Rechtbank Overijssel, 09-03-2015 / C/08/167152 / JE RK 15-106 en C/08/154352 / ES RK 14-820


ECLI:NL:RBOVE:2015:2478

Inhoudsindicatie
De kinderrechter wijst toe het verzoek van de minderjarige om ondertoezichtstelling op te heffen. Hoewel hulpverlening nodig is, is de kinderrechter van oordeel dat ondertoezichtstelling contraproductief zal werken nu de minderjarige zich erg afzet tegen gedwongen hulpverlening. Er gaat teveel negatieve energie zitten in de strijd tussen de minderjarige en de gecertificeerde instelling en niet te verwachten is dat dat zal ophouden.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-03-09
Publicatiedatum
2015-05-27
Zaaknummer
C/08/167152 / JE RK 15-106 en C/08/154352 / ES RK 14-820
Procedure
Beschikking
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • PFR-Updates.nl 2015-0184
Uitspraak

beschikking



RECHTBANK OVERIJSSEL

Familierecht en Jeugdrecht


Zittingsplaats: Almelo


zaakgegevens : C/08/167152 / JE RK 15-106 en C/08/154352 / ES RK 14-820

datum uitspraak: 9 maart 2015


beschikking opheffing ondertoezichtstelling en overige verzoeken in de zaak van
[verzoekster],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

hierna te noemen [verzoekster],


betreffende haar verzoeken op grond van artikelen 1:251a, 1:261 lid 2 en 1:377g van het Burgerlijk Wetboek (BW) tot wijziging van het gezag, opheffing van de ondertoezichtstelling en wijziging van de omgangsregeling.


De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:


[belanghebbende 1], hierna te noemen de moeder,

wonende te [geboorteplaats],


[belanghebbende 2], hierna te noemen te vader,

wonende te [geboorteplaats],


Stichting Jeugdbescherming Overijssel, de gecertificeerde instelling,

hierna te noemen de GI,

gevestigd te Enschede,


Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Almelo.


Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van [verzoekster] van 2 januari 2015, ingekomen bij de griffie op 23 januari 2015,

- de evaluatierapportage van de ondertoezichtstelling van Jeugdbescherming Overijssel van

2 februari 2015, ingekomen bij de griffie op 3 februari 2015.


Op 3 februari 2015 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.






Gehoord zijn:

- de minderjarige [verzoekster], die apart is gehoord,

- de moeder,

- de vader, bijgestaan door mr. S.M. Bosch-Koopmans,

- de heer [C], vertegenwoordiger van de Raad,

- mevrouw [K] en mevrouw [O], vertegenwoordigsters van de GI.


De beschikking is bepaald op heden.


De feiten

Bij beschikking van 23 september 2014 heeft de kinderrechter [verzoekster] en haar broertjes [A] en [B] voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld, met benoeming van Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel tot gezinsvoogdijinstelling, thans een gecertificeerde instelling.


Op 7 januari 2015 heeft de rechtbank te Almelo de echtscheiding uitgesproken tussen de ouders van [verzoekster]. In de beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de ouders ter zitting met gesloten deuren op 2 september 2015 zullen worden gehoord over het voortgezet gebruik van de echtelijke woning, de gezagsvoorziening, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de eventuele verlenging van de ondertoezichtstelling.


Het ouderlijk gezag over [verzoekster] wordt uitgeoefend door de ouders.


[verzoekster] woont bij de moeder.


Het verzoek

[verzoekster] verzoekt de kinderrechter te bepalen dat haar moeder voortaan belast wordt met het eenhoofdig gezag en te bepalen dat de omgangsregeling tussen [verzoekster] en haar vader wordt gewijzigd in die zin dat [verzoekster] geen omgang meer zal hebben met haar vader. Voorts verzoekt [verzoekster] de opheffing van de ondertoezichtstelling van haar en haar broertjes [A] en [B].


Ten aanzien van haar verzoek tot eenhoofdig gezag merkt [verzoekster] op dat zij graag wil dat haar moeder zelfstandig alle beslissingen over haar mag nemen. Ze stelt daartoe dat haar moeder dat feitelijk altijd al heeft gedaan. [verzoekster] wil niet dat haar moeder afhankelijk is van de toestemming van vader als [verzoekster], net als in 2014, een medische behandeling moet ondergaan.


