Rechtbank Overijssel, 26-05-2015 / ak_15_732


ECLI:NL:RBOVE:2015:2469

Inhoudsindicatie
Omgevingsvergunning (revisievergunning) voor metaalverwerkingsbedrijf.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-05-26
Publicatiedatum
2015-05-29
Zaaknummer
ak_15_732
Procedure
Voorlopige voorziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht


Zittingsplaats Zwolle


Registratienummer: Awb 15/732


uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen



HKS Scrap Metals B.V., te ‘s-Gravendeel, verzoekster,

gemachtigde: mr. M. Bos, advocaat te ‘s-Hertogenbosch,


en


het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.


Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam], te [woonplaats],

gemachtigde: mr. D. Pool, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand te Tilburg.



Procesverloop


Bij besluit van 13 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoekster, HKS Scrap Metals B.V. (hierna te noemen: HKS) ten behoeve van haar inrichting aan de Kalkovens 30 te Zwartsluis een omgevingsvergunning (revisievergunning) op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend.


Verzoekster heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2015. Voor verzoekster is verschenen E. Steffers, bijgestaan door verzoeksters gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Orie, A. Vos, R. Koster en E.M. Suselbeek, allen werkzaam bij de Provincie Overijssel. Derde-partij is niet verschenen.



Overwegingen


1.1

Nu tegen het bestreden besluit afzonderlijk beroep is ingesteld door derde-partij [naam] (hierna te noemen: [naam]) maar hij geen voorlopige voorziening heeft gevraagd, kan de voorzieningenrechter reeds op die grond geen toepassing geven aan artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bovendien zal het beroep in de bodemprocedure te zijner tijd door een meervoudige kamer van de rechtbank worden behandeld.

De voorzieningenrechter zal daarom alleen uitspraak doen op het verzoek om voorlopige voorziening.

1.2

Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


1.3

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.


1.4

Niet in geschil is dat [naam], die woonachtig is aan de [adres] te [woonplaats], aan de overkant van het Meppelerdiep schuin tegenover de inrichting van verzoekster, belanghebbende is bij de aan verzoekster verleende omgevingsvergunning. Het beroep van [naam] tegen die omgevingsvergunning zal tegelijk met het beroep van verzoekster ter zitting worden behandeld.


1.5

Per 1 januari 2014 is het bevoegd gezag in het kader van de Wabo voor provinciale inrichtingen overgegaan naar de gemeenten met uitzondering van de bedrijven die vallen onder de Richtlijn Industriële Emissies (RIE), voorheen de IPPC- en BRZO-bedrijven. Nu verzoekster een RIE-bedrijf is, betekent dit dat niet de gemeente (Zwartewaterland), maar de provincie Overijssel bevoegd is de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu te verlenen. Dit betekent eveneens dat de provincie het bevoegd gezag is voor alle andere activiteiten die onder de Wabo vallen, zoals bouwen en slopen. Wel dient de gemeente een verklaring van geen bedenkingen af te geven met betrekking tot de ruimtelijke aspecten. In casu heeft de gemeente Zwartewaterland deze verklaring afgegeven op 27 oktober 2014 (verzonden 29 oktober 2014).


2.1

HKS is een metaalverwerkingsbedrijf dat is gespecialiseerd in de recycling van ferro en non-ferro metalen tot hoogwaardige grondstoffen. De bedrijfsactiviteiten die in de inrichting plaatsvinden betreffen de in- en verkoop (handel) en opslag, overslag en be- en verwerking (shredderen, snijden en branden) van metalen/afvalstoffen en/of metaalhoudende materialen/ afvalstoffen. In de inrichting wordt onder andere gebruik gemaakt van een shredder- en scheidingsinstallatie, mobiele kranen, een wiellaadschop, een vorkheftruck, vrachtwagens en schepen. Op het terrein van de inrichting zijn verder onder meer aanwezig: een kantoor-gebouw, een opslagloods, een werkplaats, opslagvakken, een wasplaats, een tankplaats, een geluidscherm en erfafscheidingen.


2.2

Op 13 juni 2014 heeft HKS bij verweerder een aanvraag voor een omgevings-vergunning ingediend ten behoeve van haar inrichting aan De Kalkovens 30 te Zwartsluis. Het betrof een aanvraag om een revisievergunning voor het gehele bedrijf voor onder andere het opslaan, sorteren, verwerken en bewerken van metalen en autowrakken en de opslag van accu’s. Tevens heeft de aanvraag betrekking op reeds gerealiseerde dan wel nog te realiseren bouwwerken.


