte zich bewust is geworden van de aanwezigheid van de bloedsuikermeter in zijn woning. Uit zijn verklaringen kan niet worden afgeleid wanneer hij in de tassen heeft gekeken. Wel valt op te maken dat hij op enig moment, vóór 4 april 2014, de bloedsuikermeter heeft ontdekt. Vanaf dat moment heeft hij deze dus voorhanden gehad. Dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de bloedsuikermeter wist of had moeten vermoeden dat deze van diefstal afkomstig was, kan uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid.

Het onder 2 tenlastegelegde kan daarom niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, zodat de rechtbank verdachte van dit feit zal vrijspreken.


5.2

De conclusie


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair en 2 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


1. subsidiair

[C] en [M] op 2 april 2014 te Vaassen in de gemeente Epe ter uitvoering van het door hen voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning/pand/winkel/magazijn ([X]) aan de [adres 1] goederen/geld van hun gading weg te nemen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer],

- (terwijl zij mutsen en/of capuchons over hun hoofden droegen en/of sjaals voor hun gezichten hadden, althans hun hoofden en/of gezichten bedekt hadden)

- om/rondom de/het woning/pand/magazijn hebben gelopen en

- door het raam van de/het woning/pand/magazijn hebben gekeken en

- meermalen, (langdurig en/of indringend), hebben aangebeld, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest, door [C] en [M] op 2 april 2014 met een auto vanuit Deventer te vervoeren naar de voornoemde woning/pand/winkel/magazijn ([X]) aan de [adres 1] te Vaassen (gemeente Epe), althans hen af te zetten in Vaassen en (vervolgens) aldaar op hen te wachten.


De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.






6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 45, 48, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


feit 1 subsidiair

het misdrijf: medeplichtigheid aan poging tot diefstal, terwijl dit feit door twee of meer verenigde personen wordt gepleegd.



7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.



8De op te leggen straf of maatregel


8.1

De gronden voor een straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte is behulpzaam geweest bij een poging tot diefstal, door zijn mededaders te vervoeren naar de beoogde plaats delict en vervolgens één van hen weer op te halen. Diefstallen uit een woning zijn nare feiten, die naast schade, overlast en angst bij de slachtoffers, onrust in de samenleving veroorzaken. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij aan deze gevolgen voorbij is gegaan en alleen heeft gedacht aan geldelijk gewin. Verdachte heeft ter terechtzitting op 23 april 2015 verklaard dat hij zich pas later is gaan realiseren wat voor impact dit soort gebeurtenissen moeten hebben en heeft zijn spijt betuigd over wat er is gebeurd.


Volgens de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS is het uitgangspunt voor een dergelijk (voltooid) feit een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. In dit geval is het bij een poging gebleven en is de rol van verdachte beperkt tot medeplichtigheid. Daar staat tegenover dat het feit in de late avond is gepleegd en dat er een voorbereiding in de vorm van voorverkenning aan vooraf is gegaan. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest (48 dagen) acht de rechtbank daarom een passende straf.


De officier van justitie heeft gevorderd dat van de gevangenisstraf, ook een gedeelte voorwaardelijk wordt opgelegd, met oplegging van de bijzondere voorwaarden, zoals verwoord in het rapport van de Reclassering d.d. 8 september 2014.

De rechtbank overweegt dat verdachte direct na zijn vrijlating, inmiddels bijna een jaar geleden, werk heeft gezocht en momenteel werkzaam is in de assemblage bij het bedrijf [Z]. Verdachte heeft daar een jaarcontract aangeboden gekregen. Ook is de financiële situatie van verdachte verbeterd. Verdachte heeft zich aangemeld bij instanties om tot saneren van zijn schulden te komen en heeft inmiddels de helft van zijn schulden afbetaald. Verdachte heeft zich daarnaast aangemeld bij Dimence om zich te laten behandelen voor zijn verwerkingsproblematiek. Gezien deze omstandigheden ziet de rechtbank geen reden om de door de officier gevorderde voorwaardelijke straf met de daaraan gekoppelde bijzondere voorwaarden op te leggen omdat dit geen meerwaarde heeft.