Ten aanzien van haar verzoek tot wijziging van de omgangsregeling merkt [verzoekster] op dat zij geen omgang wenst met haar vader. Ze mist haar vader niet, maar is ook niet boos op hem. Ze kan en wil geen band opbouwen met haar vader.


Ten aanzien van haar verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling merkt [verzoekster] op dat de gezinsvoogden niets toevoegen. Zo hebben de gezinsvoogden nog steeds geen reactie gegeven op het verzoek van [verzoekster] of zij er voor willen zorgen dat vader niet op de school van [verzoekster] komt. [verzoekster] heeft de gezinsvoogden bovendien al vier maanden niet gezien.




Het standpunt van belanghebbenden


de moeder:

Moeder heeft de rechtbank in de echtscheidingsprocedure al verzocht om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen. De beslissing is aangehouden tot

2 september 2015. Moeder merkt op dat zij tijdens het huwelijk feitelijk alleen alle beslissingen ten aanzien van de kinderen nam. [verzoekster]’s verzoek spoort met dat van moeder.


Over het verzoek van [verzoekster] om een wijziging van de omgangsregeling merkt moeder op dat zij vader nooit zal weren uit het leven van de kinderen. Moeder blijft stimuleren dat er contact blijft tussen vader en de kinderen. Aan de andere kant merkt moeder ook dat [verzoekster] hierin graag wordt vrijgelaten.


Over het verzoek van [verzoekster] tot opheffing van de ondertoezichtstelling laat moeder zich tijdens de behandeling ter zitting niet uit. Zij refereert zich naar het oordeel van de kinderrechter.


de vader:

De advocaat van vader hanteert pleitnotities legt deze aan de rechtbank over met het verzoek ze aan het proces-verbaal te hechten. Vader is het oneens met [verzoekster]’s verzoeken.


de GI:

De insteek van de ondertoezichtstelling is het in het belang van de kinderen nader tot elkaar proberen te brengen van de ouders en hun onderlinge communicatie te verbeteren. Dit proces is gestagneerd omdat beide ouders het moeilijk vinden om zich over pijn en ellende uit het verleden heen te zetten. Dat maakt het voor de GI lastig om dit doel te bereiken. De GI heeft een interne gedragswetenschapper van JBO ingeschakeld die de ouders zal ondersteunen en begeleiden om te kijken wat zij kunnen veranderen in het belang van de kinderen. De GI vindt mede hierom dat het te kort dag is om de ondertoezichtstelling nu op te heffen. De GI maakt zich zorgen over de gevolgen van de totale afwijzing van vader door [verzoekster] en denkt dat dit voortvloeit uit conflicten tussen de ouders die zo heftig en chronisch zijn, dat er voor [verzoekster] niets anders opzit dan partij te kiezen.


de Raad:

De Raad ziet het verschil in benadering tussen de vorige medewerkster van JBO die in vrijwillig kader contact met [verzoekster] had en de huidige gezinsvoogden en begrijpt hierdoor dat [verzoekster] gehoord wil worden omdat het verschil voor haar zo groot is. De Raad begrijpt dat [verzoekster] vindt dat het goed met haar gaat. Met de ouders van [verzoekster] gaat het onderling echter niet goed en er is een ondertoezichtstelling voor nodig om te zorgen dat [verzoekster] en haar broertjes [A] en [B] niet verder in hun ontwikkeling worden bedreigd. De Raad twijfelt verder of [verzoekster] zich goed realiseert wat het voor de toekomst betekent dat zij nu alle contact met vader afhoudt. De Raad adviseert de kinderrechter om de ondertoezichtstelling voort te zetten en benadrukt dat de focus van de ondertoezichtstelling op de ouders ligt. Over de omgangsregeling merkt de Raad op dat [verzoekster] niet kan worden gedwongen tot omgang met haar vader.

De beoordeling

De kinderrechter leidt uit het verzoekschrift van [verzoekster] af dat [verzoekster] kortweg de volgende verzoeken doet: wijziging van het ouderlijk gezag naar eenhoofdig gezag van moeder, als bedoeld in artikel 1:251a lid 1 BW, wijziging van de omgangsregeling, als bedoeld in artikel 1:377g BW en opheffing van de ondertoezichtstelling, als bedoeld in artikel 1:261 lid 2 BW.