2.3

Het ontwerp van de omgevingsvergunning is op 10 november 2014 vastgesteld en is op 12 november 2014 gepubliceerd in huis-aan-huisblad “De Stadskoerier”. Tegen het ontwerp zijn onder andere door HKS en door [naam] zienswijzen ingediend.


2.4

Bij besluit van 13 februari 2015 heeft verweerder aan HKS een omgevingsvergunning verleend voor - onder meer - de volgende activiteiten:

- het bouwen van diverse, deels reeds gerealiseerde, bouwwerken (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo);

- het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo);

- het veranderen van de inrichting of van de werking daarvan (revisievergunning, artikel 2.6 van de Wabo), voor het opslaan, sorteren, verwerken en bewerken van metalen en autowrakken en de opslag van accu’s (artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo);

- de wijziging of uitbreiding van een inrichting voor de opslag van schroot, met inbegrip van autowrakken als bedoeld in artikel 2.2.a, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit omgevingsrecht (Bor), betreffende een omgevingsvergunning met beperkte milieutoets (artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo);

- een project of andere handeling te realiseren onderscheidenlijk te verrichten, die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen (artikel 19d Natuurbescher-mingswet).


2.5

Aan de omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden die zijn opgenomen in de bijlage “Voorschriften” bij de vergunning.


2.6

Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd, inhoudende schorsing van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften 7.1.2, 10.1.2, 11.1.8, 11.1.9 en 11.1.10 tot zes weken na de uitspraak in de bodemprocedure. Verzoekster is van mening dat deze voorschriften niet in stand kunnen blijven en dat ter voorkoming van achteraf onnodig gedane uitgaven dient te worden overgegaan tot schorsing. Ten aanzien van de voorschriften 8.1.3 en 8.1.4 wordt verzocht om bij wege van voorlopige voorziening te bepalen dat de tweede zin van deze voorschriften moet worden gelezen als volgt: “Deze gasflessen dienen regelmatig, doch minimaal eens per maand te worden afgevoerd naar een daartoe erkende inzamelaar”.

In een aanvullend verzoekschrift is verzocht om ook voorschrift 11.1.11 te schorsen.


2.7

Het gaat bij genoemde voorwaarden om het volgende:

- 7.1.2.: dit voorschrift verplicht tot het uitvoeren van een akoestisch onderzoek op basis van metingen om aan te tonen en dat aan de geluidsvoorschriften wordt voldaan.

- 8.1.3: en 8.1.4: op grond van deze voorschriften moeten tussen het aangeleverde schroot aangetroffen gasflessen binnen 48 uur (gasflessen met onbekende inhoud), respectievelijk binnen tien werkdagen (gasflessen met bekende inhoud) uit de inrichting worden afgevoerd naar een daartoe erkende inzamelaar.

- 10.1.2: dit voorschrift verplicht tot het uitvoeren van een aanvullend geuronderzoek.

- 11.1.8: dit voorschrift eist controle op de goede werking van de ontstoffingsinstallatie door middel van camerabewaking vanuit de bedieningsruimte van de shredder op de waterbehan-delingsinstallatie en de uitlaat van de ontstoffingsinstallatie.

- 11.1.9: dit voorschrift schrijft voor dat de druk in de waterleiding voor de ontstoffings-installatie alsmede de waterflow continu moeten kunnen worden afgelezen in de bedienings-ruimte van de shredder.

- 11.1.10: op grond van dit voorschrift dient verzoekster een visuele en akoestische alarmering te installeren ter bewaking van de minimaal benodigde hoeveelheid waswater in de ontstoffingsinstallatie.

- 11.1.11: dit voorschrift regelt het automatisch stoppen van de shredder in het geval de ontstoffingsinstallatie uitvalt.


2.8

Verzoekster stelt dat zij ten aanzien van de genoemde voorschriften een spoedeisend belang heeft bij schorsing respectievelijk aanpassing van de door haar genoemde voor-schriften, aangezien die voorschriften dwingen tot het op korte termijn treffen van kostbare maatregelen en/of voorzieningen. Verzoekster is van mening dat de in deze voorschriften opgelegde verplichtingen niet aan haar kunnen worden opgelegd en dat die voorschriften in beroep vernietigd moeten worden. De behandeling van de bodemzaak kan volgens verzoekster echter niet worden afgewacht aangezien aan bepaalde voorschriften onmiddellijk moet worden voldaan (voorschriften 8.1.3, 8.1.4, 11.1.8, 11.1.9 en 11.1.10) en andere voorschriften (voorschriften 7.1.2 en 10.1.2) verplichten tot uitvoering van onnodige en kostbare geluid- en geuronderzoeken binnen zes maanden na het inwerking treden van de vergunning. Verzoekster verwacht dat binnen deze periode van zes maanden nog geen uitspraak in de bodemzaak zal zijn gedaan. Een voor haar positieve uitspraak in de bodemzaak zou daarom als mosterd na de maaltijd komen, aldus verzoekster.