9De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10 en 27 Sr.


10De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
  • - verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf:medeplichtigheid aan poging tot diefstal

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde;


straf

  • - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 48 dagen,
  • - bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Taalman, voorzitter, mr. F. van der Maden en

mr. M. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van den Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2015.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer 04TGO14004. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], [adres 1] te Vaassen, bij politie d.d. 4 april 2014. P.1105 t/m 1107.

(..)

Ik wil aangifte doen van een mogelijke poging roofoverval op mij, waarbij mogelijk geweld

of bedreiging met geweld zou worden gepleegd.

Ik verklaar u hierover het volgende.

Afgelopen woensdag 2 april 2014 tussen 22:20 uur en 22:30 uur was ik in huis en zou

naar bed gaan. (..)

Toen de honden binnen waren hoorde ik na enige minuten de bellen bij de achterdeur.

(..)

Ik had de achterdeur al afgesloten.

(..)

Er werd langdurig en indringend op beide bellen bij de achterdeur gedrukt.

(..)

Het bellen ging door met tussenpozen.

(..)

Onder de overkapping linksachter naast het huis zit een sensor. Bij beweging gaat er binnen een zoemer af. Dit is indringend. Toen dit gebeurde vertrouwde ik het allemaal niet. Ik heb niet gereageerd op het aanhoudende bellen.

(..)

De zoemer ging af en bleef af gaan. Ik wist dat er dus nog steeds iemand bij of achter mijn woning liep.

(..)

Hierop ben ik naar de voorkant naar mijn slaapkamer gegaan en heb daar het raam opengedaan. Ik kijk dan op de Apeldoornseweg te Vaassen. Ik zag toen mijn overburen aankomen. Mijn buurman riep naar mij en zei, dat het niet goed was. De buurman zei, het zijn er twee en ze hebben een capuchon en hij dacht dat ze iets voor hun gezicht hadden. Eén had hij zien weglopen richting de rondweg, de Laan van Fasna.


Proces-verbaal van verhoor (met bijlagen) van [verdachte] bij de politie d.d. 8 april 2014. P.432 t/m 445.

(..)

Volgens mij de volgende dag, dinsdag 25 maart, kwam [C] samen [M] bij mij

thuis. (..) Dezelfde dag ben ik met hem en [M] naar Vaassen gegaan. [C] kwam met dat idee.

V: Waarom naar Vaassen?

A: Dat weet ik niet. Dat wist hij. Toen ben ik op dezelfde plek gestopt als waar ik op woensdag 2 april ben gestopt.

V: Was dit een soort van voorverkennen?

A: Ja denk het wel. Ze waren aan het kijken wat de mogelijkheden waren en zo.

V: Waar gingen jullie in Vaassen heen?

A: [C] gaf de aanwijzingen waar ik heen moest rijden.

V: Wat zouden jullie in Vaassen gaan doen?

A: Hun wilden gaan kijken. Blijkbaar wilden ze naar binnen. Ze hebben gezegd dat er

wat te halen viel in een woning boven een sigarenboer.

(..)

V: Wat is de reden dat jullie daar waren?

A: Ze gaven aan dat er wat te halen viel. [C] wist dat er geld te halen viel. En hij wilde dat gaan pakken.

V: Hoe wist hij dat?

A: goeie vraag. Hij heeft tegen mij gezegd dat hij dat zelf heeft gezien. En hij heeft opgezocht en wist dat deze sigarenboer nog nooit was overvallen, dat er nooit wat was gebeurd.

(..)

V: En toen?

A: Ik heb toen [C] en [M] aan het voorverkennen waren bij de auto gewacht. Ze waren ongeveer een half uurtje weg. Daarna zijn we weggereden.

V: Hoe zijn jullie weggereden?