Wijziging gezag:

Artikel 1:251a lid 1 BW regelt dat de rechter na ontbinding van het huwelijk, anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van één van hen kan bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Op grond van lid 4 van het aangehaalde wetsartikel kan de rechter, indien hem blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van het eerste lid. [verzoekster] heeft in haar verzoekschrift laten weten hierop prijs te stellen. Hij ziet dit onderdeel van haar verzoeken als het kenbaar maken door een kind ouder dan 12 jaar van haar mening over gezag na echtscheiding aan de rechter. De rechter is nu nog onvoldoende geïnformeerd om over het gezag al een beslissing te kunnen nemen.


De kinderrechter overweegt dat, nu moeder in haar verzoekschrift tot echtscheiding zelf reeds heeft verzocht om te worden belast met het eenhoofdig gezag over haar kinderen, en deze beslissing is aangehouden tot de zitting van 2 september 2015, hij dit verzoek van [verzoekster] zal aanhouden tot deze zelfde zitting.


Wijziging omgangsregeling:

In artikel 1:253a lid 4 BW wordt artikel 1:377g BW van overeenkomstige toepassing verklaard. De kinderrechter begrijpt dit aldus dat de informele rechtsingang, die in artikel 1:377g BW is gecreëerd voor de minderjarige van twaalf jaar of ouder, eveneens open staat voor de minderjarige die een beslissing wenst op de voet van artikel 1:253a BW. Aldus kan de minderjarige in de daarvoor in de jurisprudentie bepaalde gevallen aan de kinderrechter kenbaar maken dat hij prijs stelt op een ambtshalve beslissing ten aanzien van een regeling omtrent de uitoefening van het ouderlijk gezag als bedoeld in artikel 1:253a lid 2 BW. Uit onderdeel a van deze bepaling volgt dat de uitoefening van het ouderlijk gezag ook kan omvatten de beslissing over een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken. Nu [verzoekster] in haar verzoekschrift heeft laten weten hierop prijs te stellen, zal de kinderrechter ambtshalve een beslissing nemen.


De kinderrechter overweegt dat hij in de echtscheidingsbeschikking van 7 januari 2015 reeds heeft beslist dat de rechtbank in zijn algemeenheid belang hecht aan omgang tussen de niet verzorgende ouder en de kinderen. Omdat vader tijdens de behandeling van het verzoek tot echtscheiding slechts een onbepaald verzoek heeft ingediend ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, heeft de rechtbank vader in de gelegenheid gesteld om zijn verzoek, indien hij dit wenst en indien in het kader van de ondertoezichtstelling blijkt dat dit ook in het belang van de kinderen is, nader aan te vullen door een concreet verzoek ter beoordeling aan de rechtbank voor te leggen. Dit verzoek kan dan tegelijk met het gezag en de eventuele verlenging van de ondertoezichtstelling worden besproken op de zitting van

2 september 2015. De kinderrechter zal daarom dit verzoek van [verzoekster] aanhouden tot deze zelfde zitting. Ook voor wat betreft de omgang kan dit onderdeel van de verzoeken worden aangemerkt als het kenbaar maken aan de rechter door [verzoekster] van haar standpunt over de omgang. De rechter is nu nog onvoldoende geïnformeerd om over de omgang al een beslissing te kunnen nemen.


Opheffen ondertoezichtstelling:

De kinderrechter kan op grond van artikel 1:261 BW de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond, bedoeld in artikel 1:255 BW, eerste lid, niet langer is vervuld. Volgens lid 2 van het aangehaalde wetsartikel kan hij dit doen op verzoek van de GI die het toezicht heeft. Indien de GI niet tot een verzoek overgaat, zijn de Raad, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder bevoegd tot het doen van het verzoek.


Tijdens de behandeling van de zaak ter zitting is niet aannemelijk geworden dat de GI die het toezicht heeft, een verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling zal indienen. De ouders zullen dat, ieder om haar en hem moverende redenen, evenmin doen. Daarom is [verzoekster] in dit onderdeel van haar verzoek ontvankelijk en behoort daar nu al op te worden beslist, met de kanttekening dat [verzoekster] alleen de opheffing van de ondertoezichtstelling voor zichzelf kan verzoeken. Haar broertjes [A] en [B] hebben de leeftijd van twaalf jaar nog niet bereikt.