De voorzieningenrechter overweegt als volgt.


3.1

Gelet op het gecompliceerde karakter van deze zaak, dat naar verwachting behandeling van het beroep in de bodemprocedure door een meervoudige kamer nodig maakt en waarbij niet uitgesloten is dat het inwinnen van een deskundigenadvies van de Stichting advisering Bestuursrechtspraak nodig zal zijn, zal de voorzieningenrechter zich onthouden van een (voorlopig) inhoudelijk oordeel over de door verzoekster aangevoerde gronden en zich beperken tot de vraag of sprake is van een spoedeisend belang dat noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening als verzocht.


3.2

De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Ingevolge artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo treedt een zodanig besluit pas in werking na afloop van de beroepstermijn. Nu binnen de beroepstermijn een voorlopige voorziening is verzocht, treedt het bestreden besluit ingevolge artikel 6.1, derde lid, van de Wabo pas in werking nadat op het verzoek is beslist. Dit betekent dat de termijn van zes maanden waarbinnen verzoekster dient te voldoen aan de voorschriften 7.1.2 en 10.1.2 (geluid- respectievelijk geuronderzoek) pas zal aanvangen na de uitspraak op het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening. Verzoekster heeft vervolgens nog zes maanden de tijd om aan die voorschriften te voldoen. Voor zover het deze beide voorschriften betreft is reeds om die reden geen sprake van onverwijlde spoed die, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.


3.3

Wat de andere voorschriften betreft is de voorzieningenrechter eveneens van oordeel dat een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in de eerste plaats in aanmerking genomen dat het door verzoekster gestelde spoedeisend belang in hoofdzaak een financieel karakter draagt.

Een financieel belang vormt volgens vaste jurisprudentie op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het treffen van een voorlopige voorziening zal eerst in beeld kunnen komen indien het financiële belang, gelet op bijvoorbeeld de vermogenspositie van de onderneming, zodanig zwaarwegend is, dat de continuïteit van de onderneming wordt bedreigd en verzoekster hierdoor in een acute financiële noodsituatie zal geraken.

Dat in het onderhavige geval sprake is van een zwaarwegend financieel belang zoals hiervoor bedoeld, is niet aannemelijk geworden. Niet is gesteld of gebleken dat de conti-nuïteit van verzoeksters onderneming in gevaar komt door de kosten die zij stelt te moeten maken om aan de voorschriften van de vergunning te voldoen.

Overigens kan verzoekster verweerder aansprakelijk stellen voor eventuele door haar geleden financiële schade indien in beroep mocht blijken dat de genoemde voorschriften ten onrechte aan de omgevingsvergunning zijn verbonden en verzoekster daardoor onnodig kosten heeft moeten maken om aan die voorschriften te voldoen.


3.5

Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat verweerder in een gesprek met verzoekster op 20 april 2015 mondeling heeft toegezegd de naleving van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften niet actief te zullen controleren totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure. Deze mondelinge toezegging heeft verweerder ter zitting van 19 mei 2015 bevestigd. Hoewel verweerder deze toezegging niet schriftelijk wil vastleggen omdat hij zich de mogelijkheid wil voorbehouden om eventueel te kunnen optreden bij klachten of als door derden om handhaving zou worden verzocht, ziet de voorzieningenrechter geen reden om eraan te twijfelen dat verweerder die toezegging niet zal nakomen. Ook op deze grond is geen sprake van een spoedeisend belang dat noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening.


3.6

Indien hangende de beroepsprocedure door derden mocht worden verzocht om handhaving, ontstaat een nieuwe situatie. Er dient in dat geval eerst controle plaats te vinden om vast te stellen of sprake is van een overtreding. Op voorhand is niet te zeggen of een dergelijk verzoek betrekking zal hebben op de voorschriften waarvan thans schorsing wordt gevraagd. Mocht dat het geval zijn, dan moet alvorens tot handhaving wordt besloten eerst een belangenafweging plaatsvinden, waarbij ook de belangen van verzoekster dienen te worden afgewogen. Indien nodig kan verzoekster op dat moment een nieuw verzoek om voorlopige voorziening indienen.


4.1

Gelet op het vorenstaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek af wegens het ontbreken van spoedeisend belang.


5.1

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van G. Kootstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op





griffier voorzieningenrechter






Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.