A: Heb je een papier om te tekenen?

0: Verdachte maakt een situatieschets welke als bijlage bij dit verhoor wordt

gevoegd.

A: Ik heb de auto geparkeerd op een parkeerplaats. Zij zijn rechtsaf richting de sigarenboer gelopen en toen ze de hoek omgingen, waren ze uit het zicht. Ze kwamen dezelfde weg weer teruglopen.

0: De auto is in de Oude Apeldoornseweg geparkeerd en [C] en [M] zijn over de

Oude Apeldoornseweg richting de Laan van Fasna gelopen. Op de Laan van Fasna zijn

ze rechtsaf gelopen richting de sigarenwinkel. Dezelfde weg zijn ze teruggelopen.

(..)

V: Na de voorverkenning, rijden jullie terug. Wat wordt er verteld in de auto?

A: [M] en [C] hadden het over dat ze er een goed gevoel over hadden. Er was een raam dat open stond onder een afdakje aan de zijkant van de woning. Er was wel een hond zeiden ze, die was groot, maar ook oud. Er was in de tuin een bewegingscensor zeiden ze, dat er een alarm op de slaapkamer af zou gaan als er iemand in de tuin zou lopen. Maar die ging ook al af als er een kat door de tuin heen liep. Althans dit alles is wat [C] en [M] vertelden tegen elkaar in de auto. Ook vertelden ze nog dat het geen zin had met het raam en dat het makkelijker was om gewoon aan te bellen en dan via die manier naar binnen te gaan.

(..)

Hij belde met de huistelefoon van [R] naar mijn mobiele telefoon toe. (..)

Hij vroeg wanneer. De dinsdag of de woensdag. Ik zei dat het de woensdag moest worden. (..)

[C] kwam ‘s middags langs. (..) Ik heb met hem gesproken en heb afgesproken om

acht uur bij mij thuis, samen met [M]. (..) Ze kwamen tussen 8 en half 9 bij mij

thuis. Ze kwamen met de scooter van [C]. We hebben wat gedronken bij mij thuis. Ik heb niks gedronken, maar zij hadden een fles whisky bij zich waar nog een centimeter of 3 of 4 inzat, in een 0,7 literfles. Rond half 10 zijn we vertrokken.

(..)

Via de weg waar ik tijdens de voorverkenning had geparkeerd reden we in Vaassen. Ik

wilde op dezelfde plek parkeren, maar ze zeiden, nee, nee, rij maar door. Ik ben toen doorgereden richting en voorbij de Laan van Fasna. Bij een soort tuincentrum ben ik gekeerd en reed weer terug over dezelfde weg. Ik heb geparkeerd op de tweede of de derde parkeerplek die daar aan de weg staat. Dit was ongeveer dezelfde parkeerplaats als tijdens de voorverkenning. Dit was om 10 uur ‘s avonds. Ik heb daar heel lang gestaan.

(..)

Ik ben rond kwart voor elf weggereden. Gelijk het eerste zijstraatje rechts en toen de eerste links richting de sigarenboer. En ik rij die straat in en zie allemaal politie. Ik wist niet wat er allemaal gebeurde. Ik wilde alleen maar weg hier. Ik reed door en reed langs de sigarenboer weg over de Apeldoornseweg.

(..)

Ik bleef gewoon doorrijden, totdat ik een bordje Deventer zag. Ik ben via Teuge, Twello, over de IJsselbrug, via het centrum en politiebureau naar huis gereden.

V: En toen?

A: Ik werd gebeld toen ik vlak bij het politiebureau was. Dit was [R]. Ze vertelde dat [C] was opgepakt voor openbare dronkenschap. En hij zat nu in een politieauto terug naar Vaassen. Hij zou daar afgezet worden bij de bushalte in Vaassen en ik wist waar het was.

(..)

Hij was niet bij de bushalte, maar was vlak bij de plek waar ik de auto had geparkeerd eerder op de avond. Hij kwam in de auto en hij vroeg of ik [M] had gezien.

(..)

[C] wilde weten waar [M] was. Hij wilde dat ik ging parkeren. Hij zei dat hij

wist dat [M] de bosjes in was gedoken. Ze waren vanaf de sigarenboer over de

Laan van Fasna gelopen en toen de Oude Apeldoornseweg ingegaan. Ze zagen politie

aankomen. [M] is de bosjes ingedoken en [C] deed alsof hij dronken was en

ging midden op straat lopen. Ik ben hier niet bij geweest. Dit heb ik van [C] gehoord toen hij weer bij mij in de auto zat. (..) Maar hij was zeker niet dronken.

(..)

We zijn hierop naar huis gereden. [R] heeft nog naar mijn telefoon gebeld en [C] heeft met mijn telefoon met haar gesproken. Hij had het over een afterparty. Dit is sluiertaal.

(..)

[C] vertelde aan mij hoe het gegaan was. Hij vertelde dat ze erheen waren gelopen, en hebben aangebeld bij de sigarenwinkel. Er werd niet op gereageerd. Ze zijn weggelopen en zijn ze het nog een keer geprobeerd. Ze hebben nog een keer aangebeld. Toen reageerde er een van de buren geloof ik.

(..)

Daarna zijn ze naar de overkant gelopen en zijn ze tegen een hek aan gaan staan en deed alsof hij dronken was. Een buurman heeft hem toen in zijn gezicht geschenen met een lamp en vroeg wat hij daar deed. [C] zei dat hij de bus naar Apeldoorn moest hebben.

De man zei tegen hem dat hij aan de andere kant moest zijn, de bus komt er net aan. Hij is daarnaartoe gelopen. En in de bus gestapt en vroeg of hij kon pinnen. De buschauffeur zei nee en hij is toen de bus weer uitgestapt en richting de plek gelopen waar ik zou wachten. Maar daar stond ik dus niet meer. Daarna is de politie aan komen rijden en is hij opgepakt.

Dit heeft [C] allemaal verteld toen hij bij mij in de auto zat.

(..)

V: en toen heb je hem thuis afgezet en jij gaat naar huis?

A: Ja daar zag ik [M] in een deken gewikkeld voor mijn huis.

V: Wat is er met hem besproken?

A: Ik vroeg waar hij was geweest. Hij legde uit, dat hij in de bosjes was gesprongen en op een gegeven moment hoorde hij dat [C] was opgepakt. Hij vertelde het zelfde verhaal als wat [C] had verteld.

(..)

V: Hoeveel geld zou je hiervoor krijgen?

A: Volgens hem lag daar een paar duizend euro.

V; Wat was de afspraak?

A: Aan de hand van hoeveel het was, zouden we kijken wat ik kreeg. Ik zou een deel krijgen. Zij zouden het grootste deel krijgen en ik wat minder dan hun.

V: Hoe was de verdeling dan?

A: Stel dat er 500 euro zou zijn, zouden zij ieder 200 euro krijgen en ik 100 euro. Zoiets zou dat zijn.

V: Oke dus jij zou dan 1/5 deel krijgen en zij ieder 2/5 deel.

A: Ja, zo zou dat zijn dan.

(..)


Proces-verbaal van verhoor van [verdachte] bij politie d.d. 9 april 2014. P. 446 t/m 474.

(..)

A: Ik vroeg hoelang ik moest wachten. [C] zei maximaal 2 uur. Als het langer zou

duren dan zou er wel wat gebeurd kunnen zijn. Dus kon ik weggaan. [M] vulde aan en zei, maximaal twee uur, want de vorige keer heeft het ook 1,5 uur geduurd dat we binnen zijn geweest.

(..)


Proces-verbaal van verhoor van verdachte [C] bij politie d.d. 5 april 2014. P. 165 t/m 169.

(..)

V:Gisteren na het verhoor vertelde jij toen wij op weg terug waren naar je cel, dat jij in Vaassen was aangehouden voor openbare dronkenschap. Wat kun je daarover vertellen?

A: Het klopt dat ik ben aangehouden voor openbare dronkenschap. Ik heb daarvoor een

boete gehad en ook voor het niet tonen van ID. (..) Dit was op woensdag 2 april tussen 21.00 —23.00 uur.

V:Dus jij was op woensdag 2 april 2014 in Vaassen?

A: Ja.

V: Dat klopt toch?

A: Ze hebben me zelfs teruggebracht naar de kruising bij die sigarenboer daar hij

die bushalte.



Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 23 april 2015 voorzover inhoudende als verklaring van verdachte:


Ik blijf bij de bekennende verklaring die ik tegenover de politie heb afgelegd.

Proces-verbaal van verhoor van verdachte [M] bij politie d.d. 6 april 2014 p. 306 t/m 312.

(..)

A: Ik ben woensdag de 2e april in Deventer geweest. Bij een vriend van mij. We hadden een feestje in Vaassen. Daar zijn we naar toe gegaan.

(..)

V: Met wie was jij op dat feest Sherwin?

A: Met een vriend van mij, [C].

(..)

V: Wie was er nog meer bij in Vaassen?

A: Een andere vriend van mij, [verdachte].

(..)

V: Hoe ben je op dat feest gekomen?

A: Met de auto van [verdachte]. Een grote auto. Zo’n grote familieauto. Volgens mij was die auto donkerblauw of zwart.

(..)

A: (..) Ik schrok van het feit dat [C] door de politie werd aangehouden. ik zag dat.. (..) Ik ben door een coniferenhaag gedoken. Ik kwam achter een woning terecht. Ik ben om het huis heen gelopen. (..) Ik zag toen een openstaande fiets bij dat huis staan. Ik heb die fiets gepakt en ben toen op die fiets teruggereden naar Deventer. Ik kwam om ongeveer 01.00 uur in die nacht van woensdag op donderdag aan in Deventer bij de woning van Bobby.


Proces-verbaal van verhoor van getuige [S] bij politie d.d. 4 april 2014. P. 1118 t/m 1121.

(..)

Op woensdagavond 2 april 2014 ben ik samen met mijn vriendin [Y] bij vrienden geweest. Omstreeks 22.20 uur zijn we daar weggegaan. Mijn vriendin reed en ik zat er naast. We wilden rechtsaf slaan de Apeldoornseweg op. We moesten stilstaan omdat het verkeerslicht op rood stond. Dit was op de hoek waar de sigarenwinkel van [slachtoffer] is. We reden de hoek om en ik zag een (1) persoon naast de winkel staan op de parkeerplaats.

(..)

Ik kan de persoon als volgt omschrijven:

Olijfgroen vest, capuchon van vest had hij op.

Man/jongen begin 20.

Halfbloed niet echt buitenlands.

Joggingbroek grijs, geen bijzonderheden.

Sportschoenen Nike, lichte met Nike teken, dit zag ik toevallig.

De persoon keek mijn kant op maar ik heb zijn gezicht niet gezien omdat hij een capuchon op had. Het was donker. Persoon 1 stond onder een soort afdakje van de winkel. Er brandde

straatverlichting. Ik draag geen bril en kan goed zien.

We zijn de hoek omgereden de Apeldoornseweg in. Mijn vriendin zag nog een persoon en

vertrouwde het niet. Verderop zijn we daarom gestopt en gekeerd om nogmaals langs de winkel van [slachtoffer] te rijden en te kijken.

(..)

Toen we voor de winkel langsreden, heb ik goed gekeken. Ik zag het volgende:

Ik zag een jongeman (persoon 2) staan op de oprit naast de winkel, deze oprit hoort bij de winkel. Via deze oprit kun je bij de achterdeur komen. Ik zag dat hij tegen de muur van de winkel stond. Ik zag dat hij om het hoekje keek naar de weg. Ik denk om te kijken waar die andere persoon was, daarmee bedoel ik persoon 1.

Ik kan persoon 2 niet goed omschrijven. Ik weet alleen dat hij een zwart vest droeg met capuchon die hij op had.

(..)

We zijn doorgereden en gestopt bij de bloemist ergens. Daar hebben we de politie gebeld. We zijn doorgereden en kwamen uit op de Oude Apeldoornse weg en via de Laan van Fasna zijn we weer naar de winkel van [slachtoffer] gereden.

Onderweg op de Laan van Fasna, ter hoogte van de bushalte, zag ik dezelfde persoon lopen als persoon 1 maar nu met de capuchon af en bellend. Ik weet zeker dat het dezelfde persoon was als persoon 1 want hij had hetzelfde vest aan, dit was een aparte kleur groen, olijfkleur. Ik zag dat hij aan het bellen was, ik kon niet horen wat hij zei. Volgens mij had hij een witte telefoon in zijn handen en hij had kort gemillimeterd haar.


Proces-verbaal van verhoor van getuige [K] bij politie d.d. 4 april 2014. P. 1110 t/m 1112.


“Ik weet dat ik hier ben voor een verhoor vanwege een incident dat zich heeft

afgespeeld op woendag 2 april 2014, omstreeks 22:30 uur. Ik woon aan de

[adres 2] te Vaassen. Ik woon daar samen met mijn man, [T].

(..)

Direct tegenover mijn woning is de [X] gelegen. (..) Ik schat dat de afstand tussen de voorzijde van mijn woning en de tabakswinkel ongeveer 100 meter is.

(..)

Op die dag, omstreeks 22:30 uur ging ik met onze hond wandelen. Ik doe het hekje van het slot en ik kijk vooruit richting van [X]. Ik zag 2 mannen op de oprit voor de garage van van [X] lopen. (..) De 2 mannen stonden in het licht van de lamp die onder de carport zit. Door de lichtgesteldheid en de afstand van ongeveer 100 meter was het wel lastig om de mannen te zien.

Ik kan de mannen als volgt omschrijven:

Man 1:

— man droeg een lichtkleurige jas.

— kwam lomp op mij over.

— Man liep iets voorover

— Zijn loopje kwam slungelig op mij over

— Ik schat de deze man ongeveer 180 cm is. Net zo lang als ik.

— Huidskleur kan ik niets over verklaren

— Ik kon zijn gezicht door de afstand niet zien

— Verder over schoenen en broek kan ik niets zeggen

— Ook leeftijd of iets dergelijks kan ik niets over zeggen

— Ik weet niet of hij een muts of iets dergelijks op had.

Man 2:

— deze man droeg donkere kleding

- Getinte huidskleur.

— Ik ben geen expert, maar ik zou zeggen noord—afrikaans. Geen indonesische huidskleur of iets dergelijks.

— Ik schat deze jongeman rond de 25 jaar oud.

— Ik vond het een mooie jongen om te zien, met een verzorgd uiterlijk.

— Kwam sportief op mij over

— Actieve houding, liep vlotter

— Kwam zelfs beetje bijdehand over. Hij liep echt zelfverzekerd rond, alsof hij helemaal op zijn gemak was.

— Hij was iets kleiner dan man 1. Ik schat hem 170 cm lang

— Slank postuur.

— Droeg een zwarte losse muts. Geen capuchon over zijn hoofd.

(..)

Ik ben direct omgedraaid en weer naar binnen gelopen. (..) Ik zag dat man 1 richting de achterdeur van de woning van [slachtoffer] liep. Ik zag dat hij daarna terugliep, naar het keukenraam liep en naar binnen keek. Ik zag dat hij alleen met zijn gezicht naar het raam stond, hij heeft hierbij zijn handen niet gebruikt. Het keukenraam zit aan de zijde van de garage. Ik zag dat man 2 een beetje heen en weer liep over de oprit.

(..)

Ik heb direct mijn man, [T] geroepen. [T] heeft zijn jas aan gedaan en is direct mee naar buiten gekomen. Ik schat dat we hooguit een minuut weer buiten stonden. We zijn samen de voortuin ingelopen. Ik zag dat er weinig aan de posities van de mannen veranderd was. De mannen liepen weer een beetje rond alsof ze aan het zoeken waren.

(..)

Ik zag dat mijn man [T] met zijn zaklamp in de richting van de mannen scheen.

(..)

Ik kwam weer bij [T] en ik hoorde hem zeggen dat de mannen rustig aan richting de bushalte aan de Laan van Fasna zijn gelopen.


Proces-verbaal van verhoor van getuige [G] d.d. 4 april 2104, wonende aan de [adres 3], P.1125 en 1126.


Woensdagavond, 2 april 2014, ben ik vroeg naar bed gegaan. Toen ik in mijn eerste slaap was, ongeveer tussen 22.30 en 22.45 uur, hoorde ik iemand vloeken of schreeuwen.

(..)

De volgende dag ontdekte mijn vrouw om ongeveer 15.30 uur een groot gat in de heg.


Proces-verbaal van bevindingen inzake aanhouding verdachte [C] d.d. 2 april 2014. P. 1071 t/m 1073.

(..)

Op woensdag 2 april 2014 omstreeks 22:38 uur hoorden wij van de regionale meldkamer

de melding dat er twee mannen met mutsen of capuchons rond het pand liepen van

[X], gelegen aan de [adres 1] te Vaassen.

Op het moment dat wij in Vaassen over de Laan van Fasna reden en de kruising met de

Oude Apeldoornseweg passeerden zagen wij dat een manspersoon vanuit de richting van

de Laan van Fasna de Oude Apeldoornse weg in liep, in de richting van het centrum

van Vaassen. Wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen dat deze man

aan de linkerzijde van de Oude Apeldoornseweg liep en schuin de weg overstak om aan

de rechterzijde van de weg te gaan lopen. Wij zagen dat deze man gekleed was in een

spijkerbroek en een trui of vest voorzien van een capuchon aan de achterzijde. Wij

zagen dat de man sportschoenen droeg.

(..)

Wij hoorden hen zeggen dat zij twee personen bij het pand hadden gezien. Zij konden

niet goed zeggen of de mannen donker getint waren of dat zij bivakmutsen op hadden

gehad. Wij hoorden hen zeggen dat zij gekleed waren in een donkere capuchontrui. De

tweede persoon was gekleed in een olijfgroene trui en zou sportschoenen dragen.

Wij hoorden hen zeggen dat de mannen waren weg gelopen in die richting, en zagen

dat zij hierbij met hun hand wezen in de richting van de Laan van Fasna.

(..)

Op dat moment besloten wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] om

direct terug te rijden naar de Oude Apeldoornseweg met de bedoeling om de persoon

die wij even daarvoor hadden zien lopen, te controleren. Hiertussen zaten ongeveer

3 a 4 minuten.

(..)

Wij zagen dat hij gekleed was in een donkerblauwe spijkerbroek met hierboven een donkerblauwe/ groene trui of vest voorzien van een capuchon. Wij zagen dat de capuchon was voorzien een licht gekleurde, één centimeter brede veter, die aan de voorzijde ongeveer 20 tot 25 centimeter lang was. De man droeg licht gekleurde gymschoenen.

Wij zagen dat de man onvast ter been liep en verkeerde in een kennelijke staat van dronkenschap.

(..)

Aangekomen op het politiebureau overhandigde de man een op zijn naam staand geldig Nederlands paspoort met paspoortnummer [xxxx], welke was afgegeven op 23 oktober 2012 door de Burgemeester van Apeldoorn. Het paspoort is geldig tot 23 oktober 2017 en staat op naam van: [achternaam]; [voornaam]; Geboortedatum en plaats: [1987] te [geboorteplaats 2].