De kinderrechter dient ten aanzien van de ondertoezichtstelling van [verzoekster] te beoordelen of de grond van de ondertoezichtstelling niet langer wordt vervuld, waardoor de ondertoezichtstelling kan worden opgeheven. De grond voor een ondertoezichtstelling is neergelegd in artikel 1:255 lid 1 BW: de minderjarige groeit zodanig op dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor haar ouders die het gezag uitoefenen, wordt door dezen niet of onvoldoende geaccepteerd, en de verwachting is gerechtvaardigd dat de ouders die het gezag uitoefenen in staat zijn, binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen.


Het is wat [verzoekster]’s verzoek voor haar eigen OTS een beetje “een dubbeltje op z’n kant”. Formeel voldoet haar situatie nu mogelijk nog wel aan het criterium voor gedwongen hulpverlening. Haar ouders vormen na het verbreken van de samenwoning geen team meer als het om het behartigen van de belangen van de kinderen gaat. Ze waren dat tijdens de samenleving mogelijk ook al langere tijd niet meer. De drie kinderen hebben er last van dat de ouders niet op een lijn zitten als het om opvoeden, verzorgen en het maken en nakomen van afspraken over omgang gaat. Op eigen kracht lijken de ouders de problemen nog niet op te kunnen lossen of tot een aanvaardbare omvang terug te brengen. De drie kinderen lijken allemaal met loyaliteitsproblemen te kampen te hebben. [verzoekster] ziet dat vanuit haar belevingswereld kennelijk niet zo. Zij heeft geen probleem met de situatie of zij heeft dit voor haarzelf opgelost door onvoorwaardelijk voor moeder en het wonen bij moeder te kiezen en zich gelijktijdig af te zetten tegen vader die in haar ogen niet deugt en al langere tijd, ook tijdens het samenwonen als gezin, niet heeft gedeugd. Van die visie lijkt zij niet af te brengen te zijn. Voor het overige is [verzoekster] een kind waar niet zoveel mee aan de hand is. Ze is slim, doet het goed op school, kan goed voor zichzelf opkomen en ze kan haar standpunten prima verwoorden.


Hulpverlening is nodig. Eigenlijk voor alle drie de kinderen en de ouders. Moeder en vader zien dat wel in. Bij die hulp zijn vooralsnog ondertoezichtstelling en een gezinsvoogd, in dit geval twee gezinsvoogden, nodig. Eigenlijk ook voor [verzoekster]. Zij zet zich echter zo af tegen gedwongen hulpverlening, neemt de gezinsvoogden zo de maat en bemoeit zich zo nadrukkelijk met hun werk en ze is zo onwrikbaar in haar standpunt, dat het op dit moment contraproductief werkt binnen haar ondertoezichtstelling. Er gaat teveel negatieve energie zitten in de strijd van [verzoekster] met Jeugdbescherming Overijssel en het is niet te verwachten dat dit op gaat houden. Dan is het verstandiger om de ondertoezichtstelling voor [verzoekster] te beëindigen. De gezinsvoogden kunnen zich dan met de ouders op de andere twee kinderen richten. Mocht [verzoekster] alsnog op enig moment de behoefte voelen om vrijwillig aan te sluiten dan is daar niks op tegen. Zij zal zich er echter wel van bewust moeten zijn dat zij zich als dertienjarige moet onthouden van bemoeienis met de ondertoezichtstelling van haar broertjes. Dat is het terrein van de volwassenen: haar ouders en de gezinsvoogden.



De beslissing

De kinderrechter:

Ten aanzien van zaaknummer C/08/167152 / JE RK 15-106:


1. Beëindigt per heden de ondertoezichtstelling voor [verzoekster].


2. Verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in het verzoek tot beëindiging van de ondertoezichtstelling van haar broertjes.


Ten aanzien van zaaknummer C/08/154352 / ES RK 14-820:


3. Houdt elke beslissing over gezag en omgang aan tot de zitting van 2 september 2015.







Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Olthof, kinderrechter, in tegenwoordigheid van B. Vlietstra als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2015.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden